Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

marode - in de uitdrukking op marode gaan

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

marode, in de uitdrukking op marode gaan [gaan pierewaaien, uit stelen gaan] {1713, ook merode 1698} < frans aller à la maraude van maraud [schelm], marauder [stropen, plunderen]; in Centraal- en West-Frankrijk is maraud de benaming van de kater, klanknabootsing van de krolse kater.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

marode, merode, in uitdr. op merode gaan ‘uitgaan’. Zeeuws op marode gaan ‘op stap gaan, aan de zwier gaan, gaan pierewaaien’. Fr. aller à la maraude ‘op strooptocht, rooftocht gaan’ < maraud ‘schelm’, oorspr. klanknabootsend woord voor ‘kater’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

marode, marote, maroot, merote in uitdr. op marode gaan: op stap gaan, aan de zwier gaan, gaan pierewaien. Fr. aller à la maraude ‘op strooptocht, rooftocht gaan’ < maraud ‘schelm’, oorspr. klanknabootsend woord voor ‘kater’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

marode, merote, menrode (op -) op stap, aan de zwier (Urk, Zeeland, Zuid-Nederland). « fra. à la maraude, afgeleid van fra. maraud ‘zwerveling’ maar oorspr. ‘kater’ en als zodanig onomatopoëtisch.
DELF 371, WNT IX 260, Ghijsen 572, Daan 1942, 453.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1481. Op marode gaan,

eene navolging van het fr. aller à la maraude, d.i. plunderen, vooral van soldaten gezegd, die op het platte land uit stelen gaan; verder in 't algemeen op den tril gaan, gaan pierewaaien, scharrelen. De zegswijze komt bij ons in de 18de eeuw (Wolff en Deken; Rusting; Halma) voor (ook op marode loopen). In Zuid-Nederland wordt ze ook in den algemeenen zin van stelen (vgl. fr. marauder, plunderen, stelen) gebruikt naast op den rooi gaan. Vgl. no. 493 noot en zie verder Ndl. Wdb. IX, 260; XIII, 1251; Schuermans, 364: Op merode gaan, gaan stroopen; rinkelrooien; op zwier gaan; Waasch Idiot. 424: Op (zijn) marode gaan, op zwier gaan; Claes, 142: Op marode gaan of zijn, op zwier gaan of zijn; Antw. Idiot. 794: Op marode gaan, op strooptocht uitgaan, uit stelen gaan; hd. sich auf Merode begeben; marodieren; ook marode als adj.: ‘marschunfähig’ (Horn, 103); Marodeur oder Merodebrüder, plündernde, räuberische Nachzügler. Köster Henke, 44: Merode, neerlaag, armoede. Hij is nou in de merode (aan lagerwal); V.v.d.D. 39: Zit je erg in de merode? bl. 69: Ik raakte hoe langer hoe meer in de merode; bl. 125: Daar ben ik weer, zei ik; ik heb nou genoeg in de merode gezeten.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal