Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mandarijn - (Chinese ambtenaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

mandarijn 1 zn. ‘Chinees staatsambtenaar; Chinese standaardtaal’
Vnnl. mandarijn ‘hoge Aziatische ambtenaar, i.h.b. in China’ in die Mandoryns van China welcke het princepael governement hebben ‘... die het hoofdbestuur voeren’ [1596; WNT], de naem mandarijn is geen Chineesch woord, maar voortgekomen van de Portugeezen [1682; Van der Sijs 1998].
Ontleend aan Portugees mandarim ‘hoge ambtenaar in Maleisië, China, Annam’ [1514; Rey] dat, onder volksetymologische invloed van het Portugese werkwoord mandar ‘voorschrijven, bevelen’, zie → mandaat en → commanderen via Maleis mantari ‘bestuursambtenaar’ is ontleend aan Sanskrit mantrin ‘staatsraad’. Mantrin is afgeleid van mantra ‘raadgeving’, waarvan de wortel man- ‘gedachte, het denken’ samenhangt met een Indo-Europese wortel die betrekking heeft op de geest, zie → manen 2 en → mentaal.
De taal die de mandarijnen uit verschillende regio's onderling spraken, werd door de Chinezen ‘ambtenarentaal’ genoemd (guānhuà). De Europeanen noemden de Chinese ambtenaren “mandarijnen” en daarom werd als leenvertaling hun taal “mandarijntaal” genoemd, of kortweg “mandarijn”. In het Nederlands bestaan ook de varianten mandarijns of mandarijnse taal. Tegenwoordig is Mandarijn de naam van de gesproken standaardtaal in China (in het Chinees nu niet meer guānhuà, maar pŭtōnghuà, letterlijk ‘gemeenschappelijke taal’ of guóyŭ ‘nationale taal’). In de taalkunde is het een verzamelnaam voor de groep Noord- en Zuidwest-Chinese dialecten, die nauw verwant zijn aan de standaardtaal (in het Chinees wél guānhuà). Zie ook → mandarijn 2.
Lit.: Van der Sijs 1998, 91-94

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mandarijn1 [Chinese ambtenaar] {1596} < portugees mandarim, dat, onder volksetymologische invloed van mandar [bevelen], is overgenomen uit maleis mantari [bestuursambtenaar] < oudindisch mantrin- [raadsheer, minister], van mantra [raad].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

mandarijn

Toen Portugese kooplieden in de 16e eeuw Voor-Indië bereikten leerden zij daar het woord mandari kennen, de naam die het Tamil, een der Indische talen, gaf aan bepaalde hoge ambtenaren. De Portugezen namen het woord in de vorm mandarim over en toen zij in latere jaren gingen handeldrijven op China, pasten zij die naam op Chinese verhoudingen toe voor: raadsman van een vorst, zoiets als ons: minister. Dit leverde de Nederlandse vorm mandarijn op. Maar het woord mandarijn betekent ook iets geheel anders, namelijk: een kleine, geurige, los in de schil zittende sinaasappel. Dit is precies hetzelfde woord, want reeds in 1834 noemden de Engelse kooplieden deze vrucht mandarin orange, dat wil zeggen: de mandarijn, de beste der sinaasappelen, de sinaasappel die de kroon spant boven alle andere.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mandarijn 1 znw. m. ‘Chinees ambtenaar’, eerst nnl. < port. mandarim, een term, die de Portugezen in Voor-Indië als naam voor hoge ambtenaar leerden kennen en dan op Chinese verhoudingen toepasten; het is het Tamil-woord mandiri < oi. mantrī.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mandarijn I (Chineesch ambtenaar). Nnl. uit port. mandarim > malabaarsch-tamilsch mandiri > oi. mantrî (-in-) “minister, hooge ambtenaar”. Ook in andere talen overgenomen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mandarijn m., door Port. mandarim, uit Hind. mantri, Skr. mantrî = hooge ambtenaar. — Is ook de naam van een soort van oranjeappeltjes, die men in China veelal gebruikt om ze aan de mandarijnen ten geschenke te zenden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

1mandaryn s.nw.
Hoë staatsamptenaar van die Chinese Ryk wat enigeen van nege hiërargiese range kan beklee.
Uit Ndl. mandarijn (1596).
Ndl. mandarijn uit Port. mandarim wat, onder volksetimologiese invloed van die ww. mandar 'beveel', oorgeneem is uit Maleis mantari 'bestuursamptenaar' uit Oudindies mantrin- 'raadsheer, minister', met lg. van mantra 'raad'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

mandaryn I: Sji. staatsamptenaar; (elders) minister, raadsman; Ndl. mandarijn (reeds aan vLin as mandorijns bek.), Eng. en Port. mandarin (almal met Malb. of Tam. uitspr. mandire met d uit t) uit Hind. mantri, “minister, raadsman” (wu. Mal. manteri); kom nog by vBr (in 1687) voor.

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

mandoor1 [opzichter], mandarijn [Chinese ambtenaar]. Ik voeg deze woorden bijeen omdat het mij waarschijnlijk voorkomt dat er tussen beide een nauwe verwantschap bestaat.

Mandoor of mandoer (een gewone verscheidenheid van uitspraak waarbij, naar ik vermoed, dialectverschil ten grondslag ligt) betekent in Nederlands-Indië een opzichter of meesterknecht op een fabriek of bij enig belangrijk werk, iemand dus die aan zijn minderen bevelen geeft. Het woord wordt algemeen gebruikt in het Maleis, Javaans en Soendaas; maar is ook niet minder gewoon in de mond van de in Nederlands-Indië levende Europeanen. Zo spreekt, om een paar voorbeelden uit duizenden aan te halen, De Sturler, Handboek voor den landbouw, p. 1126, van ‘meesterknechts of mandoors voor het voeren der cilinders bij het vermalen van het suikerriet’, en Van Gorkom, Oostindische Cultures, II, p. 42, van inlandse opzichters of mandoers, die bij de indigobereiding het criterium of de tijd daar was om het vocht uit de trekbak af te laten, in de reuk of de smaak van het vocht vonden. Dit woord mandoor, stellig in het Javaans en Maleis van vreemde oorsprong, schijnt af te stammen van het Portugese mandar ‘bevelen, gelasten’, en is vermoedelijk door de inlanders samengetrokken uit mandador ‘lastgever’. Bij Heydt, Geographisch- und Topographischer Schauplatz von Afrika und Ost-Indiën (1744), leest men meermalen mandator, bijvoorbeeld p. 95.

Van hetzelfde Portugese mandar, of waarschijnlijker nog rechtstreeks van het Latijnse mandare, komt nu vermoedelijk ook mandarijn, door de Portugezen mandarin of mandarim uitgesproken. Ik vind in het Portugese woordenboek van Da Costa uit 1794 de latiniserende vorm Mandarinus, die naar het mij toeschijnt zal zijn uitgedacht door de jezueten, die in de Latijnse taal zoveel over China en Japan geschreven hebben. Bij hen zal men vermoedelijk de oorsprong van het woord moeten zoeken, en ik acht het onnodig er het Sanskriet mantrin, in het Javaans en Maleis mantri ‘minister of raadsman van een vorst, staatsbeambte’ bij te halen, dat wat de vorm betreft zeker niet zo goed past. Het woord komt reeds voor bij Van Linschoten, Itinerario, p. 32, 33, in de opmerkelijke vorm Mandoryn. S. de Vries, Curieuse aenmerckingen (1682), deel I, p. 38, zegt over mandaryn: ‘de naem mandarijn is geen Chineesch woord, maar voortgekomen van de Portugeezen, welcke alle magistraten in China dien naem geven, willende daermee sooveel seggen, als de Nederlanders met ’t woord Commandeur. Gelijck ’t dan ook schijnt, dat de naem mandarijn is afgeleyd van ’t Lat. woord mandare.’

Een Chinese oorsprong kan ’t woord mandarijn stellig niet hebben, maar het wordt in alle Europese talen gebruikt om een hoge staatsbeambte in China aan te duiden. Ook noemen wij Manadarijnappels of Mandarijntjes (Frans Mandariniers), een soort van kleine, zoete, bijzonder geurige, licht geribde, enigszins afgeplatte en zeer los in de schil liggende oranjeappels, die naar men zegt in China vooral gebruikt worden om ze aan de mandarijnen ten geschenke te zenden. Zie Lindley en Moore, Treasury of Botany, p. 292. [V]

mandarijn2 [Chinees ambtenaar]. Een oude afleiding, die onder andere bij Hyde, De Ludis Orientalibus, voorkomt, is die van mandarijn uit het Portugese mandar ‘bevelen, gelasten’. De plaats uit Hyde kan men vinden in Hobson-Jobson, p. 421. Prof. Veth verklaart zich voor dezelfde etymologie en verwerpt een andere, volgens welke mandarijn een verbastering is van mantrî (stam mantrin), een oorspronkelijk Sanskrietwoord dat in de moderne Indische talen voortleeft en ook tot de Maleiers, Javanen enz. is doorgedrongen. Van een tegengestelde mening zijn Yule en Burnell. In hun artikel Mandarin vermelden deze geleerden de afleiding uit mandar en bestrijden die dan op even grondige als uitvoerige wijze. Wij zullen de hoofdpunten van hun betoog beknopt meedelen. Een afleiding als mandarim, mandarij uit mandar is in het Portugees een taalkundige onmogelijkheid. Zij gispen Crawfurd, die het Maleise mantri uit het Portugees afleidt en wijzen op de nog grotere averechtsheid van Marsden, die, videns meliora, deteriora secutus [het betere ziende, toch het slechtere volgend], zegt: ‘The officers next in rank to the Sultan are Mantree, which some apprehend to be a corruption of the word Mandarin, a title of distinction among the Chinese.’ Verder wordt de aandacht gevestigd op het feit dat de oudste berichten die van mandarijn gewagen, niet eens betrekking hebben op China, maar op Indië en Indonesië. De bewijsplaatsen ter staving van hun gevoelen kunnen wij hier niet alle overnemen; de belangstellende lezer gelieve die zelf in Hobson-Jobson na te gaan. Slechts met één aanhaling willen wij een uitzondering maken, namelijk uit de kroniek van Gaspar Correa, die omstreeks 1512 in Indië moet gekomen zijn. Hij zegt, van de Molukken sprekende, volgens de Engelse vertaling: ‘and they cut off the heads of all the dead Moors, and indeed fought with one another for these, because whoever brought in seven heads of enemies, they made him a knight, and called him manderym, which is their name for Knight.’ Derhalve, de Portugees Correa zegt dat mandarym, dit is mandarijn, in de taal van de inlanders van de Molukken zoveel als ‘ridder’ betekent. Hij vergist zich, uit gebrek aan kennis van de inlandse talen, maar zijn moedertaal, het Portugees, heeft hij stellig goed genoeg gekend om te weten dat manderym daarin onbestaanbaar was.

Wij behoeven aan het betoog van Yule en Burnell niets toe te voegen. Alleen een korte opmerking over de neusklank aan het eind van het woord en over de d voor t. Uit meer voorbeelden blijkt dat de Portugezen de neiging hadden zo’n neusklank in de uitgang te gebruiken. Vandaar de vorm palankijn in plaats van palankî; Samorim, bij ons verder verbasterd tot Zamorijn, dat een verknoeiing is van Sâmudrî ‘zeekoning’. Bij Barbosa vindt men nauwkeuriger Zomodri, en bij Varthema Samory. Trouwens van mandarijn bestaat een bijvorm zonder neusklank, namelijk mandarij. Wat de d betreft, die achten wij ontstaan uit de Malayalam of Tamil uitspraak mandiri. [K]

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mandarijn ‘Chinees ambtenaar’ (Portugees mandarim); ‘vrucht’ (Frans mandarin)

N. van der Sijs (1998), Geleend en uitgeleend: Nederlandse woorden in andere talen en andersom, Amsterdam

mandarijn

De meeste mensen veronderstellen dat de naam voor de Chinese ambtenaar, de mandarijn, teruggaat op een Chinees woord. Maar dat is niet het geval: het woord is geleend uit het Portugees. Een Nederlandse tekst uit 1682 meldt: ‘de naem mandarijn is geen Chineesch woord, maar voortgekomen van de Portugeezen, welcke alle magistraten in China dien naem geven, willende daarmeê soveel seggen, als de Nederlanders met ‘t woord Commandeur.’

Ook andere talen hebben het woord uit het Portugees overgenomen. In het Frans komt het voor vanaf 1581, in het Engels vanaf 1589. In het Nederlands lezen we in Van Linschotens bekende Itinerarium, ofte Schipvaert naer Oost ofte Portugaels Indien uit 1596: ‘Die Mandoryns van China welcke het princepael governement hebben.’ Hoewel het citaat uit Van Linschoten anders doet vermoeden, betekende mandarijn in die periode in het algemeen ‘hoge Aziatische ambtenaar’ en sloeg het niet speciaal op China.

Het woord is in Azië geleend. In de zestiende eeuw ondernamen de Spanjaarden, Portugezen, Nederlanders, Engelsen en Fransen ontdekkingsreizen naar verre continenten, waaronder Azië. De verschillende volkeren ontmoetten elkaar en namen woorden over van de inheemse bevolking, maar ook van elkaar. Eén zo’n woord is mandarijn. Het woord is begin zestiende eeuw door de Portugezen aan een Aziatische taal ontleend, waarschijnlijk aan Maleis mantari, mant(e)ri, dat ‘raadsman van de vorst, minister, besturend ambtenaar’ betekende. Dit ging terug op Sanskriet mantrin, een afleiding van mantra ‘raad’, een woord dat door de belangstelling voor Aziatische godsdiensten sinds de jaren zestig bekend geworden is als ‘heilige, bezwerende spreuk’ en dat in meditatie gebruikt wordt. Sanskriet is de taal die vanaf 650 voor Chr. in India werd gesproken en daar dezelfde positie had als het Latijn in Europa: het was de taal van religieuze, literaire en wetenschappelijke teksten en is nog langer dan het Latijn in Europa gebruikt.

De Portugezen namen Maleis mantari over als mandarim, dus met een d. Hiervoor zijn verschillende verklaringen gegeven. Eind vorige eeuw meende de taalkundige J.H.C. Kern dat er sprake was van invloed van een andere in India gesproken taal, bijvoorbeeld het Malabaars of het Tamil. Meest waarschijnlijk lijkt echter dat in het Portugees volksetymologisch verband is gelegd met mandar ‘bevelen’ — de betekenissen liggen tenslotte dicht bij elkaar: een besturend ambtenaar geeft bevelen aan de lager gesitueerden.

In westerse talen werd het woord na enige tijd beperkt tot een Chinese ambtenaar, die in het Chinees heel anders heet, namelijk guan. Daarna werd het woord ook de aanduiding voor de Chinese taal die de mandarijnen met elkaar spraken. In het Frans gebeurde dat al in 1604, in het Engels ruim honderd jaar later. De taal van de mandarijnen werd in het Chinees guanhua genoemd, letterlijk ‘ambtenarentaal’. Deze taal, een soort algemene omgangstaal, ontstond omdat de ambtenaren, die op nationaal niveau opereerden, niet uit de voeten konden met de vele dialecten die in China gesproken werden. Voor het bestuur was een taal nodig die iedereen verstond en die boven de lokale dialecten stond. Dat was de ambtenarentaal. In 1674 verklaarde een Engelsman: ‘De taal [...] wordt de taal van de mandarijnen genoemd, omdat zij hem samen met hun bestuur introduceerden, en hij wordt door het hele rijk gebruikt, zoals het Latijn in Europa.’ Het Mandarijn of Mandarijnenchinees, ook wel Noord-Chinees genoemd, is momenteel de meest gesproken taal. Het wordt onderverdeeld in een aantal dialecten. De variant die rond Peking gesproken wordt, vormt de basis van het Modern Standaard Chinees, de standaardtaal.

In China vormden de staatsambtenaren een sterke elite, die de Chinese traditie instandhield. Er bestonden negen rangen, die men kon doorlopen door het afleggen van moeilijke examens waarvoor lang gestudeerd moest worden, wat alleen de rijken zich konden veroorloven. De mandarijnen hadden de naam conservatief en bureaucratisch te zijn, zoals ambtenaren overal ter wereld. Vandaar dat in vele talen het woord mandarijn de aanduiding werd voor een formalist of bureaucraat, iemand die verstard is in een bepaalde culturele traditie maar veel macht heeft. In het Frans komt deze betekenis al in 1830 voor, in het Engels in 1907. Deze betekenis is vooral in literaire werken populair, denk aan Les Mandarins van Simone de Beauvoir en Mandarijnen op zwavelzuur van Willem Frederik Hermans. In kranten is nog wel eens sprake van ‘mandarijnen van de politiek’ of ‘mandarijnen van de universiteit’.

Opvallend is dat meer vreemde titels of functies in het Nederlands en andere talen — het gaat hier om een universeel verschijnsel — een uitgebreide, figuurlijke betekenis krijgen. Zo gebruikt een krant een Turkse titel in zijn beschrijving van Marlon Brando als ‘de werkschuwe pasja’. In ‘de ayatollah van de rock-’n-roll’ wordt een Arabische religieuze titel in totaal andere zin gebruikt, in PR-goeroe, politieke goeroe, management-goeroe gebeurt hetzelfde met een hindoeïstische term. In bloemenmagnaat, krantenmagnaat gaat een Poolse titel schuil, en in havenbaron, textielbaron een Franse.

Maar terug naar de mandarijn. Omdat de data van nieuwe betekenissen telkens in het Frans het vroegst voorkomen, lijkt het erop dat het Frans hiervoor de toon heeft gezet. Een betekenis die volgens alle etymologische woordenboeken zeker uit het Frans komt, is die van ‘soort citrusvrucht’. De vrucht is oorspronkelijk afkomstig uit Zuidoost-Azië en de benaming zal in Azië gegeven zijn. In het Frans heet hij tegenwoordig mandarine. Dit is een verkorting van het oudere orange mandarine uit 1773, dat letterlijk ‘mandarijnensinaasappel, sinaasappel van de mandarijnen’ betekende. In het Engels komt in 1771 — dus twee jaar eerder dan in het Frans! — mandarin orange voor, later net als in het Frans verkort tot mandarin. Het Spaans gebruikt mandarina, een verkorting van naranja mandarina. De motivatie voor de benaming is onzeker. Mogelijk is de vrucht naar de ambtenaar genoemd omdat de kleur van de vrucht overeenkwam met die van de kleren die de mandarijnen droegen. Of men beschouwde de vrucht als bijzonder lekker, ‘een mandarijn waardig’. Wellicht de minst waarschijnlijke verklaring is die van P.J. Veth uit 1889: ‘mandarijnappels of mandarijntjes [...], die naar men zegt in China vooral gebruikt worden om ze aan de mandarijnen ten geschenke te geven.’

Het woord mandarijn is een prachtig voorbeeld van hoe een Portugees woord voor een oosters begrip zich over het hele Westen verbreid heeft, en er uit het Frans vele betekenissen bijkreeg.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mandarijn Chinese ambtenaar 1596 [WNT] <Portugees

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal