Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

naakt - (bloot, onbedekt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

naakt bn. ‘bloot, onbedekt’
Onl. nakot ‘naakt’ in hungeroch ande nachot (met Hoogduitse -ch-) ‘hongerig en naakt’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. naket ‘ongekleed, kaal’ in op enen nakeden stuol ‘op een kale stoel’ [1236; CG I], nact [1240; Bern.], naect [1282; CG I].
Mnd. naket; ohd. nackot, nachot (nhd. nackt); ofri. naked (nfri. neaken); oe. nacod (ne. naked); got. naqaþs; alle ‘naakt’, < pgm. *nakwada-. On. nökkviðr ‘id.’ kan een verl.deelw. zijn van *nökkva ‘ontbloten’ < pgm. *nakw-jan-. Daarnaast met ander achtervoegsel pgm. *nakwena- ‘naakt’, waaruit: West-Vlaams naken; ofri. nāken; nijsl. nakinn (nzw. naken); ook deze woorden kunnen teruggaan op een werkwoordsafleiding.
Pgm. *nakwada- is verwant met: Latijn nūdus (Spaans nudo) < *nouodos < pie. *nogwodhos. Met andere achtervoegsels of zonder achtervoegsel bovendien verwant met: Grieks gumnós < *nogwnós (zie → gymnasium); Sanskrit nagná-; Avestisch magna-; Litouws núogas; Oudkerkslavisch nagŭ; Oudiers nocht; Armeens merk; Hittitisch nekumant-; alle ‘naakt’, bij de wortel pie. *negw- ‘naakt’ (IEW 769).
In de spreektaal wordt ook wel de variant nakend gebruikt; deze vorm is wrsch. ontstaan door contaminatie van naket met de de dialectvorm naken. Zo ook Duits nackend ‘naakt’.
Lit.: R.S.P. Beekes (1994), ‘“Right”, “left” and “naked” in Proto-Indo-European’, in: Orbis: bulletin international de documentation linguistique 37, 87-96

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

naakt* [bloot] {naect, naket 1236} oudhoogduits nackot, nackut, oudfries nakad, oudengels nacod, gotisch naqaþs; buiten het germ. latijn nudus, oudiers nocht, litouws nuogas.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

naakt bnw., mnl. nāket, naect, mnd. nāket, ohd. nahhut, nackut (nhd. nackt), ofri. nāked, oe. nacod (ne. naked), on. nøkkviðr, got. naqaþs. — lat. nudus (< *nogedhos) ‘naakt’, idg. grondvorm *nogod(h)o, *noged(h)o. Daarnaast stond een vorm *nogno- vgl. wvla. nāken, ofri. nāken, on. nakinn (waarin echter geen labiovelaar gestaan heeft), naast oi. nagná-, av. maγna-(met dissimilate n-n > m-n), gr. gumnós bij Hes. lumnós (dissimilaties uit *numnos), hitt. neku-manza ‘naakt’.

De vorm nakend, vgl. mnl. mnd. nakent, mhd. nackent, nhd. nackend zou men kunnen opvatten als een contaminatie van nāken en nāket, maar toch eerder te denken aan een n-infix. — Daar bij dit woord taboe-verschijnselen voor de hand liggen, kunnen de griekse vormen met g- en l- anlaut ook daaruit verklaard worden en dus niet alleen door dissimilatie.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

naakt bnw., mnl. nāket, naect. = ohd. nahhut, nackut (nhd. nackt), mnd. nāket, ofri. naked, ags. nacod (eng. naked), on. nøkkviðr got. naqaþs “naakt”. Uit idg. *nogedho-, *nogodho- (event. ook *nogedho-). = lat. nûdus “naakt”. Verwant zijn verder: on. nakinn, ofri. wvla. naken “naakt” (uit een dgl. vorm zijn ook mnl. nākent, nnl. nakend, mnd. nākent, mhd. nackent, nhd. nackend “id.” ontstaan), oi. nagná-, av. maγna- “id.” en ier. nocht, obg. nagŭ, lit. nu̇́gas “id.”. Moeilijk te beoordeelen zijn gr. lumnós (Hes.), gumnós “naakt”, kyprisch apolúgmatos; apogúmnōsis (Hes.), die niet van idg. *nog- mogen gescheiden worden. Men heeft voor de gr. en indo-iraansche vormen wel een idg. *nog-mo- aangenomen. Vermoedelijk bezat ’t Idg. een consonantstam * nog-, die op verschillende manieren verlengd is.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

naakt. Over gr. lumnós, gumnós vgl. WP. II, 339 met literatuur.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

naakt bijv., Mnl. naect en nakent + Ohd. nahhut (Mhd. nacket en nackent, Nhd. nackt en nackend), Ags. nacod (Eng. naked), Ofri. naked en naken, On. nøkkviđr en nakinn (Zw. naken, De. nøgen), Go. naqaþs + Skr. nagnas, Lat. nudus (d.i. *nogvedus), Oier. nocht, Osl. nagu, Lit. nůgas, misschien ook Gr. gumnós metath. van nugnós: Idg. wrt. noɡ. De vorm naken met of zonder parag. d, beantwoordt aan ’t Skr. w., de vorm naked- aan de Lat. en Kelt.; zonder afleidingssuffixen zijn Slav. en Lit.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

naaks (bn.) naakt; Aajdnederlands nakot <1151-1200>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

naks, naaks, neks, bn., bw.: naakt. Met bijwoordelijke gen.-s. Neks door umlaut vanwege een vroegere i in volgende lettergreep (Weijnen).

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

not, bn.: bloot (kaartspel). Door ass. kt > t uit nokt ‘naakt’;

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

naak b.nw.
1. (verhewe) Kaal, sonder klere. 2. Onbedek, sigbaar.
Uit Ndl. naakt (al Mnl.).
D. nackt, Eng. naked, Sweeds naken.

nakend b.nw.
Naak (naak 1).
Uit Ndl. spreektaal nakend (al Mnl.). Ndl. nakend is 'n ander formasie naas naakt, en kom veral in die gesproke taal voor (WNT). In Afr. was dit veral vroeër meer gangbaar as naak. Volgens Mansvelt (1884) was dit 'de eenig gangbare vorm', en is ook deur Kern (1890) opgeteken. Dit is ook die enigste vorm in Patriotwoordeboek (1902).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

nakend naakt (diverse dialecten). = mnl. nakent. Ofwel = mnl. naket (› nl. naakt), ofri. nāked, eng. naked, got. naqaths met n-epenthese, ofwel = contaminatie hiervan met wvla. naken, ofri. naken, ono. nakinn, oind. nagná. ~ lat. nudus (› fra. nu). Vgl. hit. neku-manza.
Hadderingh/Veenstra 189, NEW 461, eigen mat.

naks naakt (Limburg, Oost-Noord-Brabant). ‹ naakt met wschl. t.g.v. taboe singuliere s. Vgl. nakend ↑.
Schols/Linssen 307, Amkreutz e.a. 201, Hoppenbrouwers (1996) 240.

neks naakt (Venlo). ~ naks ↑ ‘id.’. De e is het gevolg van een i die in de volgende lettergreep gestaan kan hebben, blijkens ono. nøkkviðr ‘id.’.
Alsters e.a. 199.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

naak: – nakend – , “kaal”; Ndl. naakt/nakend, dial. naken (Mnl. nāket/naect/nakent), Hd. nackt/nackend, Eng. naked, hou verb. m. Eng. nude en hoërop m. Lat. nudus, “kaal”.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

waarheid (de naakte --) (vert. van Latijn nuda veritas)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

naakt ‘bloot’ -> Negerhollands nakket, naket, naakt, naekt ‘bloot’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

naakt* bloot 1236 [CG I1, 27]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1527. Moedernaakt,

d.w.z. geheel naakt, geheel ontkleed; mnl. moedernaect; moederbaren naect. Volgens sommigen, o.a. Kiliaen, zoo naakt als toen men uit zijn moeders lichaam kwam, zoo naakt als bij de geboorte (vgl. eng. as naked as born; J.B. Houwaert: Alsoo naeckt als sy van moeder lyve gheboren wasJ.B. Houwaert, Declaratie van die triumphante Incompst van den... Prince van Oraingnien etc. in Antwerpen, Plantijn 1579, p. 39.); dial. priemeke nakend (V.d. Water, 120; Kil. primelnaeckt). Vgl. ook Servilius, 217: Alsoo naeckt als hij van moeder lichaem gecomen is, ter vertaling van: nudus tamquam ex matre. Γυμνος ως εκ μητρος. Zie Suringar, Erasmus CLIII; Huydecoper, Proeve I, 453-465; Ndl. Wdb. IX, 938 en Halma, 355: moedernaakt, bijv. nw. heel naakt. In Zuid-Nederland zegt men: puidemoedernaakt, puitjemoedernaakt, puitjenaakt, paddemoedernaakt, eigenlijk zoo naakt of moedernaakt als eene puit (pad), en dus hetzelfde als paddebloot; zie Schuermans, 513 b; De Bo, 901 a i.v. puitemoedernaakt; Ndl. Wdb. XII, 129; Loquela, 69, waar vermeld wordt bloed-moedernaakt; in Antw. moeiernaaks. Waarschijnlijker komt het mij voor, dat dit bnw. gevormd is naar analogie van moederene (zie no. 1528; vgl. nhd. mutternackt (mhd. mutterbar, mutterblôz) naast mutterstill, dat op dezelfde wijze moet worden verklaard.Zie Taal- en Letterbode V, 240; Zeitschrift für Deutsche Wortforschung V, 246.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

nog-, nogod(h)o-, nog-no- ‘nackt’, oft tabuistisch entstellt

Anord. nøkkva ‘nackt machen’; dehnstufig lit. núogas, lett. dial. nuôgs, aksl. nagъ ‘nackt’;
mit Dentalformantien: lat. nūdus ‘nackt’ aus *noged(h)os oder *nogod(h)os = got. naqaþs (-d-), anord. nøkkuiðr (auch nǫktr), woneben aschwed. nakuþer, ags. nacod, ahd. nackut, nachut, nhd. nackt; air. nocht, cymr. usw. noeth ‘nackt’ (*nog-to-s);
mit Formans -no-: ai. nagná- ‘nackt’, av. maɣna- ds. (m- durch Dissimilation, die Vorstufe von westosset. bäɣnäɣ); arm. merk ‘nackt’; hieher auch gr. γυμνός, bei Hes. λυμνός (für *νυμνός) und ἀπολύγματος· ἀπογύμνωσις. Κύπριοι; aisl. nakinn, afries. naken ‘nackt’ (k statt nord. ku̯ weist auf Umgestaltung aus *nak()-na- nach den Partiz. auf -inn); hitt. neku-manza ‘nackt’.

WP. II 339 f., WH. II 185, Trautmann 201, Specht Idg. Dekl. 251.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal