Meehelpen? Ga naar etymologieWiki
|
nachtbraken - (de nacht doorwerken, de nacht met uitgaan doorbrengen)Etymologische (standaard)werken
M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdamnacht zn. ‘tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst’ P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpennachtbraken* [de nacht doorwerken, de nacht met uitgaan doorbrengen] {1599} van nacht + middelnederlands braken [in de nacht bezig zijn], vgl. waken ende braken [nachtbraken]. P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarnnachtbraken In vroeger tijd had het werkwoord nachtbraken geenszins een ongunstige betekenis. Men verstond er onder: de nacht wakende doorbrengen, in het bijzonder doelend op hen die ’s nachts studeren. Het tweede deel van de samenstelling staat tot het werkwoord breken als spraak staat tot spreken. Breken nu betekent: verbreken, bezig zijn, werken. Wij kennen die betekenis in woorden als: afbreken en: inbreken, alsmede in: radbraken en: vlas braken. Van later tijd is de betekenis: ’s nachts baldadigheid bedrijven, nachtelijke feesten vieren, dronken ronddolen. De overgang wordt verklaard uit een betekenis die braken óók heeft, namelijk: overgeven. J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leidennachtbraken ww., sedert ouder-nnl. Kiliaen vertaalt door lucubrare ‘in de nacht doorwerken’, waarnaast nachtbraecke, dus eig. ‘het breken van de nacht’. Het woord kan ook samengesteld zijn uit nacht + braken (FW 450 herinnert aan de uitdr. waken ende braken). N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haagnachtbraken ww., sedert het oudere Nnl. Bij Kil. met “lucubrare” vertaald. Of van Kil. nachtbraecke “lucubratio” (nacht + braak I) òf - waarschijnlijker - uit nacht en braken, ’t laatste met de oude bet. “des nachts bezig zijn” (vooral in waken ende braken). J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gentnachtbraken ono.w., zich door ’t lange waken de ledematen als ’t ware breken; z. braken. Dateringen of neologismen
N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdamnachtbraken* de nacht doorwerken, de nacht met uitgaan doorbrengen 1599 [Kil.] Overige werken
Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW. |