Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pet - (hoofddeksel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

pet zn. ‘hoofddeksel’
Nnl. pet ‘hoofddeksel’ [1806; WNT].
Herkomst onzeker. Een variant van → put omdat het hoofddeksel er als het deksel van een put uit zou zien (WNT), is onwaarschijnlijk. Veeleer een verkorting van Frans toupet ‘kuif’, dat als toppet ‘hoofdtooi’ [1615; WNT], later als → toupet ‘pruikje, haarstukje’ in het Nederlands werd overgenomen.
Oorspr. was een pet een soort ronde muts met een klep van voren om het gezicht tegen de regen te beschermen. De pet kwam omstreeks 1805 in zwang, omdat de hoge hoeden van die tijd soms lastig waren. Petten werden dan ook vooral bij de jacht en op reis gedragen. Later werd het vooral een dracht van de gewone man in het dagelijks leven, zoals blijkt uit de uitdrukking Jan met de pet ‘de gewone man’ [1961; Van Dale].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pet2 [hoofddeksel] {1806} etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pet znw. v., eerst in het begin der 19de eeuw opgekomen woord, waarvan de herkomst in het duister ligt. De gegeven verklaringen voldoen niet: 1. hetzelfde als pet, dial. vorm van put, omdat het hoofddeksel er als een putje uit zou zien (WNT 12, 1, 1396); 2. verkorting van fra. toupet ‘kuif’ (J.W. Muller).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pet znw., nog niet bij Kil. = fri. oostfri. pet “pet”. Oorsprong onbekend. Vgl. ndd. petzel, hd. (hess. frank., ook pruis.) betzel, (thur. elz.) betze, reeds mhd. bezel v. “muts (vooral van vrouwen)”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pet, sedert begin 19e eeuw. Oorsprong onbekend. Of er verband bestaat met de genoemde ndd. hd. woorden, is twijfelachtig. Ook de gissing dat het hetzelfde woord zou zijn als pet, ontronde vorm naast put, is weinig wsch.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pet v., Vla. pette + Ndd. pet, Mhd. bezel (Nhd. betzel): oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

patsj (zn.) pet, muts; < Duits Kaputze.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pet s.nw.
Hoofbedekking deur mans en seuns gedra.
Uit Ndl. pet (1806).
Oor die herkoms van Ndl. pet word veel gegis, maar 'n definitiewe etimologie ontbreek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pet ‘hoofddeksel’ -> Fries pet ‘hoofddeksel’; Duits dialect Pet, Pät, Pätte ‘hoofddeksel’; Indonesisch pét ‘hoofddeksel met klep’; Ambons-Maleis pet ‘hoofddeksel’; Jakartaans-Maleis pèt ‘hoofddeksel’; Javaans pèt ‘uniformpet’; Surinaams-Javaans pèt ‘hoofddeksel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pet waardeloos 1961 [GVD] <?

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1583. De muts staat hem verkeerd,

d.w.z. hij is slecht gehumeurd, verdrietig, slecht gemutst (zie no. 656); dial. de kop staat hem verkeerd of kroes; de pet staat hem de eene week wel eens anders dan de andere (hij is ongelijk van humeurNdl. Wdb. XII, 1397.); fri. de mûtze stiet him forkaerd; hd. seine Mütze schief aufhaben. De wijze waarop iemand zijne muts draagt, placht als kenteeken van zijne stemming te gelden; staat ze ‘op drie haartjes’Zie R. Visscher, Brabbeling, 30., op ‘half zeven’ of op ‘half elf’ (Harreb. III, 478), dan is hij vroolijk; heeft hij ze onverschillig, scheef opgezet, quand il a mis son bonnet de travers, zooals de Franschen zeggen, dan maakte men daaruit op, dat hij slecht geluimd was (Taal- en Letterbode V, 295). Vgl. het mnl. haer caproen stont al int noort (= scheef, verkeerdTijdschrift XIX, 149.) of verdraeyt; verder Westerbaen II, 649: Hoe of ons dan de muts sal staen, als 't land sal schijnen wegh te gaen (als we in zee steken); Zeeus, Ged. (anno 1721), bl. 391: Hoe! hebje kwestie of staet u de muts niet wel?; C. Wildsch. III, 50; Halma, 364: De muts staat hem niet wel van daag, il n'est pas de bonne humeur aujourd'hui, il s'est levé le cul le premier. Hierbij behoort ook de uitdr. daar staat hem de muts niet naar, daarvoor is hij niet goed gehumeurd (Tuinman, I, 65); hij is niet zoo (of niet half zoo) gek, als hem de muts staat, hij is beter dan men hem wel zou aanzien, dat we lezen bij V. Loon, 97; Van Effen, Spect. IV, 222; IX, 79; Sewel, 502: hy is zo gek niet als hem de muts wel staat; Waasch Idiot. 768: hij is zoo zot niet als dat zijn muts staat; syn, van: zoo schaapsch niet zijn als men wol draagt of zoo rot niet zijn als men stinkt ('t Daghet, 160; 190). Zie verder Tuinman I, 65; Joos, 86: hij heeft zijn vieze (of slechte, kwade) muts op; zijn muts staat scheef (ook bij Eckart, 378); in Drente: hij hef de blikken musse op, hij is slecht gehumeurd (Bergsma, 54); Rutten, 149: zijne goede muts aanhebben welgemutst zijn; zijne slechte muts aanhebben, slecht gezind zijn; Antw. Idiot. 840: zijn goei of zijn slechte, kwaai muts ophebben, goed of slecht gezind zijn; zijn zotte muts ophebben, een vroolijke bui hebben; zijn muts staat verkeerd, hij is kwalijk geluimd; zijn losse muts opzetten over, zich onverschillig betoonen over iets (in Mgdh. 101; Nachtkr. 29: Zoo had ze een losse muts over alles opgezet, trok zich weinig van de om 'r gebeurende dingen aan); hij heeft er een licht mutsje over op (Harreb. II, 111) naast er een zware muts over ophebben; fr. in swiere mûtse op hauwen, in zorg zijn over iets; vgl. Ndl. Wdb. IX, 1279 en no. 281.

1806. Dat gaat boven mijn pet(je),

d.w.z. daar begrijp ik niets van, dat gaat boven mijn begrip, of dat gaat boven mijn knar (hd. knarre; in Jord. II, 77) of dat gaat boven mijn prik (in Kunstl. 5). Vgl. Nkr. VIII, 25 April p. 2: Lees je De Vrije Sijmen? Nee? Natuurlijk niet, het meeste, wat daarin staat, gaat boven jouw petje; Het Volk, 30 Maart 1914, p. 3 k. 2: Dat zij dat ook al wou leeren! Maar die kunst blijkt te gaan boven haar pet; Nw. School, II, 177: 't Kan best wezen, dat het stuk boven z'n pet ging; II, 234: Het blijven bestaan van D.N.S. moge voor de stille pruttelaars als M.G. in Het Nieuwe Schoolblad een teeken zijn, dat er dingen groeien, waar ze met hun pet niet meer bij kunnen; Handelsblad, 24 Febr. 1919 (A), p. 13 k. 2: Bertus, waarom waren de wijzen wijs en de dwazen dwaas? Bertus antwoordt niet, 't gaat hem boven de pet; Het Volk, 23 Sept. 1915, p. 1 k. 3: Voor dat gemeentegepruts ben je goed genoeg, maar de hooge politiek gaat boven je boerepet; Handelsblad, 11 Sept. 1915 (avondbl.) p. 5 k. 5: Wat voer jelui nu uit? O, lezen hè? Hij sloeg de verzen van Leopold op, ‘Hm’ dat gaat boven m'n pet! Syn. er niet met zijn haakje bij kunnen in Nkr. X, 29 Jan. p. 8: Daar kan ik met me hakie niet bij. Syn, 't gaat mijn muts te boven in Haagsche Post, 5 Mei 1917, p. 447 k. 2:

 Dan geeft u mij een stuk papier te lezen,
 Waar allerhand geleerdigheid op staat,
 Van koolhydraten, vet en calorieën,
 Wat mijlenver mijn muts te boven gaat.

Afrik. dit is bo my jakhals, dit is bokant my vuurmaakplek, dit gaan bo my jakhalsband (Boshoff, 336). Iets in de pet hebben, iets in de gaten hebben, ook iets begrijpen (V. Ginneken II, 458). Ik heb er niks mee aan mijn pet, het kan mij niets schelen, het raakt mij niet; vgl. V.d. Water, 117. In den zin van ‘hoofd, hersenen’ komt ‘pet’ ook voor in Kunstl. 11: Daar schiet me wat in me pet!; evenzoo bl. 108; Jord. II, 478: Schiet me perdoes in me pet: Noú nog de Bochel!

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal