Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

moe - (uitgeput)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

moe bn. ‘uitgeput’
Onl. muothi ‘vermoeid, uitgeput’ in ther thie muothe is ‘degene die moe is’ [ca. 1100; Will.]; mnl. moede ‘vermoeid’ [1240; Bern.] en ‘uitgeput’ in Beide ondercomen ende moede ‘zowel verzwakt als uitgeput’ [1265-70; VMNW], moe [ca. 1400; MNW].
Ontstaan door wegval van intervocalische -d- uit mnl. moede.
Os. mōthi ‘moe’ (mnd. möde ‘id.’); ohd. muodi ‘moe, ongelukkig, arm’ (nhd. müde ‘moe’); oe. mēðe ‘moe, bedroefd, lastig’; < pgm. *mōþija- ‘moe’. Afleiding van de wortel van → moeien (< pgm. *mōjan-) ‘kwellen, lastigvallen, vermoeien’ met het achtervoegsel pie. *-tio-, dat in de Germaanse talen werd gebruikt voor bijvoeglijke naamwoorden die persoonlijke eigenschappen aanduiden. Daarnaast is van dezelfde wortel afgeleid: on. móðr ‘moe, knorrig’ (nno. mo ‘slap, moe’).
Lit.: Heidermanns 1993, 414; Krahe/Meid III, 147-148

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

moe*, moede [vermoeid] {moede, mude 1201-1250} oudsaksisch mōthi, oudengels meðe, oudhoogduits muodi, oudnoors mōðr, van dezelfde stam als moeien.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

moe 2 bnw. verkorting van moede.

moede verkort tot moe, bnw., mnl. moede, os. mōthi, ohd. muodi (nhd. müde), oe. mēðe < germ. *mōðia, een afl. van de onder moeien behandelde wortel. Daarnaast staat met het idg. suffix -to on. mōðr.

De dialectische vormen behandelen voor wat Zeeland betreft A. Weijnen Taaltuin 8, 1939-40, 159-160 (met kaartje voor de vormen moe, moej, moeg) en voor het hele taalgebied P. J. Meertens ibid. 9, 1940-1, 59-62: in het Westen geen, in het Oosten wel umlaut. De vormen met g zoals muug, meug, moeg vertonen overgang j > g. In het noordholl. heerst het woord loof 2.

moe [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 239 [1969].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

moede, moe bnw., mnl. moede. = ohd. muodi (nhd. müde), os. môthi, ags. mêðe “moe”. Een afl. van de bij moeien besproken basis, met het suffix germ. -ðia-, idg. -tio-. Met het suffix -to- on. môðr “moe”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

moede, moe. In zuidndl. diall. komt veel voor een vorm op (antw. muug, leuv. mîχ e.d.), die op een jongere afl. met -ig zal berusten: *Mansion Vla. Acad. 1914, 438 bij Grootaers-Grauls Hass. Dial. 124.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

moede bijv., Mnl. id., Os. môthi + Ohd. muodi (Mhd. müede, Nhd. müde), Ags. méde, On. módr (De. mod): een oud verl.deelw. van moeien (z.d.w.), dus = zich gemoeid hebbende.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

meuj (bn.) moe; Aajdnederlands muothi <1100>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

moeg, meug, meig, moei, bn.: moe; lui. Br. muug, mieg. Afrikaans moeg ‘moe’. Moeg < Mnl. moedich afl. van moede ‘moe’. Vgl. D. Müdigkeit. Meig is ontrond. Moei door d-syncope uit Mnl. moede.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

muug, muuj, mieg, bn.: moe; beu; dronken. Afrikaans moeg ‘moe’. Muug, gepalataliseerd < moeg < Mnl. moedich afl. van moede ‘moe’. Vgl. D. Müdigkeit. Mieg is ontrond uit muug.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

moeg b.nw.
Afgemat, vermoeid.
Uit gewestelike Ndl. moeg. Die Ndl. gewestelike vorm moeg kom naas Ndl. moede, moe en moei (Mnl. moede, muede) voor, met lg. wat teruggevind word in Afr. woorde soos bemoei, moeilik, moeisaam, moeite en vermoei. Van Riebeeck gebruik moeycheyt, wsk. uit moei(ig)heid (Boshoff - Nienaber 1967).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1920).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

moeg, muug moe (Limburg, Brabant, Zuid-Vlaanderen). De g is niet uit een suffix -ig maar ‹ jd › van moede.
OT IX 59-61, VIII 159.

muug moe (Oost-Noord-Brabant). = afrikaans moeg ‘id.’. Vgl. onbrab. muuj ‘id.’. Dezelfde verhouding toont ook valk. tièèg ‘taai’ naast nl. taai. Ofwel was de ontwikkeling moedemuujmuug ofwel is aan moede het suffix -ig toegevoegd. Het mnl. heeft namelijk naast onmoede ‘onvermoeid’ ook: onmoedich.
Weijnen 1937, par 102 en 91, Hoppenbrouwers (1996), 238, P.J. Meyer 1944, 62.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

moeg: afgemat, vermoeid; Ndl. moe(de), dial. moeg/meug/muug (v. dVri J NEW), Mnl. moede, Hd. müde, hou verb. m. moei (bv. in: (be)moei, moeilik, moeisaam, moeite, vermoei, ens.), vgl. vRieb se moeycheyt (wsk. uit moei-(ig)heid); vgl. verder Frank (TB 197, 205 No. 57).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Moe, moede, vermoeien, moeite, van den Idg. wt. mo = zich inspannen, zich afmatten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

moe ‘vermoeid’ -> Negerhollands moe, mu ‘vermoeid; moe worden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

moe* vermoeid 1100 [Willeram]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

mō-, mo-lo- ‘sich mühen’

Gr. μῶλος ‘Anstrengung, Mühe’, μωλέω, kret. μωλίω ‘prozessiere’, μῶλυς ‘ermattet’, vielleicht μόλις ‘kaum’ (ο für ω nach μόγις); ἄ-μοτος ‘unermüdlich’; lat. mōlēs f. ‘Last, Masse’, Denom. mōlior, -īrī ‘mit Anstrengung wegschaffen’, mŏlestus ‘verdrießlich, lästig, beschwerlich’ (Analogie zu modestus); got. af-mauiþs ‘ermüdet’, ahd. muoan, mhd. müen, müejen ‘beunruhigen, beschweren’, ndl. moeijen ‘belästigen, bemühen’; ahd. muodi, as. mōði ‘müde’, ags. mēðe ‘müde, betrübt’, aisl. mōðr ‘müde’; lit. pri-si-muolėti ‘sich abmühen’; russ. máj-u, -atь ‘ermüden, plagen’, majá, majetá ‘Plage, harte Anstrengung’, usw.

WP. II 301 f., WH. II 101 f., Trautmann 188;wohl zu mē-5.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal