Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

midden - (centraal gelegen punt); (in het midden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

midden zn. ‘centraal gelegen punt’; bw. ‘in het midden’
Onl. mitdon ‘centraal gelegen punt’ in an mitdon ‘in het midden van’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. midden (bn.) ‘id.’ in in midden somre ‘in het midden van de zomer’ [1279; VMNW], te midden zomere [1283; CG I], dan als zn. ‘het midden’ in Jn alle midden van dien viere ‘precies in het midden van het vuur’ [1290; VMNW], en met lidwoord in die doder leghet Recht int midden vanden witten ‘de dooier ligt precies in het midden van het eiwit’ [1400-29; MNW-R].
Daarnaast als bijwoord mnl. midden ‘in het midden’ in Midden in den tempel [1285; VMNW].
Ontstaan uit de datief meervoud van het zn. *midde < Proto-Germaans *midjō-. Het gebruik van midden als bn. is reeds lang verouderd. Zie ook → middel.
Op dezelfde manier zijn gevormd: mhd. mitten (nhd. mitten, alleen bijwoord); nfri. midden.
Bij het zn. pgm. *midjōn- ‘het midden’ horen: os. middia; ohd. mitti (nhd. Mitte); oe. midde; on. miðja (nzw. midja ‘middel, taille’). Dit is het zelfstandig gebruikte bn. pgm. *midja- ‘zich in het midden bevindend’: os. middi; ohd. mitti (mhd. mitte); ofri. midde (nfri. mid-, als voorvoegsel); oe. mid (ne. mid-, vooral als voorvoegsel); on. miðr (nno. midt); got. midjis.
Pgm. *midja- is verwant met: Latijn medius ‘zich in het midden bevindend’ (zie → medium); Grieks mésos ‘id.’; Sanskrit mádhya-; Avestisch maithya- ‘midden’; Oudkerkslavisch mežda ‘grens’ (Russisch mežá ‘akkergrens’), meždu ‘tussen’ (Tsjechisch mezi); Oudiers míde ‘het midden’; Armeens mēj ‘midden’; < pie. *medhi- (IEW 706-707).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

midden* [punt tussen twee uitersten, zn.] {in de plaatsnaam Medemolaca, nu Medemblik (N.-H.) <911-948>, midden 1285} in middelnederlands te midden, in midden, oudnederlands mitdon, midton is midden een verbogen nv. van het eerste lid in middag.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

midden 1 znw. o., mnl. in midden, waarin midden een casusvorm is van germ. *miðja-, waarvoor zie: middag.

midden 2 in samenstellingen, mnl. midden, vgl. os. middensumar, oe. middangeard, got. midjungards ‘aardrijk’. Mogelijk ontstaan uit een vorm corresponderend met ohd. mittamo ‘het midden’ = oi. midhyamá- ‘middelst’.

midden 3 bijw. mnl. midden, eig. een casus van germ. *miðja- waarvoor zie: middag. Evenzo ohd. mitton, oe. middum. Een vorm als ofri. midda ‘te midden van’ kan beïnvloed zijn door vormen als binna, būta.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

midden I-, in samenstt., mnl. midden-. = ̓ ’t eerste lid van os. middensumer m. “ ’t midden van den zomer”, ags. middangeard, gol. midjungards m. “aardrijk”, wellicht identisch met ohd. *mittam “middelst” (waarvan mittamo m. “het midden”), oi. madhyamá- “middelst”.Veel jongere samenstt. met midden- bevatten midden II en midden III, die het taalgevoel met midden I- identificeerde.

midden II znw. o., ook in de midden komt voor. Wordt mnl. bijna uitsluitend na in of (zelden) na te gebruikt. Mnl. in midden van den kerchōve e.dgl. uitdrukkingen zijn vervormd uit in midden den kerchöve e.dgl., waar midden een casus (hier dat. enk.) van *mïðja- (zie middag), misschien ook van ’t bij midden I besproken bnw. is. Vgl. midden III.

midden III bijw., mnl. midden. Oorspr. een casus (dat. mv., dat. accus, enk.) van *miðja- (zie middag), die wellicht bijw. geworden is door een modificatie van uitdrr. als in midden den wout, in midden hem allen. Vgl. midden II. Evenzoo is ohd. mitton, ags. middum een bijw. = “midden”; ofri. midda “te midden van” zal wel in den uitgang door andere adverbia resp. preposities als (b)inna, (b)ûta beïnvloed zijn. ’t Mnd. kent ’t bijw. middene “midden”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

midden bijw., + Hgd. mitten: is een naamval (datief?) van ’t bijv.nw. mid (waarover z. middag). Het subst. midden is het zelfst. gebr. bijw.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

mirren (ZO), zn. o.: midden. Door wisseling van intervocalische d door eveneens dentale r < midden. Verder verschillende samenstellingen met mirrel- 'middel-' (ZO).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

midden ‘milieu’ (betekenis van Frans milieu)

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

midden. - Onder den invloed van fr. milieu, wordt midden in Zuid-Nederland veel gebruikt in den overdrachtelijken zin van: kring, omgeving, sfeer waarin iemand leeft; dit is echter met ons taalgebruik in strijd. Men kan wel zeggen in hun midden, en dit staat gelijk met fr. au milieu d’eux; maar leur milieu = hunne omgeving. || Als de kunstenaar, ... door den vreemdeling als meester erkend, in ons midden terugkeert, SNIEDERS 5, 15a. Het is de weerspiegeling van het midden, waarin het (volk) geroepen was om zich te ontwikkelen, GEIREGAT, Holl. Schilderk. 1. Wij (zullen) tevens de drukking ... vaststellen, die het midden, waarin zij (t.w. de Hollandsche kunstenaars) leefden, op de keus hunner onderwerpen ... heeft gehad, 7 (zie ook 8). Stellig spelen de natuur en het midden, waarin men zich beweegt, in de geschiedenis der Hollandsche school eene overwegende rol, 51. Hij moest zijne scheppingen aan den kring ontrukken, waarin hij haar tot dan toe had doen bewegen, om haar in haar midden terug te plaatsen, 52. De omstandigheden, in wier midden de Hollandsche kunst zich beweegt, Ald. Men ziet het, ieder is op zijne plaats of in zijn midden, 64. De schilder, vertolker der gevoelens van zijnen tijd en van zijn midden, 104. Wij (komen) ... in een geheel ander midden, 176. De Joden zullen zich meer en meer samensmelten met de massa der natie in wier midden zij leven, GEIREGAT, Maatschapp. Vraagst. 109 (er wordt vereischt: natie onder dewelke enz.) In den landbouwersstand draagt men den rouw niet, en wordt het huwelijk der kinderen soms niet lang wegens het sterven der ouders uitgesteld. Dit gebruik komt wellicht hieruit voort, dat de overlevenden het bestuur der boerderij aan geene vreemde handen toevertrouwen kunnen; of is het, omdat men in dat midden ... de smart over eenen doode niet langer ... huichelt, dan zij werkelijk bestaat? LOVELING, Sophie 50. Elk der schrijvers heeft het tijdperk en het midden, waarin zijne helden leven, grondig bestudeerd en zich vertrouwd gemaakt met de plaatselijke aangelegenheden, in wier midden zijn verhaal speelt, ROOSES, Derde Schetsenb. 291. Zijne menschen hebben hun eigenaardig karakter, en hoe verschillend het midden ook weze, waaruit zij gekozen worden, zij nemen den toon van dit midden aan, 379. Wat al onverschrokkenheid en wilskracht er moet noodig geweest zijn om in het midden, waarin Gij leefdet, pal bij uwe overtuiging te staan, weten wij niet nauwkeurig, 395. In zulk een midden moest de kunst voorzeker wel vooruitkomen, SABBE, Vl. Schilderk. 17 (zie ook 86). De onderwijzer moet zich schikken naar het midden, waarin hij leeft, TEIRL.-STIJNS, Arm Vl. 2, 84.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

midden ‘punt op gelijke afstand van de uitersten; in het midden; (voorzetsel) in het midden van’ -> Negerhollands midi; middel, meedel, medl, midl, mel ‘punt op gelijke afstand van de uitersten; in het midden’ (uit Nederlands of Engels); Sranantongo mindri ‘punt op gelijke afstand van de uitersten; in het midden; (voorzetsel) in het midden van’; Aucaans mindii ‘punt op gelijke afstand van de uitersten’; Saramakkaans míndi ‘punt op gelijke afstand van de uitersten; in het midden’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † medl ‘punt op gelijke afstand van de uitersten’ <via Negerhollands>.

Dateringen of neologismen

R. Schutz (2007), Brekend nieuws, Nijmegen

in het midden van nergens. Letterlijke vertaling van Engels in the middle of nowhere = ver van de bewoonde wereld; in een godvergeten gat; Het ligt in het midden van nergens en de enige muziek die je op de radio kan krijgen is dat country and western gedoe. (1992); Ik heb de indruk dat er het hardst van al wordt gepanikeerd in dorpjes in het midden van nergens, waar nooit iets gebeurt; Na 3 minuten wordt het beeld van het vergeefs wachtende meisje op het perron van het kleine station van een naamloos dorp in het midden van nergens wreed verstoord door het scheurende "Nothing to Say"; Naar het technologiecentrum in het Friese Sexbierum, in het midden van nergens, komen jaarlijks 25.000 bezoekers.

midden van de weg. Letterlijke vertaling van Engels middle of the road = gematigd, neutraal, gewoon; saai, kleurloos; Ik (als oa prog-rock-luisteraar) vind Marillion de laatste 15 jaar toch meer "midden-van-de-weg". Zo ook je luistertip. (2004); Ja, want een paar liedjes neigen, door een onderliggend tapijtje van keybordklanken, iets te graag naar het midden van de weg; Toen ze door de platenmaatschappij gedwongen werden weer het midden van de weg op te zoeken, ging het dan ook subiet fout; U haalt dan een heerlijk album in huis, dat lekker wegdraait maar ondanks zijn toegankelijkheid gelukkig ver weg blijft van het midden van de weg.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

midden* punt op gelijke afstand van de uitersten 0694 [Gysseling 1960]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1513. Iets in 't midden laten,

d.w.z. iets onbeslist laten, vertaling van het lat. in medio (soms in medium) relinquere. De zegswijze schijnt eerst in de 19de eeuw voor te komen. Zie Ndl. Wdb. IX, 687.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

medhi-, medhi̯o- ‘mittlerer’, auch medhu-; Superl. medh(i)emo-

Ai. mádhya-, av. maiδya- ‘mittlerer’, Superl. ai. madhyamá-, av. maδǝma- ‘mittlerer’ (= got. miduma);
arm. mēǰ ‘Mitte’;
gr. (ep.) μέσσος, (att.) μέσος ‘mittlerer’;
lat. medius, osk. mefiaí ‘in mediā’; osk. messimas vermutlich ‘medioximas’;
gall. Medio-lānum, -mātrici, air. mid- (*medhu-) im Kompositum ‘medius’, mir. mide ‘Mitte’, Mide ‘Meath’ eigentlich ‘mittlere Provinz’, air. i-mmedōn ‘in medio’, cymr. mewn, mcymr. mywn ‘in’(*medugno-); mcymr. mei-iau ‘Mittel-Joch’ (*medhi̯o-); gall. FlN Meduana; venet. FlN Meduana;
mit Verschleppung des s aus einem Superl. wohl auch air. messa ‘schlimmer’, eigentlich ‘mittelmäßiger’ (oder zu 2. meit(h)-, germ. missa-?);
got. midjis, aisl. miðr, ags. midd, ahd. mitti ‘medius’, Superl. got. miduma ‘die Mitte’, aisl. mjǫðm f. ‘Hüfte’, ags. midmest ‘der mittelste’, ags. medeme, ahd. metemo ‘mediocris’ (: av. maδǝma-) und got. *midjuma (= ai. madhyamá-) in midjun-gards, ags. middan-geard ‘Erdkreis’, ahd. mittamo ‘mediocris’, in mittamen ‘inmitten’; ahd. mittar ‘medius’;
abg. mežda ‘Straße’ (ursprüngl. ‘Grenzrain’), russ. mežá ‘Grenze, Rain’ (usw.), abg. meždu (Loc. Du.) ‘zwischen’ Adv. Präp., aruss. meži (Lok. Sg.) ds.; hierher auch wohl als ‘*Wald auf dem Grenzrain’: apr. median, lett. mežs ‘Wald, Gehölz’, lit. mẽdžias ‘Baum’; lit. FlN Meduyà.

WP. II 261, WH. II 57 f., Trautmann 173, Specht Idg. Dekl. 133 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal