Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

muis - (knaagdier (Mus musculus))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

muis 1 zn. ‘knaagdier (Mus musculus)’
Mnl. mus ‘muis’ [1240; Bern.], meestal muus, verbogen vorm muse [1287; VMNW], muys [1400-20; MNW-R].
Os. mūs (mnd. mūs); nhd. mūs (nhd. Maus); ofri. mūs (nfri. mûs); oe. mūs (ne. mouse); on. mús (nzw. mus); < pgm. *mūs.
Verwant met: Latijn mūs; Grieks mũs; Sanskrit mū́ṣ (zie ook → muskaat); Oudkerkslavisch myšĭ (Russisch myš'); Armeens mukn; Albanees mi; alle ‘muis’ (Sanskrit ook ‘rat’, Grieks ook ‘spier’, zie ook → muis 2), < pie. *muHs (IEW 752).
Bij uitbreiding worden ook diverse andere diersoorten muis genoemd, maar dan meestal in samenstellingen, bijv. veldmuis (Microtus arvalis), bosmuis (Apodemus sylvaticus). De spitsmuizen behoren zelfs niet tot de knaagdieren, en zie nog → vleermuis.

muis 2 zn. ‘deel van de hand bij de duim’
Mnl. muus ‘(skelet)spier’ in die musen siin gewrocht van dradekinen vanden zenewen ‘de skeletspieren zijn gemaakt van spiervezels’, musen die liggen in den ende vanden leden ‘spieren die in de uiteinden van de ledematen liggen’ [beide 1351; MNW-P], die muyse an armen, beynen ind in der hant ‘de spieren in de armen, benen en in de hand’ [1477; Teuth.]; nnl. Terwijl hy 't aanzicht op de muyssen rusten dee ‘terwijl hij zijn gezicht op de muizen (van zijn hand) liet rusten’ [1712; WNT].
Hetzelfde woord als de diernaam → muis 1. Bepaalde spierbundels in de ledematen, die nu skeletspier genoemd worden, werden vanwege hun vorm genoemd naar de muis. In die algemene betekenis is het woord nu verouderd, maar het is blijven bestaan als naam voor de opvallende spierbundel in de handpalm aan de kant van de duim.
Ook in diverse andere talen duidde het woord voor ‘muis’ tevens ‘spier’ of andere dergelijke lichaamsdelen aan: Latijn mūsculus, letterlijk ‘muisje’, maar ook ‘spier’ (zie ook → mossel); Frans souris ‘muis’, ook ‘muis van een lamsbout’; Grieks mũs ‘muis; spier’; Oudkerkslavisch myšĭca ‘hand, schouder, spier’ (Russisch mýšca ‘spier’).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

muis* [knaagdier, spier] {muus, muys [knaagdier] 951-1000; de betekenis ‘spier’ 1351} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries, oudengels, oudnoors mūs; buiten het germ. latijn, grieks mus, albaans , oudkerkslavisch myšĭ, oudperzisch mush, oudindisch mūṣ- [muis, rat]; de muis van de hand is zo genoemd vanwege vormovereenkomst.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

muis znw. v., mnl. muus v. m., os. mūs, ohd. mūs (nhd. maus), oe. mūs (ne. mouse), on. mūs v. — oi. mūṣ, gr. mũs, lat. mūs, osl. myšǐ, alb. , arm. mukn (IEW 752).

Wegens de vorm heten ook spieren of vlezige delen muis, reeds mnl. muus heeft die bet., vgl. gr. mũs ‘spier’, muṓn ‘spierrijk gedeelte van het lichaam’, lat. musculus ‘spier’, mnd. mūs ‘vlezig deel bij de duim’ (ook nnl. muis), osl. myšĭca ‘arm’, arm. mukn ‘spier’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

muis znw., mnl. muus v.m. = ohd. mûs (nhd. maus) v., os. mûs (in samenst.), ags. mûs v. (eng. mouse), on. mûs v. “muis”. Een idg. consonantstam: = lat. mûs, gr. mūs, obg. myšĭ, alb. , arm. mu-kn “muis”, oi. mū́ṣ- (e.a. stammen) “id., rat”. Verwantschap met oi. muṣṇā́ti “hij steelt” is hoogst onzeker; dat muṣṇā́ti eigenlijk “hij muis-t” zou beteekenen, is wegens de afwijkende quantiteit onwsch. Mnl. muus is ook reeds de naam van vleezige deelen van het lichaam of spieren. Evenzoo ohd. mûs v. “spier, speciaal die van den bovenarm” (nhd. maus “muis van de hand”), mnd. mûs v. “muis van de hand”, ags. on. mûs v. “spier van den arm”; vgl. uit andere talen lat. mûsculus “spier”, gr. mūs “spier”, mūṓn “plaats waar veel spieren bijeen liggen”, obg. myšĭca “brakhíōn”, arm. mukn “spier”. Ook woorden voor “muis” van andere afkomst beteekenen tegelijk “spier, vleezig deel”, bijv. fr. souris, ook “muis van de hand”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

muis. Adde: ofri. mûs v. ‘muis’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

muis 2 v. (van de hand), is hetz. w. als muis 1.; reeds zoo in de Oudg. talen; vergel. Lat. musculus (Fr. muscle), dat dimin. is van mus.

muis 1 v. (dier), Mnl. muus, Os. mûs + Ohd. mûs (Mhd. id., Nhd. maus), Ags. mús (Eng. mouse), On. mús (Zw. en De. mus) + Skr. mūs, Arm. mukn, Gr. mũs, Lat. mus, Osl. myšĭ: Idg. wrt. meṷs = stelen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

moes (zn.) muis; Vreugmiddelnederlands mus <1240>.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Muis snw. Segsw.: Klein muisies het groot ore. Ndl. Kleine potjes hebben ook ooren. – In dieselfde vorm as die Afrikaanse kom die spreekwyse reeds in die 17de eeu voor by De Brune (Harreb. II, 109). Van Rijn 56 beweer dat dit in bowestaande vorm ook nog in Suid-Holland gehoor word. Ook in Hgd. heet dit Mäuse haben auch Ohren. Eckart 354: Lütje Müse heft ôk Ôren. H(olstein)

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

muis ‘computermuis’ (bet. van Engels mouse)

H. ter Stege (2004), De betekenis van de Nederlandse (volks)namen van zoogdieren, reptielen en amfibieën, eigen uitgave Waalre

Muizen en Ratten ̶ Muridae
Van deze familie zijn in ons land een zevental soorten inheems. De vacht van muizen en ratten is vrij lang behaard, ze hebben een spitse kop en een lange, tot zeer lange staart. Muizen en ratten houden geen winterslaap.

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

muis. In de 16de en 17de eeuw komt de krachtterm gans muysen vier en drie voor. Maar ook gants duizend muizen. Men kon vloeken bij al het door God geschapene, en dus zeker ook bij de dieren die God schiep. De verbinding bij pots muizen, mauzen is een verbastering van de Duitse bastaardvloek pots tausend. Sommigen menen dat hier sprake is van een verbastering van God en duivel. Wat daar ook van zij: telwoorden komen wel vaker voor in vloeken. Men mag wellicht ook aannemen dat getallen in vloeken en verwensingen hyperbolisch gebruikt worden en daardoor de intensiteit van de emotie aangeven. Eenvoudiger nog is te veronderstellen, dat het telwoord aangeeft hoe vaak de vloek geldt. In de onherkenbaar gemaakte vloek en uitroep gans muisen en (o) gans muizen stuiten wij op een verdere verbastering van het Duitse pots tausend. Als men vergeten is dat tausend een verbastering is van duivel, en men het voor telwoord aanziet, kan dat telwoord heel goed door een ander telwoord vervangen worden. Zo is gans honderd te verklaren. Gans muizen werd ook wel verlengd tot gans muizennesten, o.a. in de Byencorf der H. Roomsche Kercke [1569] van Marnix van St. Aldegonde. Soms maken de muizen plaats voor andere dieren: vink, kieviet. In Maastricht komt de verwensing ga wat muis vangen! voor, die wij natuurlijk niet letterlijk moeten nemen. De emotionele betekenis is veeleer ‘ik ben zo woedend op je dat ik je niet meer wil zien, ik veracht je’. → bok, das, gans (1), haas, hond, kat, kieviet, koe, koekoek, konijn, kraai, slak, varken, vink, wolf.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Muis van den Idg. wt. mus = stelen. In bijna alle Idg. talen komt dit woordje voor: Ohd. mus, Hgd. Maus, Angels. mus, Eng. mouse, Oudnoorsch mus, Zweedsch en Deensch muus, Skr. mus, Gr. mus, Lat. mus, Oudslavisch mysji. – ’t Is volgens anderen ook mogelijk, dat mus = stelen gevormd is van den naam van dit diefachtige diertje.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

muis ‘knaagdier’ -> Negerhollands mischi, miśi, muśi ‘knaagdier’; Sranantongo moismoisi ‘knaagdier’; Sarnami mus ‘knaagdier’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

personal computer (pc) [huiscomputer] (1981). In 1981 brengt IT-bedrijf IBM de eerste personal computer op de markt: een kleine computer voor eigen gebruik. Tot die tijd worden computers, doorgaans grote en dure apparaten, bijna alleen door bedrijven gebruikt. De pc verovert vrij snel zowel de persoonlijke als de zakelijke markt en verandert de werkverdeling in de wereld grondig. Een groot aantal leenwoorden, vrijwel allemaal uit het Engels, zijn aan de pc te danken, zoals chip, deleten, formatteren, hacker, hardware, laptop, microprocessor, printer, resetten, server, software, systeemanalist, updaten, whizzkid. Een deel van de computerterminologie wordt na een tijdje vernederlandst, denk aan beeldscherm, dat monitor vervangen heeft, besturingssysteem voor operating system, harde schijf voor hard disk, muis voor mouse, tekstverwerker voor wordprocessor, toetsenbord voor keyboard en uitdraai voor print-out.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

muis* knaagdier 1240 [Bern.]

muis* deel van de hand 1477 [MNW]

muis* computer-randapparaat 1984 [HCC nieuwsbrief dec. 12, 27]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

muis, computer-randapparaat waarmee de gebruiker bepaalde objecten op het scherm kan aanwijzen. Door te ‘klikken’, d.w.z. een of meer van de druktoetsen van de muis kort in te drukken, kan de gebruiker vervolgens opdrachten geven aan de computer. Het dubbelklikken op een pictogram bijvoorbeeld, kan een bepaald programma doen opstarten. De werking van de muis is simpel gezegd als volgt: door het apparaat te verplaatsen op een gladde achtergrond gaat een rubberbal onder in de muis draaien. Tegen de bal aan zitten twee buisjes. Op elk daarvan bevindt zich een wieltje waarin gaten zitten. Een lichtstraal die door de gaten heen gaat, wordt door de muis vertaald (al naargelang de onderste of bovenste ontvanger als eerste licht opvangt) in boven/links of onder/rechts. De muis werd in 1963 uitgevonden door Douglas Engelbart in het Stanford Research Institute. De eerste was nog van hout! De ontwerper had eerst een aantal andere vormen van communicatie tussen computer en gebruiker uitgetest: trackballs*, lichtpennen en primitieve tablets. De muis klopte ze echter allemaal met een staartlengte. Het zou niettemin tot 1968 duren voor de muis in het openbaar werd getoond tijdens een computerconferentie. In 1970 kocht Xerox een licentie. Apple Computer maakte het ding pas goed populair bij de lancering van het succesvolle Macintosh-systeem. Het merendeel van de pc-muizen is intussen al jarenlang voorzien van drie knoppen. De rechtermuisknop kreeg pas belang met de introductie in 1995 van het ‘Windows ’95’-besturingssysteem. Het gebruik van de middelste knop wordt meestal overgelaten aan de fabrikanten van de muissoftware.

... een muisgestuurde Atari van 2300 gulden. (Haagse Post, 22/03/86)
Een leek die een uurtje achter de Apple Mac zit, kan door simpelweg met de muis over het bureau te schuiven en wat knoppen in te drukken, al heel wat elementaire commando’s uitvoeren. (De Volkskrant, 20/12/86)
Een man tekent met een ‘muis’ (het pientere pookje van de computergebruiker) een boom op het scherm van de computer. (Oor, 05/09/87)
Het geheim van de staartloze muis ligt voor de hand: afstandsbediening door infraroodstraling. (Kijk, maart 1988)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

206. De berg heeft een muis gebaard,

d.i. wat veel beloofde is op niets uitgeloopen, eene navolging van Horatius (ad Pison. 139): parturiunt montes, nascetur ridiculus mus (ontleend aan een fabel van Phaedrus, 4, 22), dat herinnert aan het Grieksch ωδινεν ορος, το δ ετεκε μυν. Zie Cats I, 522: Het baren van bergen komt uyt op een muys; De Brune, 229: 't Schijnt dat berghen zullen baeren, en daer zal een muys uyt-varen; Tuinman I, 88; 273; Harreb. I, 47 b; III, 124 a; Ndl. Wdb. II, 1865; Büchmann, 389. Vgl. fr. la montagne a enfanté une souris; hd. der Berg hat eine Maus geboren; eng. the mountain has brought forth a mouse; zie voor andere talen Wander I, 313.

884. Het hek is van den dam,

vroeger ook ‘het hekken is van den dam’, wil eig. zeggen, dat het hek, staande op den dam eener weide, weggenomen is; hierdoor kunnen de daarin opgesloten beesten er uit komen, zich vrij bewegen, doen wat zij willen; vandaar dat de uitdr. kan beteekenen: er is geen verhindering meer, geen op- of toezicht meer; men kan vrij zijn eigen zin volgen (Winschooten, 81In het Mnl. Wdb. wordt dam in deze uitdrukking te onrechte ver klaard als erf, werf, grondgebied.). Vgl. Campen, 128: 't Hecke is van den dam; Sart. II, 8, 2: Vader uyt, moeder uyt, het heck is vanden Dam; De Brune, 461: Moer uyt, vaer uyt, 't heck van den dam; de 17de-eeuwsche zegswijze: So ras 't hecken van den dam is lopender de verckens in 't kooren of daer 't hek op is, loopen de verckens in. Zoo ook in de Haarl. Mei-Bloempjes (anno 1649), bl. 27:

Kom Elsje hey komt in, ik moet wat met jou praten,
Het Heck is van den Dam, ick heb het huys alleen.

Zie ook nog Brederoo I, 68, vs. 1849; Huygens VI, 231; Korenbl. II, 438; Smetius, 6: tHecken is van den dam; Gew. Weuw. III, 48; Tuinman I, 119; Sewel, 326. In het Nederduitsch luidt de spreekwijze: Wenn 't Heck vôr de Damm weg is, so gahn de Schâpen äverall; is 't Heck van 'n Damm, de Schape gân darvan; syn. van wen de katte ût 't hûs is, dansen de musen ofer de disk; zie Eckart, 194; Dirksen II, 45; Wander II, 452; Taalgids IV, 245 en Ten Doornk. Koolm. II, 62 a. In het Friesch: as de hikke fen 'e daem is, rinne de skiep yn 't wyld. In Zuid-Nederland onbekend. Daar zegt men als de kat van huis is dansen de muizen op tafel (of zijn de muizen baas), waarmede kan worden vergeleken mnl. alse de catte es van huus dan riveleert de muus; mlat. insanire facit mures absentia cati (Werner, 42Zie voor varianten Harrebomée I, 384; Wander II, 1191-1193 en vgl. Ndl. Wdb. VII, 1790.); hd. Katz aus dem Haus rührt sich die Maus; fr. quand les chats sont sortis, les souris dansent sur la table; eng. when the cat is away the mice will play.

1465. Man en muis.

In de zegswijze ‘het schip is met man en muis vergaan’, d.w.z. met alles vergaan, alle manschappen zijn vergaan en er is geen muis (alliteratie!) aan ontkomen. Bij Sartorius II, 7, 1: Met kat en met muys, cum omnia funditus pereunt, hoc est, cum ne gluma quidem fit reliquum. In de 17de eeuw komt de uitdrukking o.a. voor in het Kluchtspel II, 197; zie ook Spaan, 77; Van Effen, Spect. IX, 164; Halma, 363; Tuinman I, 152: Het schip is gebleven met man en muis, dat wil zeggen, niets dat leven had, is van de schipbreuk ontkomen, van het meeste tot het minste; Sewel, 476: Het schip is met man en muis gebleven; Harreb. II, 59 b; N. Amsterdammer, 9 Jan. 1915, p. 10, k. 4: De kachel werd met man en muis door twee soldaten bij zijn plaatijzeren ledematen gevat en buiten in de tocht gezet; Ndl. Wdb. IX, 170. In West-Vlaanderen zegt men: Geheel het schip is vergaan met tuit en vlerke (De Bo, 1196 a). Ook in het fri. mei man en mûs forgean; fr. le vaisseau s'est perdu corps et biens; hd. mit Mann und Maus; nd. mit Mann un Mus; in het eng. kent men a man or a mouse in den zin van alles of niets.

1574. Zoo stil als een muis,

d.w.z. zeer stil, muisstil (17de eeuwNdl. Wdb. IX, 1212.). Reeds in de 4de eeuw na Chr. in het Latijn bij Vopiscus: Tanta in oriente quies fuit, ut, quemadmodum vulgo loquebantur, nullus mures rebelles audiret. Bij ons in de middeleeuwen bij Velth. V, 36, 44: so swijcht hi stilre dan een muus; evenzoo Ferg. 726; Drie Dage Here, 220; Mloep II, 1056; in de 16de eeuw Trou m. Blycken, 133: stille als een muys; Spaan, 115; Kluchtspel III, 63; in het fr. tranquille comme une souris; hd. mausestill, mäuschenstill; eng. as still as a mouse; as mum as mice; in het Westvlaamsch muizestil (De Bo, 719 a). Zie verder Joos, 30; Rutten, 219 b; Antw. Idiot. 838: zijn eigen stil houden gelijk 'n muis in 't meel; Spieghel, 47, vs. 23: luisstil; Rutten, 174 a: piet (luis?) stil; Boekenoogen, 804: pietstil, doodstil; Schuermans, 476: hij was zoo piet als een muisken naast zich piet houden, zich stil houden; zie ook Claes, 184; Ndl. Wdb. XII, 1584; Afrik. so stil soo's 'n muis (in 'n kalbas) wees; 17de eeuw: lammerstil.

1575. Dat (of het) is een muisje met een staartje,

d.w.z. eene zaak, die (meestal onaangename) gevolgen na zich sleept, evenals een kleine muis een vrij langen staart heeft, dien men, als het diertje ineengedoken zit, er niet achter zou vermoeden. Eene in de 17de eeuw o.a. bij Winschooten, 159 en 284 voorkomende uitdrukking in den zin van: ‘daar schuild wat meer, als men wel meend, of wel soude kunnen denken’, die ook staat opgeteekend bij Tuinman I, nal. 27 met de verklaring: ‘die zaak heeft een gevolg’; Sewel, 749: Het is een muis met een staartje, daar schuilt wat agter; Halma, 363: Dat muisje heeft een staertje, daar schuilt wat agter, il y a quelque chose de caché la-dessous; Harreb. II, 108; Ndl. Wdb. IX, 1208; Villiers, 83. Ook in Zuid-Nederland bekend, volgens Joos, 80: Dat muisken zal een steertje (of nen steert) hebben, die zaak zal gevolgen hebben, slecht eindigen; in Aken: dat Müsche hat e Stätzche krège (kriegt), die Sache hat wichtige Folgen gehabt (Wander III, 547Vgl. Reyn. II, 7516: Och heer, die ghene die des plien, hoe luttel is after ten stertwaert sien: dats na tende.).

1576. Muizennesten in het hoofd hebben,

d.w.z. over allerlei dingen, kleinigheden, mijmeren, peinzen; fri. mûzenêsten yn 'e holle ha; mûzenêsten siikje, uitvluchten zoeken, spijkers op laag water zoeken. Deze uitdr. is geen verbastering van ‘muizenissen in het hoofd hebben’, zooals is aangetoond in Noord en Zuid XIX, 62-65. Plantijn vermeldt: Muysenesten int hooft hebben, avoir des nids de sourris à la teste, songer creux, avoir la puce à l'aureille, exputare, in cerebro aliquid evolvere, excogitare, somniare vigilans; zie verder Servilius, 169: Hi heeft vele muysen in 't hooft; bij Sartorius II, 2, 77: Lusciniae nugis insidentis met de vertaling trepelaers die veel musenesten int hooft hebben; Mellema: Muysennesten in 't hooft hebben, songer, songer creux, avoir la puce à l'oreille; vgl. ook Kluchtspel I, 208; II, 70; Marnix, Byenc. 146 v; Poirters, Mask. 212; Coster, 43, vs. 1007; Pers, 539 a; Bank. II, 376: Hy (een koning) heeft zijn hooft altijd vol byen, of muyze-nesten, die altijds hommelen en ritzelen; Idinau, 135; Sewel, 501; Halma, 363; C. Wildsch. III, 271; V, 283; Noord en Zuid XXII, 307; Ndl. Wdb. IX, 1226; B.B. 355; Kmz. 285; Villiers, 84; enz. In het Duitsch kwam voor bij Sebastiaan Francken (1541) II, 40: er hat vil hummeln, mucken (ndl. muggen in 't hoofd hebben (17de eeuw), tauben, meusz, meusznester oder grillen im Kopf; Wander III, 550 citeert: he hett Müsenester im Koppe; 545: er hät Müs im Kopf; Eckart, 354: he hebt Müs in den Kopp; Schrader, 189: er hat Mäuse im Kopfe; nd. du hes wol'n sirs, du bist wohl verrückt (sirs = heimchenZeitschr. f.d. D. Altert. LIII, 133: Die genannten tiere sind erscheinungsformen von elben und dämonen; ihrer gestalt bedienen sich kobolde und hexen, deren üblem einfluss ein gut teil der krankheiten, namentlich gemütsstörungen, zugeschrieben wird - dass man an das vorhandensein derartiger schmarotzen im menschlichen leibe glaubte, dafür zeugen die beschwörungen, die man vornahm, bis schlieslich der ‘teufel’ in gestalt etwa einer mücke den körper verliess. Vgl. ook Leuv. Bijdr X, 245.). In het Fransch zegt men o.a. (zie Nyrop IV, § 397): avoir des trichines au plafond; avoir une écrevisse dans la tourte (ou dans le vol-au-vent); avoir des rats en tête (westvl. eene ratte in den kop hebben; De Bo, 914 b); avoir des papillons noirs en tête; avoir une araignée dans le plafond (17de eeuw: poppen (of wespen) in 't hoofd hebben; Tuinman II, 16: hij heeft zijn hoofd vol spinnewebben; Zuidnederl. een spinnekop in de hersens hebben naast geen spinnekopnetten in den bol hebben, verstandig zijn; Huygens I, 206: Al dit coppe-spin te verdryven uyt je sin; eng. to have cobwebs (or maggots, bugs, wheels, a bee) in one's brain); zie verder De Bo, 719; Waasch Idiot. 448 a; Antw. Idiot. 839; Schuermans, 397 b: hij zit met muizennesten in zijn hoofd, hij brengt allerlei uitvluchten tot zijne verschooning bijIn de Brieven van Abr. Bl. II, 215 lezen we: Te denken en te muizenesten, d.i. zich allerlei muizennesten in het hoofd te halen, te peinzen..

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

mūs ‘Maus’ auch ‘Muskel’, (älter *mŭs, musós aus *meus, musós)

Ai. mū́ṣ- m. ‘Maus, Ratte’, np. mūš ‘Maus’;
arm. mu-kn ‘Maus, Muskel’; gr. μῦς (μῠὸς, μῦν nach ὗς, ῾ῠὸς, ὗν) ‘Maus’, auch ‘Muskel’; alb. ‘Maus’, lat. mūs m. ‘Maus’ (mūrīnus : mhd. miusīn ‘von Mausen’); ahd. mhd. as. mnd. aisl. ags. mūs ‘Maus, Muskel’ (Kons.-St.); abg. myšь f. ‘Maus’.
Vielfach auf Körperteile angewendet: arm. mukn ‘Muskel’, gr. μῦς ‘Muskel’, μυών ‘muskelreiche Gegend des Leibes’ (woraus auch ‘wollüstiges Weib’ in gr. μυωνία), μύαξ, -ακος m. ‘Miesmuschel, Löffel’: lat. mūrex ‘Purpurschnecke’; lat. musculus ds., ‘Muskel’, ahd. usw. mūs ‘Muskel, bes. des Oberarms’, mnd. mūs bes. ‘der Fleischballen des Daumens’, nhd. Maus, Mäuschen, abg. myšьса ‘βραχίων’; andrerseits ai. muṣká- m. ‘Hode, weibliche Scham’, npers. mušk ‘Bibergeil’ (aus dem Pers. stammt gr. μόσχος, nhd. Moschus); gr. μύσχον ‘Geschlechtsorgan’;
wohl zu ai. muṣṇā́ti ‘stiehlt, raubt’ usw., s. unter meu-2 ‘fortschieben’.

WP. II 312 f., WH. II 132 f., Trautmann 191, Specht Idg. Dekl. 40 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal