Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

naturisme - (het streven naar een natuurlijke lichaamscultuur, naaktrecreatie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

naturisme zn. ‘het streven naar een natuurlijke lichaamscultuur, naaktrecreatie’
Nnl. naturisme ‘stroming in de literatuur’ [1897; Groene Amsterdammer], “in de wijsbegeerte: de leer der natuur” [1953; Brandt/De Haan], “natuurverering, nudisme” [1959; Winkler Prins].
Ontleend aan Frans naturisme ‘stroming in de literatuur en kunst, waarin de goddelijke kracht van de natuur zelf centraal staat’ [1896; TLF], eerder al ‘filosofische leer volgens welke de natuur uit zichzelf is ontstaan (i.t.t. door bovennatuurlijke of goddelijke krachten)’ [1778; TLF], afleiding van nature ‘natuur’, zie → natuur. In deze laatstgenoemde betekenis ook reeds nnl. naturismus “het geloof aan de zelfvoortbrenging der natuur” [1847; Kramers].
Het naturisme werd aanvankelijk opgevat als variant van de veel invloedrijkere eind-19e-eeuwse stroming van het naturalisme, die de mens beschouwt als bepaald door milieu en erfelijkheid. In de jaren 1930 werd in de literatuur het nudisme ‘naaktloperij’ gekoppeld aan het naturisme; in de tweede helft van de 20e eeuw werd naaktloperij als belangrijkste kenmerk van het naturisme beschouwd, waarna beide termen in de praktijk min of meer synoniem werden.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal