Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

olewesjolem - (wijlen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

olewesjolem [wijlen] {na 1950} < jiddisch olewesjolem [idem] < hebreeuws ʽālāw ha-šālōm [op hem zij vrede].

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

olewesjolem, elemesjolem, olef e scholem, olef hascholem, olef-e-sjolem, olef-hasjolem, olef-hasjolim, olem mesjolem, olemsjolem, olemsjolem, olev hesjolem, oleve-schonoe, olewecholem, olewescholem, oleweschonoe, olewesjolum, olewesolem, ollewesjolem, oversjoolom: hij ruste in vrede, zaliger (nagedachtenis), wijlen (na het noemen van een overledene); ook wel voor vr. (beter: olehasjolem) en mv. en voor de overledene(n) zelf| < Jidd. < Hebr. (ng)olov ha-sjoloum (alav ha-sjaloom): op hem zij vrede. ■ In olewesjolems tijden: lang geleden.
Als olewesjolem omein zegt, geloof ik het: ik geloof er niks van.

— Vroeger hê-je gehad lol, hebbe ze gezonge alle avende en an e Vrijderavend dubbelt. Ik zie me nog zo zitte op me veurkamer mit me vrou-zaleger, olewecholem mit al me lich op! (IS. QUERIDO, 1901)
— “Ach waas! Ach waas! Pappe met roggebrood is beter as honderd frotte schtinkende drankies. Toene wij uit Rusland zijne gejaagd - ‘k herinner ’t me nog goed - en d’r gebeurde ons watte - ’n zweer of ’n puist - dan papte me moeder, oleweschonoe, met fijn-gekauwd roggebrood - ’n middel om over te zoene...” (HERMAN HEIJERMANS, 1904)
— “Loa maar goan,” angstte Clare, “Fader is al hoaste olewesjolem!” Joop, zich buigend over ’t bed, zag de laatste zuchten van ’t leven en zei, hijgend van bedarende opwinding: “Vecht maar niet, jonges... zeg maar gauw Scheimes, anders is ’t te làte!” (SAM. GOUDSMIT, 1907)
— Zag men ‘m telkens tellen uit en in ’n oud goud-doosje van Dientje oleehe-hasjolem. Z’n handelscenten. (M. DE HOND, 1926)

J. Meijer (1984), Tolk van 't olle volk: Joods supplement op het Nieuw Groninger woordenboek van K. ter Laan, Scheemda

olewesjolem Hebr. ALAW HASJALOM = op hem ruste vrede. SJALOM in het verlengstuk van de zegening die men een gestorvene meegeeft: Ga in vrede. Te vergelijken met ons: “zaliger”. De mannelijke uitgang ALAW zonder grammaticale reserve toegepast op vrouwen. Merkwaardige uitdrukking: OLEWESJOLEMS TIEDN = de dagen van olim. Dat is veurbie: olewesjolems tiedn!

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

olewesjolem wijlen; eigenl. mann. enk., maar in de volksmond ook voor vrouw. en meerv. gebruikt; hebr. ’alow ha-sjalom, op hem zij vrede; wordt evenals zaliger achter de naam geplaatst; maar: in olewesjolems tijden = in oude tijden.

H. Beem (1974), Uit Mokum en de mediene: Joodse woorden in Nederlandse omgeving, Assen

olewesjolem < jidd. = wijlen; letterl. op hem zij vrede.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal