Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nop - (knoop, propje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

nop zn. ‘rond uitsteeksel op een oppervlak’
Mnl. noppe ‘pluis van wol, wolpluimpje’, blijkens de afleiding noppen ‘van noppen ontdoen’ in So wat portre die nopt metter scare ‘iedere burger die noppen verwijdert met de schaar’ [1284; CG I], dan het zn. in wollen noppen, vlocken ‘wolpluizen, wolvlokken’ [1366; MNW wambeis]; vnnl. Een krom-tongh, die niet een nop heeft op sijn kleeren [ca. 1600; iWNT]; nnl. Ieder raakte in syne knopjes ‘iedereen raakte in zijn schik’ [1758; WNT knop II], Middelerwijl geraakt vader in zijne nopjes [1864; Gids], nop ‘rond knopvormig uitsteeksel’ in een [bijbel] met sloten, noppen en hoeken in koper [1880; Gids], ‘uitsteeksel onder schoenen’ [1974; Koenen], vandaar in samenstellingen als nopjesplaat ‘vloerplaat met noppen (tegen het uitglijden)’ [1961; Van Dale], noppenzool [1974; Koenen], noppentegel ‘id.’ [1984; Van Dale], noppenfolie ‘plastic isolatiemateriaal met luchtkussentjes’ [1992; Van Dale].
Etymologie onduidelijk. Mogelijk verwant met → knop.
Mnd. noppe; mhd. nop(pe) (nhd. Noppe); oe. wullhnoppa (maar me. nop (ne. nap) is misschien ontleend aan het mnl.); ozw./nzw. noppa (misschien ook ontleend), alle oorspr. ‘wolpluis’. Naast de afleiding noppen ‘van noppen ontdoen’ staan mogelijk oe. hnoppian en ablautend āhnēapan ‘afplukken’; mnd. noppen ‘noppen’; nzw. noppa ‘id.’; got. dishniupan ‘verscheuren’.
De oorspr. betekenis van nop is ‘wolpluis, wolpluimpje’. Enerzijds waren noppen als oneffenheid ongewenst op laken en andere fijne weefsels; de verwijderde noppen werden bijv. gebruikt als vulling voor matrassen. Anderzijds werden noppen op weer andere weefsels door een bepaalde weeftechniek juist speciaal aangebracht. In die toepassing waren nopjes dus een teken van de nieuwheid of de kwaliteit van kleding. Hieruit ontstond de uitdrukking goed in de noppen (of nopjes) zijn ‘goed gekleed zijn’ en bij verdere betekenisoverdracht in zijn nopjes zijn ‘verheugd zijn, goed gehumeurd zijn’.
Ook de nevenvorm knop kwam voor, zoals in de attestatie uit 1758. Onder invloed van knop ontstond in de 19e eeuw een nieuwe betekenis ‘rond uitsteeksel op een oppervlak’, zoals op de onderkant van voetbalschoenen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nop2* [knoop, propje] {nop(pe) [wolvlok, oneffenheid in weefsel, knoop] 1252} middelnederduits, middelhoogduits noppe, oudhoogduits aua nuppan [afplukken], ablautend oudengels ahneopan [idem], gotisch dishniupan [scheuren].

nopjes* in de uitdrukking in zijn nopjes zijn [in zijn schik zijn] {1717} oorspr. ‘gekleed zijn in kleding met nopjes’, dus ‘feestelijk gekleed’ (vgl. nop2).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nopjes znw. mv., in de uitdr. in zijn nopjes, d.w.z. ‘in kleren met noppen’. Opmerkelijk is weer de 17de eeuwse vorm knopjes.

nop znw. v., mnl. noppe v. ‘wolvlok, nop’, mnd. noppe, mhd. noppe, vgl. ook on. hnypri ‘klomp, knoop’ en abl. hnup-gnipa ‘overhangende bergtop’, vgl. lit. kniúboti ‘gebogen zijn’, kniùbti ‘zich bukken’. Dan teruggaand op idg. *kneub, afl. van de wt. *ken ‘samendrukken’ (zie: nek). — > fra. nope ‘nop in linnen’ (sedert de i6de eeuw, vgl. Valkhoff 196); > ne. nap (± 1440 noppe Bense 241).

Wij stellen hier weer dezelfde anlautswisseling germ. hn- en kn- vast (nop naast knop) zoals bij nol en knol; er is zelfs ook een vorm met gn- vgl. on. gnūpr ‘overhangende bergtop’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nop znw., mnl. noppe v. “wolvlok, nop”. = mhd. (nhd.), mnd. noppe v.; ags. hnoppa m. “id.”. Hierbij ’t ww. mnl., mhd., mnd. noppen “noppen, uitpluizen” (nnl. noppen), ohd. aua nuppan “decerpere”, noorw. dial. nuppa “plukken, pluizen”. Met ablaut ags. â-hnêapan “afplukken”, ozw. niupa “knijpen”, got. dis-hniupan “verscheuren” (waarbij dis-hṇupnan intr. “scheuren”). Directe combinatie met lit. knubu “ik ben in gebukte houding” (zie nok) is zeer onzeker, èn om de bet. èn omdat germ. χnup(p)- tot ’t synonieme χnapp- (zie de bij knap geciteerde vormen, en vgl. vooral noorw. napp o. “wolvlok, nop”, eng. nap “id.”) zeker in eenige betrekking staat, al is ’t niet klaar, in welke. — nop(je) in in zijn nopjes (in de 17. eeuw ook knopjes) is hetzelfde woord: nopjes is oorspr. = “kleeren met noppen”: vgl. bij Westerbaen: hoe braef ich in de noppen, hoe ’k in de plunje ben.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

nop. Ags. hnoppa is niet voldoende gewaarborgd, wel een ww. hnoppian ‘vellere’. Eng. nap (meng. noppe) wellicht uit het Mnl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nop v., Mnl. noppe + Ags. hnoppa, verder Eng. nap, No. napp; hierbij Ags. á-hnéopan = afplukken, Go. dishniupan = verscheuren: niet verder na te gaan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

nop, zn.: rond koekje. Verschoven betekenis van nop ‘knoop, propje’;

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nop s.nw.
Pluisie op wolstof of op 'n tapyt.
Uit Ndl. nop (Mnl. noppe). Veral bekend in die uitdr. in sy noppies 'baie tevrede, gelukkig', lett. 'in klere met noppe', d.w.s. 'in klere wat nie blink geslyt is nie'.
D. Noppe.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Nop is eig. een pluis, een wolvlokje, van den Germ. wt. hneup = rukken, plukken, uitpluizen. „In zijn nopjes zijn”, wil zeggen: in zijn nieuwe kleeren gekleed zijn (de nopjes hangen er nog aan), in zijn feestkleeren, dus in een aangename stemming.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nop ‘knoop, propje’ -> Engels nap ‘korte fijne haartjes op weefsel, vleug; wolvlok; donzig oppervlak’; Schots † nop, nap ‘wollen vlok’; Zweeds † nopkin ‘stof met noppen’; Frans nope, noppe ‘kleine wolvlok die op net gemaakte lakens zit’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nop* knoop, propje 1252 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1650. Hij is in zijn nopjes (of knopjes),

d.w.z. hij is in zijn schik; eig. in die kleeren, waar noppen of knoppenZie no 1144 en het Ndl. Wdb. V, 172, waar over deze afwisseling van kn- en n- bij dezelfde of bij verwante woorden gesproken wordt; voor de ontwikkeling der beteekenis vgl. het 17de-eeewsche met iets verkuischt zijn, eig. met iets ‘versierd’, en vandaar met iets ‘in zijn schik’ zijn, en gecoiffeerd zijn met iets (fr. être coiffé de qqch), gekapt zijn met iets, er zich door gestreeld gevoelen (Ndl. Wdb. VII, 1538)., pluisjes op zitten (vgl. nopjesgoed, nopjeslaken en Heemsk. Arcadia, 21: De onderrok was van witte nopjes); dus in zijne mooie kleeren, in feestgewaad, en vandaar bij overdracht: hij is verheugd; vgl. no. 281 en 656. De eigenlijke beteekenis blijkt nog duidelijk bij Westerbaen II, 249:

 Maer sie wat schoonder verw dat op mijn koonen leyt.
 Hoe net dat ick gekleedt, hoe braef ick in de noppen,
 Hoe 'k in de plunje ben.

In denzelfden tijd komt de uitdr. ook reeds overdrachtelijk voor; o.a. in de Gew. Weeuw. II, 11: 't Is me lief, dat ik u zo in je knopjes vind. In de 18de eeuw komt goed of slecht in de noppen zijn nog meermalen voor in den zin van goed of slecht gekleed zijn; ook in dien van welgesteld of arm zijn; zie Van Effen, Spect. IV, 50; VI, 29; 55; Sewel, 526: Hy was wel in de noppen (or wel in den dos), he was very well clothed; Halma, 405: Il est en ses gogues, hij is in zijne vrolijkheid, of in zijne knopjes; W. Leevend VI, 30: Oom (kwam) van de werf, magtig in zyn knopjes, om dat het schip zoo glad als een veer was afgeloopen; Nw. Sckool V, 342: Wat ben ik in m'n nopjes, dat ze aan de Redactie van ons tijdschrift zoo goed het beulswerk verstaan; Ndl. Wdb. IX, 2154. Ook in Transvaal zegt men nog: hy is in syn knoppies (Onze Volkstaal III, 139). Synoniem was in de 18de eeuw: hy is wel in zyn lobbe (halskraag); Tuinman I, 304; Jord. 394), waarvoor men nog te Kadzand zegt: hij is wel in zijn lobbetjes (zie Nav. XI, 35); verder: in zijn goud gaan (zie het Ndl. Wdb. V, 465); in het Zaansch: hij is in zijn goed garen (of garing), hij is in zijn nopjes, in zijn element; in zijn gluur zijn, in zijn schik, blijde zijn (Boekenoogen, 228 en 1312); in Twente: in pöts wèzen, in zijn nopjes zijn; in het fri.: hy is in syn nopkes, wakker yn 'e bladeren, alhiel splinterny.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ken-2, kenǝ-, keni-, kenu-; ‘kratzen, schaben, reiben’, vielfach mit kons. Erweiterungen, kenis : konis ‘Asche’.

I. Leichte Basis: Gr. κόνις, -ιος f. ‘Staub, Asche’ (-is-St, vgl. κονίσσαλος ‘Staubwolke’, κεκόνισ-ται Theokr., κονί̄ω ‘bestäube’ aus *κονισ-ι̯ω, hom. κονίη ‘Staub, Sand, Asche’ aus κονισᾱ); ἀκονῑτί ‘unbesiegbar’ (Jüthner Gl. 29, 76);
ablaut. mit lat. cinis, -eris f. m. ‘Asche’ (aus *cenis), Dimin. cinis-culus (κόνις, cinis sind wohl ursprüngl. ein neutr. is-St. gewesen, und haben erst einzelsprachlich wegen des Nom. auf -is Geschlechtswechsel erlitten).
II. Schwere Basis kenǝ-, knē-: att. κνῆν, 3. Sg. Präs. κνῃ̃, später κνή-θω ‘schabe, kratze; jucke’, κνηθμός, κνησμός, κνησμόνη ‘das Jucken’, κνῆσις ‘das Reiben, Kratzen; Jucken’, κνῆσμα ‘Abschabsel’, κνηστήρ ‘Schabmesser’, κνῆστις ‘Schabeisen’ und ‘Rückgrat’ und ‘Brennessel’; att. Κονίσαλος ‘Dämon des Geschlechtstriebes’ (auf ein ar. *knāth- gleicher Geltung will Güntert KZ. 45, 200 av. xnaąθaitī ‘Name einer Pairika’ zurückführen).
Ahd. nuoen, mhd. nüejen ‘durch Schaben glätten, genau zusammenfügen’, ahd. hnuo, nuoa ‘Fuge, Nut’, as. hnōa ‘Fuge, Nut, schmale Ritze’, mhd. nuot ‘Zusammenfügung zweier Bretter, Fuge’, nhd. Nut, Nute.
Mir. cnáïm ‘verzehre, nage’; ēcna ‘Verzehren’ (Stokes KZ. 41, 385) ist ganz fraglich;
mir. cnāim m. ‘Knochen’ (*knō-mi-s ‘Benagtes’), cymr. cnaw, Pl. cnofein.
1. d-Erweiterung kenēd-, kenǝ-d-:
gr. κνώδων, -οντος Pl. ‘die den Schwertgriff gegen die Klinge abgrenzenden Zähne oder Haken’, Sg. ‘Schwert’, κνώδαξ, -ᾱκος m. ‘Achsenzapfen’ (‘*Zahn’), κνώδαλον ‘(bissiges =) wildes, gefährliches Tier’ (seit Hom.), schwachstufig κναδάλλεται· κνήθεται Hes., mit e der ersten Silbe (wie κίναιδος, κινώπετον, s. unten) κίναδος sizil. ‘Fuchs’, att. als Schimpfwort, bei Hes., θηρίον, ὄφις’;
lit. kándu, ką́sti (*konǝd-) ‘beißen’, kándis ‘Milbe’, kañdis ‘Bissen’ (sekundärer Schleifton) ką́snis ‘Bissen’, lett. kuôžu, kuôdu, kuôst ‘beißen, scharf sein, scheiden’ (nach Persson Beitr. 808 auch kńadas ‘Nachbleibsel beim Getreidereinigen; Reizen, Necken, mit sekundärer Mouillierung);
ksl. kusъ ‘frustum’, serb. kus ‘Bissen, Stück’, ksl. kusaju, kusati, serb. kȗsām, kúsati (usw.) ‘beißen’ (schleiftonig wie von leichter Wurzelf.); abg. čęstь ‘Teil’ (*kn̥d-ti-); ohne s-Erw. poln. kądek ‘Bissen, Stück, Brocken’.
2. Labialerweiterungen:
kenē-p-: gr. κνώψ, -πός ‘bissiges Tier’, κνωπεύς· ἄρκτος Hes.; κῐνώπετον (*kenōp-) ‘Tier, bes. Schlangen und anderes giftiges Gewürm’.
kenē-bh-, kenǝ-bh-:
gr. κνήφη ‘Krätze, Räude’, mit anlaut. s- σκνήφη Hes. ‘Brennessel’; κνάπτω (γνάπτω) ‘kratze, kratze auf, walke; zerreiße, zerfleische’, κνάφος ‘Weberkarde, womit der Walker das Tuch aufkratzt; Marterwerkzeug’, κναφεύς ‘Walker, Tuchscherer’, κνάφαλον (κνέφαλλον Eur., γνόφαλλον Alkaios) ‘abgekratzte Wollflocken; Kissen’ (die Auffassung von κναφ- als Kreuzung von κνεφ- und καφ- = κn̥φ- ist unwahrscheinlich, s. Persson Beitr. 139);
gall. GN Cnabetius (: run. Gen. Hnab[ī]das), air. cnai ‘vellus’ (aus dem Cymr.), cymr. cnaif ‘Fließ’, cneifio ‘tondere’, ncorn. (?) kneu, bret. kreoñ, Vannes kaneo ‘Fließ’; anders J. Loth RC 43, 408 f.;
run. Gen. Hnab(i)das (idg. *knǝbhetós ‘verstümmelt’), aisl. hnafa, Prät. hnōf ‘schneiden’, hnefi m. ‘Faust, Schwert’, mhd. neve ‘Faust’, PN ags. Hnæf, ahd. Hnabi; geminiert aschwed. nappa ‘kneifen, zerpflücken’ und die j-Verba aisl. hneppa ‘kneifen, klemmen, drücken’, ags. (einmal) hnæppan ‘schlagen, gegen etwas stoßen’;
fern bleiben jedoch ags. hnappian ‘schlummern’, ahd. hnaffezen ds., nhd. dial. na(p)fezen ds. (Wissmann Nom. postverb. 183);
lit. kniebiù, kniẽbti ‘leise kneifen’; lett. knā̀b-ju, -u, -t ‘picken, zupfen’, Iter. knābāt; lit. knab-ù, -ė́ti ‘schälen (Kartoffeln u. dgl.)’, knabùs ‘langfingerig, diebisch, geschickt’, knabénti, knebénti ‘(auf)picken’, knimbù, -aũ, knìbti ‘zupfen, klauben’, lett. knibêt, knibinât Iter. ‘klauben’ (-ni- kann Tiefstufe zu -nĕ- sein); ob die folgenden Worte erst aus knib- gefolgerten Ablaut nach der i-Reihe haben oder z. T. alte Reste der i-Variante kenei-bh- sind, ist nicht sicher; lit. knỹburiuoti ‘mit irgendeiner Hand- oder Fingerarbeit beschäftigt sein’, lett. kniêb-ju, -u, -t ‘zwicken’, Iter. knaibît.
3. s-Erweiterung kene-s-, k(e)nē-s-:
ai. redupl. ki-knasa- m. ‘Teile des zerriebenen Korns, Schrot, Grieß’;
gr. κνέωρος, -ον ‘Nesselart’ (wohl aus *κνη[σ]ορος);
got. hnasqus ‘weich, fein’ (von Kleidern; ursprüngl. entweder ‘durch Reiben oder Knistern weich gemacht’ oder ‘weich wie gekratzte Wolle’), ags. hnesce ‘zart, weich, schwach’, ahd. [h]nascōn ‘naschen (*abknipsen), Leckerbissen genießen’; lett. knùosti, knuost ‘mit dem Schnabel im Gefieder rupfen’. Vgl. von der i-Basis kenei-s-: lit. knisù usw., s. unten.
III. i-Basis keni-, kenǝ-i:
1. Grundlage des -w-St. gr. κόνις, lat. cinis, s. oben; gr. ἀπο-, ἐκ-, δια-κναίω ‘zerschabe, zerreibe, reibe auf u. dgl.’ (scheint *knǝi̯-ṓ mit nach ἔκναι-σα, κναί-σω bewahrtem i); dazu gr. κίναιδος ‘unzüchtig’, eigentlich ‘pruriens’, erwachsen aus einem Adv. auf -δόν wie βάδος ‘Marsch’ aus βαδόν Adv.
2. Dentalerweiterungen:
k(e)nē̆i-d-:
gr. κνίζω (Fut. κνί̆δω) ‘schabe, kratze, reiae’ (*κνιδι̯ω), κνισμός ‘Jucken, Sinnenkitzel’, κνίσμα ‘das Abgeschabte, Abgekniffene, Stückchen, Brocken’; κνί̄δη ‘Brennessel’;
mir. cned ‘Wunde’ (*knidā), dazu ir. cymr. cnes ‘Haut’ (*knid-tā);
aisl. hnīta (hneit) ‘an etwas anstoßen’, hneita (*hnaitjan) ‘stoßen, beleidigen’, hnita, -aða ‘nieten’, ags. hnītan ‘stoßen, sticken’, hnitol (mnd. netel) ‘stößig, cornipetus’, gehnǣst n. ‘Zusammenstoß, Kampf’, as. of-hnītan ‘wegreißen’;
lett. kniẽdêt ‘nieten’ (wie aisl. hnita); lett. knidêt ‘jucken, kriechen, sich bewegen’; daneben von einer Wurzelf. auf t: lett. knìest, 3. Präs. knìeš Prät. knìete ‘jucken’, kniẽtêt ds.
Unter der Vorstellung des kratzenden, stechenden Geruches sind anreihbar: hom. κνί̄ση ‘Opferduft, Fettdampf, Qualm’ (*κνῑδ-σ-ᾱ, vgl. lat. lixa : liquor, lit. tamsà : ai. tamas-; in die ă-Dekl. übergeführt att. κνῖσᾰ);
lat. nīdor (*cnīdōs) m. ‘Bratenduft, Brodem, Dampf, Qualm’;
aisl. hniss n. ‘Geruch, ekelhafter Geschmack beim Essen’ (: hnīta; vgl. got. stigqan ‘stoßen’: ags. ahd. stincan ‘stinken’).
3. Labialerweiterungen:
gr. κνί̄ψ, Akk. Pl. κνῖπας ‘eine Ameisenart, die Honig oder Feigen annagt; unter der Rinde lebendes Insekt’, mit anlaut. s- σκνί̄ψ ‘kleiner Holzwurm’, κνῑπός, σκνῑπός ‘knauserig’, σκνί̄πτω, σκενί̄πτω, οκηνί̄πτω ‘kneife’; κνίφεα· κνίδας Hes., κνίφων (s. dazu auch *gen-, gneibh- ‘zusammendrücken’);
mndl. nipen st. und schw. V. (ndl. nijpen) ‘kneifen, drücken, anrühren, greifen’, mengl. nīpin ‘drücken’ (germ. -p[p]-, vgl.:) aisl. hnippa ‘stoßen, stecken’, hnippask ‘zanken’, mengl. nippen ‘kneifen, klemmen’, engl. nip, nd. ndl. nippen ‘nippen’, nhd. bair. nipfen, nipfeln ‘nippen’; nd. nibbelen ‘abbeißen’; vielleicht lit. knimbù u. dgl. (s. o. unter kenē-bh-), wenn mit altem i-Vokalismus.
4. s-Erweiterung: lit. knisù, knìsti ‘wühlen, graben’, lett. knisis, knislis ‘kleine Mücke’.
IV. u-Basis kenu-, kneu-:
1. Gr. κνό(ϝ)ος, κνοῦς ‘das knarrende Reiben des Rades in der Radachse; Larm der Füße beim Marschieren’, κνύ̄ω ‘kratze leicht’, κνῦμα ‘das Kratzen, leichte Anpochen’, κνύος n. ‘Krätze’, κνύ· ἐλάχιστον Hes.;
aisl. hnøggva, hnǫgg (und schwach hnyggja) ‘stoßen’ (ursprüngl. ‘reiben, kratzen’) = ahd. hniuwan, mhd. niuwen ‘zerstoßen, zerquetschen’ (ags. hnygelan, Plur. ‘Abschnitzel’ aus *hnuvilan-?); ferner mit der Bed. ‘karg’ (vgl. schäbig : schaben) aisl. hnøggr ‘knapp, karg, sparsam’, ags. hnēaw ‘karg, knauserig’, mnd. nouwe ‘eng, schmal, knapp, gering, genau’, mhd. nou, nouwe ‘eng, genau, sorgfältig’, nhd. genau;
lett. knūdu und knūstu, Inf. knūt und knūst, Prät. knūdu ‘jucken’ (d(h)- und st-Präs., vgl. mit wurzelhaft behandeltem -d- auch knudêt ds.); poln. knować ‘zerstückeln, ästeln’, knowie ‘Strohsplitter’? (s. auch Brückner KZ. 45, 313 wegen slav. *kъnъ ‘Stamm’, *kъńiga ‘Buch’, worüber anders Berneker 663, 664).
2. Dentalerweiterungen:
Mit d: gr. κνῦζα, κνῦσα ‘Krätze’, κνυζοῦμαι ‘kratze mich’; über κόνυζα s. unten; ags. hnot ‘abgeschabt, kahl, kurzgeschoren’.
Mit dh: gr. κνύθος· ἄκανθα μικρά Hes., κνυθόν· σμικρόν Hes.;
aisl. hnjōða, hnauð ‘stoßen, schlagen, nieten’, ahd. pi-hnēotan ‘befestigen’, mhd. niet m. f. ‘breit geschlagener Nagel, Niet’, nieten ‘nieten’; aisl. hnyðia ‘Werkzeug zum Schlagen oder Klopfen’;
norw. dial. nuddast ‘abgestumpft werden’ (mit s- schwed. mdartl. snudda ‘sanft berühren’, Falk-Torp u. nudd); ahd. hnotōn ‘schütteln’, mhd. notten ‘sich hin und her bewegen’, mengl. nodden, engl. nod ‘nicken’; aisl. hnoss f. ‘Kleinоd’ (‘gehämmert’), ags. hnossian ‘klopfen’. Über lett. knudêt usw. s. oben 1.
Mit t: vermutlich got. hnuþō, hnutō ‘σκόλοψ’, aisl. hnūðr ‘Stange, Pfahl’, lett. knute, knutele ‘dünne Stange’ (oder Lw. aus nhd. Knüttel?).
3. g-Erweiterungen: gr. κόνυζα, σκόνυζα, κνῦζα ‘starkriechende Pflanze, Erigeron viscosumL.’ (wenn -ζ- aus -γι̯- ; auch -δι̯- ist gleich möglich; zur Geruchsbed. vgl. oben κνῖσα, nīdor); aisl. hnykr (*hnuki-) ‘Gestank’ (daneben fnykr, snykr, knykr, nykr ds., wobl späte Anlautswechselformen).
4. Labialerweiterungen:
Mit idg. b: got. dis-hniupan ‘zerreißen’, dishnupnan ‘zerrissen werden’, aschwed. niupa ‘kneifen’, ags. ā-hnēopan ‘abpflücken’; mit intensiver Kons.-Doppelung norw. mdartl. nuppa ‘pflücken, rupfen’, ags. hnoppian ‘pflücken’, dän. mnd. noppe ‘Wollflocke, Zotte, Hechelhede’;
mit idg. bh: aisl. hnȳfill ‘kurzes, abgestumpftes Horn, Lamm mit solchen Hörnern’, ndd. nobbe, nubbe ‘Wollflocke’, mhd. noppe, nоp ‘Tuchflocke’ (eher Lw. aus mnd. noppe).
5. s-Erweiterung: lett. knaũsis ‘kleine Mücke’ (wie knisis, k̨nislis von der i-Basis).

WP. I 392 ff., WH. I 217 f., II 166 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal