Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pot - (vaatwerk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

pot 1 zn. ‘vaatwerk’
Onl. wrsch. al in het toponiem potflit ‘beek te Antwerpen’, letterlijk ‘Potvliet’ [1148; Gysseling 1960]; mnl. pot ‘vaatwerk’ in de samenstelling potte makere ‘pottenmaker’ [1240; Bern.], ande do dat in einen pot ‘en doe dat in een pot’ [1250; VMNW], enen pot wines ‘een kan wijn’ [1280-87; CG I], ook al vroeg overdrachtelijk pot ‘geldkas, fonds’ [1299; VMNW]; vnnl. ‘door een persoon gespaard geld’ [1599; Kil.]; nnl. ‘inleg (bij spelen)’ [1855-57; WNT].
Herkomst onduidelijk. Frings neemt aan dat het woord is overgenomen uit het Romaans, Oudfrans pot [1120; Rey]. Algemeen wordt aangenomen dat dit teruggaat op een voor-Keltisch substraatwoord *pott-. Mogelijk is dan ook het Germaanse woord direct overgenomen uit een substraattaal.
Mnd. pot, put ‘pot’ (en door ontlening on. pottr > nde. pot), Rijnlands pot [12e eeuw; Pfeifer] (ontleend als nhd. Pott); ofri. pot (nfri. pôt); oe. pott (ne. pot).
potten ww. ‘in een pot doen’. Vnnl. Die tghelt potten ‘die het geld in een pot doen’ [1555; WNT]. Afleiding van pot.
Lit.: Frings 1968, 111

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pot1* [vaatwerk] {1250, vgl. pottemaker 1201-1250} middelnederduits, oudfries pott, oudengels pott, hoogduits Pott, oudnoors pottr, vermoedelijk < galloromaans ∗pottus, vgl. frans pot en in het keltisch (geleend uit het germ.): iers pota, gaelisch poit, welsh pot, bretons pod; het woord is ook wel als germ. beschouwd, en zou dan verwant zijn met puit. De basisbetekenis zou dan zijn ‘bolrond’. De uitdrukking hij eet uit de pot van Egypte [hij eet zonder te hoeven betalen] slaat terug op Exodus 16:3 (vgl. vleespot).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

de dood in de pot

Wanneer het ergens een saaie boel is, wanneer alle opgewektheid en levendigheid ontbreekt, plegen wij te zeggen: ’t Is hier de dood in de pot. Wij bedoelen alleen: het is er doods, vervelend. De uitdrukking wil echter oorspronkelijk heel wat anders zeggen. Zij is namelijk letterlijk bedoeld en betekent: het eten is vergiftigd. Die oorspronkelijke betekenis vinden wij in het Bijbelverhaal dat is opgetekend in II Koningen IV:40. Daar wordt verhaald dat de profeet Elisa ten tijde van een hongersnood moeskruiden liet lezen en koken. Maar een jongen deed er ‘kolokwinten’ in ‘en sneed ze in de moespot, want zij kenden ze niet’. Maar toen zij aten, merkten zij dat het eten vergiftig was en riepen: ‘Man Gods, de dood is in de pot.’ En zij konden het niet eten.

In onze taal, die wemelt van woorden, uitdrukkingen en zegswijzen aan de Bijbel ontleend, is deze zin van het gezegde verloren gegaan. Onder invloed van het woord doods is slechts die van saai-in-de-hoogste-mate overgebleven.

pot nat

Een vreemd pot nat of pot eten is een wonderlijk mens. Het woord nat is hier nog een zelfstandig naamwoord, evenals in de zegswijze: ze zijn met hetzelfde nat (of: hetzelfde sop) overgoten, voor: zij hebben dezelfde neigingen of gebreken.

Een pot nat is dus: een pot gevuld met jus, zoals een pot eten is: een pot met gekookte spijs. Het is wonderlijk dat een mens zo dikwijls met iets eetbaars werd en wordt vergeleken. Noemde men vroeger iemand een snode schelvis (Engels: a queer fish), een slimme paling of een raar gebakje, thans spreekt men van een leuke pisang, een rare snijboon, een druif van een vent, een oude taart, een fijne beschuit en een stom stuk (vr)eten. En zo zullen er nog wel meer zijn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pot znw. m., mnl. pot, mnd. pot, put ( > on. pottr), ofri. pot, oe. pott (ne. pot). Met het oog op fra. pot (reeds 12/13de eeuw) heeft men aangenomen, dat het rom. en germ. woord op een vulg. lat. *pōttus zouden teruggaan. Th. Frings Germ. Rom. 1932, 125-6 wijst op pōtus bij Venantius Fortunatus, hetzij dit onder invloed van lat. pōtus ‘drank’ vervormd is, hetzij dit het oude woord voor drinkbeker was en in het gallo-rom. een intensieve -tt-vorm naast zich gekregen had. Hij meent dat dit woord een zeer vroege ontlening in het Neder-Rijn-gebied zou zijn geweest en wijst op de naam Pottus van een pottenbakker bij de Treveri. Daartegen voert E. Nörrenberg Niederd. Jahrb. 71-73, 1950, 329-330 bezwaren zowel van fonetische als semantische aard aan en is daarom geneigd het fra. pot als ontlening aan het germ. te beschouwen (zoals ofra. hanap ‘beker’ < germ. *hnappa ‘nap’). — FW 518 overweegt de mogelijkheid van germ, oorsprong, maar zijn verklaring uit germ. *putta ‘rond, gezwollen voorwerp’ is niet zeer gelukkig. Nog veel minder waarschijnlijk is de verklaring van J. H. van Lessen WNT 12, 2, 3678 uit een klankwoord. — H. Kuhn ZfdMaf 28, 1961, 11-12 wijst nog op nnoorw. paut ‘houten nap’ en acht oerverwantschap met lat. putō ‘snijden’ mogelijk (dan uit een onbekende idg. substraattaal); maar gr. putine ‘bemande fles’ en etrusk. pute ‘beker’ kunnen wijzen op een niet-idg. herkomst. Minder gelukkig is de verklaring van A. Scherer, Kratylos 1, 1956, 174, die aan een jong idg. cultuurwoord denkt, dat door expressieve verscherping en geminatie uit *podo ‘vat’ zou vervormd zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pot znw., mnl. pot (tt) m. = mnd. pot, put (nhd. pott), ofri. pot, ags. pott (eng. pot), on. pottr m. “pot”. De rom.-jongerkelt. woordgroep van fr. pot “pot” komt uit het Germ. Germ. *putta- zal wel oorspr. “rond, gezwollen voorwerp” beteekend hebben. Het staat dan ‒ evenzoo ofri. pote; zie potig ‒ in ablaut tot puit.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pot. Zowel op cultuurhistorische gronden (vgl. kop) als om de p-, als om het late optreden in het Ags. en On. heeft men aan ontlening uit het Rom. gedacht (gallo-rom. *pottus; dit uit lat. < pôtus ‘dronk’(?): Brøndal Substr. og Laan 170 vlg.; vgl. ook Frings Germ. Rom. 126). Omgekeerde ontlening is echter tenminste even waarschijnlijk.
Mogen we het dus als een echt-germ. woord beschouwen, dan kan arm. poytn ‘pot’ met pot en de onder puit vermelde gr. en oi. woorden in ablaut staan (Petersson KZ. 47, 254).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

poot 3 v. (kop), uit het Fri. id., Ofri. pota + Meng. potte, dial. Zw. pottå: een bijvorm van pot. Hierbij behoort het door volksetym. naar poot 1 vervormde op zijn poot spelen; vergel. Vla. met zijn kop spelen.

pot v., Mnd. id. + Hgd. pott, Eng. pot, Ofri. pot, On. pottr (Zw. potta, De. potte) + Fr. pot, Sp. pote + Ier. pota, Gaël. poit, We.. pot, Bret. pod. De Rom. en Kelt. w. zouden uit het Germ. komen; de Germ. behooren dan bij den wortel van puit.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

pot, zn.: hazenleger. In jagerstaal pot of kast genoemd. Vgl. ketel ‘deel van het hol van konijnen, dassen en vossen’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1pot s.nw.
1. Tipe houer. 2. Spelbeurt.
In bet. 1 uit Ndl. pot (al Mnl.). In bet. 2 uit Eng. pot (1847). Al gee die WNT wel pot in die bet. 'als term bij verschillende kinderspelen' aan, moet eerder aan Eng. invloed in die geval van bet. 2 gedink word.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

pot (de, -ten), pan met deksel. Niet zonder enige bezorgdheid keek Tjas toe, hoe August inmiddels bezig was een groot deel van de inhoud van zijn pot op een bord te stapelen (B. Ooft 1969: 78). - Etym.: In AN veroud., alleen nog in samenst. en vaste uitdr., in BN gebr. S patoe. - Opm.: Een uitzondering is een braadpan, die ’pan’ genoemd wordt. Zie ook: pan* (I), bakpan*. Samenst.: potteschuur*, melkpot*, stoompot*.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Pot snw., die krans of kring by albasterspel. – Ter Laan 779: “Pot... de kring, op de grond getrokken, bij sommige knikker- en notenspelen.” So ook in verskillende Suid-Ndl. dialekte (De Cock en Teirl. V, 61, 63, 68, 101, 108, 123).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pot (Galloromaans *pottus)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

pot (2). In Mr. Kackadoris, een zestiende-eeuws tafelspel, komt de bastaardvloek gans potten en platielen voor: “Siet altijt is hy myn op die hielen, Gans potten en platielen dat is te stout.” De letterlijke betekenis van plateel is ‘vlakke schotel van metaal, hout, aardewerk enz.’ Men zwoer ook bij alle attributen die Gods Zoon tijdens zijn verblijf op aarde gebruikte. In het hedendaags Nederlands speelt pot ook nog een rol. Wij kennen nog de verbindingen rot de pot op! en je kunt (me) de pot op ‘bekijk het maar, ik heb het schijt aan je, je kunt mij wat’, een verwensing die afkeer, onverschilligheid e.d. uitdrukt. De Vlaming gebruikt, volgens Mullebrouck (1984), als variant ga/zet u op de pot! Van Eijk (1995: 136) noemt een uitgebreider variant: je kunt me de pot op met een deken tegen het kouvatten! In pot vol blommen en pot vol dropjes, die in ons enquêtemateriaal voorkomen, herkennen wij klankexpressieve substituutvloeken van potverdomme. Hoewel zij het taboe respecteren, geven de kleur en de frequentie van de o er toch nog een ronkende kracht aan. → kruis, oprotten, plateel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pot ‘zeeboezem, zeearm’ -> Duits dialect Pottdeicht ‘dijk aan een rivierarm’.

pot ‘vaatwerk; inzet’ -> Duits Pott ‘vaatwerk’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens potte ‘vaatwerk’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors potte ‘vaatwerk’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds potta ‘po, potje’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds pott ‘algemene inzet bij kansspel’; Fins potti, potta ‘vaatwerk’ <via Zweeds>; Ests pott ‘vaatwerk’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans † pot ‘kuiltje voor het knikkeren; knikkerspel, waarbij gebruikgemaakt wordt van een kuiltje’; Baskisch pot ‘vaatwerk, pot’ <via Frans>; Macedonisch pot ‘oude Nederlandse maat voor vloeistoffen (0,96612 liter)’; Zoeloe bhodwe ‘vaatwerk’ <via Afrikaans>; Indonesisch pot ‘vaatwerk van gebakken aarde; pispot’; Iban pot ‘vaatwerk’ (uit Nederlands of Engels); Jakartaans-Maleis pot ‘bloempot’; Javaans (di)epotaké ‘in een pot gedaan’; Kupang-Maleis pot ‘vaas’; Madoerees maen ēppot ‘potspel met knikkers’; Madoerees ēppot, pot ‘bloempot’; Makassaars ‘bloempot’; Menadonees pot ‘bloemenvaas’; Soendanees pot ‘bloempot’; Petjoh pot ‘gevangenis’; Negerhollands pot, put ‘vaatwerk’; Berbice-Nederlands poto ‘vaatwerk’; Sranantongo pot ‘inzet bij een spel’; Sranantongo patu ‘vaatwerk’; Surinaams-Javaans pot ‘bloempot, vaas’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pot vaatwerk 1250 [CG II1 Gen.rec.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

415. Zoo dicht als een pot (of potdicht),

d.i. geheel dicht, waterdicht, 16de eeuw kannedicht of kommedicht (Vierlingh, 127; 128; 216); ook gezegd van personen, die goed zwijgen; uit wie niets is te krijgen, die niets uitlaten, gesloten zijn. In de 17de eeuw dicht zijn, goed kunnen zwijgen. Vgl. Sart. I, 8, 64: Sy zijn malkander trouw ende dicht; Klucht v.d. Schoester, 4: Je weet wel, ik ben dicht, ik zwijgh en weet te heelenAangehaald in Ndl. Wdb. III, 2497.; Sewel, 177: Houd u digt, keep you close, say nothing; Halma, 112. Hiernaast eveneens in de 17de eeuw onze uitdr. Kluchtspel III, 45: L. Dat ick dorst, 'k sou de waert noemen. V. Je meught wel, ick ben soo dight als een pot, je behoeft voor mij niet te schroomen; Harreb. II, 197: Hij is potdigt of zoo digt als een pot; fri. sa ticht as in pot; Molema, 334: potdicht; oostfri. potdigt; in Zuid-Nederland alleen van een deur (Antw. Idiot. 993; Waasch Idiot. 533).

452. De dood in den pot,

Men zegt dit van eene plaats of een gezelschap, waar men zich gruwelijk verveelt, omdat het er zoo stil en doodsch is; ook als een tak van handel, wetenschap of kunst niet bloeit. Volgens Zeeman, 159 en Laurillard, 41 moet de oorsprong dezer zegswijze gezocht worden in het bijbelverhaal, dat men vindt opgeteekend in 2 Kon. 4:39-41: Ende het geschiedde als zy aten van dat moes, dat zy riepen, ende seyden, Man Godts, de doot is in de pot, ende konden 't niet etenIn Taal en Letteren IX, 206 wordt gedacht aan den dood op het ganzebord.. Vgl. Bank. II, 21; Janus, 153; Harreb. I, 145 a; Nkr. VI, 22 Juni p. 6; IX, 27 Maart p. 5; Telegraaf 22 Mei 1918 (A) p. 2 k. 4: In de Nederlandsche schilderkunst is het de dood in de pot.

922. Den hond in den pot vinden,

d.w.z. thuiskomen en alles, het middagmaal, op vinden, terwijl de hond reeds bezig is den pot uit te likken.Ovl. Lied. 429, 89: Ghelievet u, heere, spise ende dranc was al bereit, eer dhondekine quamen. In 't mnl. de hont is in der scapraden (de etenskast, om de kliekjes op te eten); bij Goedthals, 30: Den hont in den pot vinden, le loup au plat; Sartorius, I, 10, 23; III 9, 46: Ex Telemachi olla edes. Ghy sult de hont in de pot vinden; Servilius, 272: Ghi hebt den hont in den pot gevonden; Tijdschr. XIV, 126: Die kat sit int scapra, ende die hont lickt die pot hier (16de eeuw); Huygens VI, 190; De Brune, Bank. I, 374 en Idinau, 15:

De sulcke den hont in den huts-pot vinden,
Die van andere worden onder-kropen,
In t' geen dat sy sochten ende beminden:
T' gheschiet valt anders, dan 't verhopen,
T' is tijdt te trecken, als men siet nopen.

Halma, 222: Den hond in den pot vinden, venir trop tard pour diner, être obligé de diner par coeur; Sewel, 340; Tuinman I, 109; Harreb. I, 307; Landl. 184; Het Volk, 30 Jan. 1914, p. 2 k. 1; Sjof. 216: D'r viel nog al 's een centje af as-'t-ie lapwerk thuis bracht. Tegenwoordig is dat ook uit, overal de hond in den pot. De Vlamingen zeggen hiervoor ook: de hond is over de tafel gesprongen (Joos, 80; Waasch Idiot. 641 b); in het Haspengouwsch en Hagelandsch: de kat in den ketel vinden (Rutten, 107 b en Tuerlinckx, 306); in Limburg, volgens 't Daghet XII, 188: den hond (de kat) in den pot vinden; in Antwerpen: de hond heeft in den pot gekeken naast over den pot springen, komen om te eten als er niets meer is (Antw. Idiot. 992; Waasch Idiot. 533). In het Oostfri.: de hund in de pot finden; in Duitsche dialecten: er findet den Hund im Topf; der Hund ist in dem Potte; in de Rijnprovincie: en Katt in de Pott kriegen; in het fri.: hy fynt de houn yn 'e pot.

1448. Iemand in de luren leggen,

d.w.z. iemand foppen, bedriegen; thans vooral zich in de luren laten leggen, zich laten bedotten; in Zuid-Nederland iemand in de luiers leggen (Schuerm. Bijv. 232 b); fri. immen yn 'e ruften lizze. In de 17de eeuw bij Westerbaen II, 262 en Brederoo, Griane, vs. 1343, waar zich uit de oorspronkelijke bet. van iemand als kind behandelen, die van beetnemen, bedriegen reeds heeft ontwikkeld; zie ook Sewel, 467: Zy leiden hem braaf in de luuren, thei deceived him very much, they imposed upon him; zie verder Ndl. Wdb. VIII, 1430; Sprotje II, 70; O.K. 45; Slop, 241; 247; Mgdh. 282; Nkr. III, 1 Mei p. 2; V, 16 April p. 2; VII, 8 Febr. p. 2; VIII, 17 Jan. p. 6; Het Volk, 26 Maart 1914, p. 6 k. 4; 30 April 1914, p. 6 k. 1; enz. Dezelfde ontwikkeling van beteekenissen nemen we waar bij de uitdr. iemand in de kleeren steken (Van Dale; Antw. Idiot. 1183; De Bo, 1096; Schuerm. Bijv. 232 b; Antw. Idiot. 1816); iemand palullen (zie no. 1420 en Ndl. Wdb. XII, 254); iemand te kakken zetten (zie no. 1056), dat voorkomt in de Gew. Weeuw. III, 23 (Ik zet ze zoo meenigmaal te kakken zonder pot, doch ze geloofd my altyd); bij Spaan, 138 en Tuinman II, 112 en dat te vergelijken is met het Westvl. iemand in den kakstoel zetten, hem foppen, bedriegen; iemand op den pot zetten (Schuerm. 504 a; Ndl. Wdb. XI, 241); iemand in de doeken doen of leggen (Joos, 82; Teirl. 330; Waasch Idiot. 278 b); iemand in het pak duwen (of steken) (Schuerm. Bijv. 232 b en Maastricht); ook in de 17de eeuw iemand in het pack steeken (V. Moerk. 446 en vgl. Molema, 316; Gallée, 32 b); iemand in 't lange jak (kinderpak) laten loopen (C. Wildsch. VI, 239; Tuinman I, 312; Harreb. II, 168); iemand in de wieg leggen (Schuerm. Bijv. 391; Antw. Idiot. 1440); iemand doeken (of eig. blinddoeken? vgl. iem. kappenNdl. Wdb. VII, 1534.); iemand in de broek steken (Hoeufft, 447). Vgl. Harreb. II, 184: Gij zult mij niet pijpkannen, dat is gij zult mij niet bedriegen. Minnen geven aan de zuigelingen wel eens de pijpkan, in plaats van de borst. Merkwaardig is de bet. die Tuinman I, 119 aan ‘iemand in de luren leggen’ toekent, nl. die van iemand dronken maken, hem van de bank drinken, in welken zin het ook door Halma, 330 wordt opgegevenDit wordt bevestigd door Van Alkemade, Ndl. Displegtigheden III, 55: Onder de Duitsen en Nederlanders was 't ook..... een vermaak, anderen dronken te maaken, en dan over dezelve als te zegepralen, en te roemen, als op eene groote overwinning; zoodanig dat daarvan zekere spreekwijzen opgekomen en gebruikt schijnen, als; Iemand het lijf vol jagen, van de bank drinken, in de luuren leggen, enz..

1869. Eten uit den pot van Egypte,

d.i. nog in het ouderlijk huis gevoed worden; voor zijn bestaan onbezorgd zijn, leven uit den korf zonder zorg (Waasch Idiot. 366 a), of zooals men in 't Friesch zegt fen de onbisoarge byt libje, eene herinnering aan den tijd, toen de Israëlieten bij de vleeschpotten van Egypte zaten, zich konden verzadigen met brood (Exod. XVI, 3) en te goed doen aan visch, die zij aldaar om niet aten, aan komkommers, meloenen, uien en knoflook (Num. XI, 5). Vgl. Zeeman, 187; Harreb. I, 175 b; Twee W.B. 121: Zoo stumper, zit nou maar is neer bij de potten van Egypte. Mot je een droppie?; De Arbeid, 15 Oct. 1913, p. 4 k. 1: En dan het pensioen niet te vergeten, waardoor de gemeente-arbeider, die gedurende zijn diensttijd al uit den pot van Egypte heeft gegeten, op zijn levensavond een onbezorgd bestaan kan leiden; Het Volk, 26 Febr. 1914, p. 1 k. 2: Klerikale baantjesjagers, die zeuren, omdat ze niet meer zitten aan de vetpotten van Egypte; Het Volk, 2 Febr. 1914, p. 5 k. 2: Mr. Tymen de Vries, die over de centen beschikte, terwijl Staalman het lef had, trok er gauw tusschen uit, toen hij zag dat het misliep en keerde tot de vleeschpotten terug, terwijl Staalman de affaire voortzette; fri. dat gjit út 'e pot fen Egypte; nd. nog ût de pot fan Aegypten eten, nicht für sich selbst sorgen brauchen.

1870. De pot verwijt den ketel dat hij zwart is (of ziet),

d.w.z. iemand verwijt een ander iets, waaraan hij zelf schuldig is. In het mlat. phi' sonuit fuscum ridens ardaria furnum of ecce quam niger es, sic dicit caccabus ollae; in de 16de eeuw bij Campen, 118: die Ketel verwyt den Pot; Idinau, 143:

 Siet, wat den ketel den pot verwijt
 Als hy swert is, en vuyl ten hande.
 Sulcks dickmael een ander in d'aenschijn smijt
 Daer hy self vol af is, tot sijnder schande.

 Eenen vuylen korf, wordt oock wel een slijck-mande.Zie verder Marnix, Byenc. 181 a: de pot den ketel verwijt dat hy becruyst isAangehaald in het Ndl. Wdb. II1, 1645.; Winschooten, 103: de pot wil de keetel verwijten dat hij swart is; Luichte Wigger, 1 v: de pot verwijt den heugel datse swart is; Coster, 504, vs. 214; Smetius, 131; Huygens VI, 155: de Pan sprack tot den ketel, fij. Wat doet het swartgat hier by my!Vgl. het Twentsche: de eene kräj wil de andere kräj ‘zwartgat’ hetten.; Kl. v.d. Schoester, 14: Zouw de pan de keetel gaan betijgen van zwart te zijn?; Sewel, 648; Adagia, 14: den Ketel wilt den Pot verwyten dat hy swart is, vae tibi tu nigrae dicebat cacabus ollae; enz. Syn. Wat verwyt de palle (paal) de loete (ovenkrabber), alsse beede in den hovene (oven) moeten (Goedthals, 30). Zie Harreb. I, 307 a; III, 223 b; Afrik. die pot verwyt die ketel dat hy swart is of die pot verwyt die ketel en hulle is ewe swart; Waasch Idiot. 338; 533; Antw. Idiot. 993; Schuermans, 305 a: de pot wil den ketel bekruizen; de pot verwijt den ketel dat hij kroust (Maastricht); Wander IV, 1267; vgl. het fr. la pelle se moque du fourgon; hd. der Topf lacht über den Kessel; der Kessel schilt die Pfanne dasz sie schwarz sei; eng. the pot calls the kettle black; voor het Nederduitsch Taalgids IV, 260; Eckart, 412; Dirksen I, 75; in het fri.: de pôt forwyt de tsjettel dat er swart is.

1871. Er is geen pot zoo scheef, of er past wel een deksel op,

d.w.z. er is geen meisje zoo leelijk, of zij kan wel een man vinden. De Romeinen drukten dit uit met deze woorden: invenit patella dignum operculum; vgl. verder Goedthals, 106: noyt pot so slom, of hy en vant syne schyve; Anna Bijns, Nw. Refr. 103: gheen zoo slimmen scheelken, ten vindt sijnen pot; 104: tot alle cannekens vint men schelen of men vint geen besemen, zij en crijgen stelen. Zie verder Paffenrode, 75: Adagia, 14: daer en is noijt soo scheeven Pot oft men vint daer een scheeltien toe, dignum patella operculum; Harreb. III, 156 b; Sewel, 648; Joos, 162; Waasch Idiot. 533: daar is geen potje of daar past een scheelken op; Antw. Idiot. 992: daar is geenen ééne pot, of daer past e scheeltjen op; Woeste, 204; Dirksen I, 74; Wander III, 1378; Eckart, 412; Jahrb. 38, 161: Dar is nin Pött sau scheefe oder et passet eene Stülpe darup; Ten Doornk. Koolm. II, 747 b: d'r is gên pot so schêf, of d'r findt sük nog wol 'n deksel to; vgl. het fri.: der is gjin pôt sa bryk, of der is in deksel lyk (of der past in lid op); fr. il n'est pas si méchant pot qui ne trouve son couvercle; hd. jedes Töpfchen findet sein Deckelchen; jede Flasche findet ihren Stöpfel; eng. no pot is so ugly as not to find a cover.

1872. Buiten den pot pissen,

d.w.z. een dwaasheid begaan, een verkeerden stap doen, door eigen schuld bedrogen uitkomen; overspel plegen. De uitdr. komt sedert de 17de eeuw voor; vgl. Coster, 37 vs. 826: As die hoort dat Teeuwis het buyten de pot epist (overspel gepleegd), die selt verseecker verklicken; Brederoo, Moortje, 1468: Noch leeren sy (de rederijkers) de luy te laten nijdt en twist, en t is een volck dat selfs staagh buyten de pot pist; B. Kermisk. 29: Heb je ooyt of ooyt niet buiten de Pot gepist? Tuinman; I, 345: Hij heeft buiten den pot gepist. Dit zegt men van ymand, die zich ergens in te buiten heeft gegaan; Sewel, 68: Buyten de pot pissen, een meisje bezwangeren. Iets buiten den pot doen (in Kippev. II, 157); Molema, 325: de pot verbie pissen; fri. bûten 'e pôt pisje. Syn. over de streng slaan (N. Taalgids XII, 145).

1873. Kleine potjes hebben ook ooren,

d.w.z. kinderen luisteren scherp toe; meestal als waarschuwing gezegd, wanneer in het bijzijn van kinderen zaken besproken worden, die zij niet moeten hooren. Bij Goedthals, 139: Cleyne ketelkens, oft potkens hebben ooren, garde bien tes secrets reveler devant fols ou enfants; in de Prov. Comm. 147: cleen keetelkens hebben oeren (Campen, 87); Spieghel, 293: kleine potkens hebben oren; Smetius, 216: kleyne potkens hebben groote ooren; V.d. Venne, 248: kleyne Potjes hebben so wel Ooren als de Groote; Cats I, 452:

 Laet geen kint vuile reden hooren,
 Want kleyne potten hebben ooren.

Zie verder Tuinman I, 70; Harreb. III, 252 a; Jongeneel, 91: kling kêtelkens hant groeëte oere; Joos, 138; 193; Waasch Idiot. 347; Teirl. II, 141; Antw. Idiot. 1817: kleine pottekens hebben ook oorkens; Afrik. klein muisies het groot ore; Ndl. Wdb. XI, 48; voor het nd. Taalgids V, 148; Dirksen I, 73 en Ten Doornk. Koolm. II, 747 b: lütje potten hebben ôk ôren, waarvoor men in 't hd. zegt kleine Kesseln (oder Mäuse) haben auch Ohren; fr. petit chaudron grandes oreilles; eng. little pitchers have long (or great) ears; fri. lytse potten habbe ek earen.

1874. Ergens een potje kunnen breken,

d.w.z. ergens iets mogen doen, dat een ander wordt kwalijk genomen; zoozeer bij iemand in de gunst staan, dat men die ook door een guitenstreek niet verliest (Ndl. Wdb. III, 1233); het tegenovergestelde derhalve van potje breken, potje betalen of potje breek, potje betaal (Joos, 204; Waasch Idiot. 533 b; Rutten, 180 a) en het fr. payer les pots cassés; vgl. Coster, 593, vs. 177:

 't Is al aers alst pleech, ick mocht wel eer een potjen breecken,
 En boerten ick wat, 't was hoort toch dit sotjen spreecken.

Spaan, 9; Tuinman I, 89: ‘Lieve kinderen mogen wel een potje breken. Dat wil zeggen, zulke die in gunst zyn, mogen wel iets bedrijven, 't geen anderen qualijk afgenomen word’; Harreb. I, 406; Amstelv. 28: Gelukkige minister, hoor, die kan tenminste nog ereis een potje breken in de Kamer. In de 16de eeuw vinden we hiernaast een kruik(je) mogen breken; zie Matth. de Casteleyn, Pyr. 7 v: Datst principale, dat hy als de reale, zoude in Venus lustighe zale moghen een kruycke breken (vgl. Harreb. III, 209 a). In West-Vlaanderen is bekend: een potje boter bij iemand mogen breken, geerne gezien zijn, een voetje voorhebben (Schuermans, 503 a; Joos, 180); in het fri.: hy kin der in pôtsje brekke.

1875. In de kleinste potjes bewaart men de beste zalf.

Dit wordt gezegd als een soort compliment tegen kleine personen, om daar mede te kennen te geven, dat zij veel geest of veel verdienste bezitten. Syn. van gooj waor verpak me in klein pekskes (in N. Taalgids XIV, 197); in de kleinste fleschjes vindt men den kostelijksten balsem. Vgl. De Brune, 291: in kleyne kasjes, zonder schijn, de beste droguen (kruiden) dickwils zijn. Hetzelfde wordt uitgedrukt door

 In kleyne zackxkens wert bewaert,
 De specery van d'hooghste waerd,

dat we lezen bij De Brune, 403; vgl. ook Bank. I, 439: De beste speceryen werden in kleyne doosjes en potjes gevonden; Afrik. in die kleinste potjies bewaar mens die beste salf. De Franschen kennen eveneens en petits sacs sont les meilleures épices; dans les petites boîtes les bons onguents (= parfums); hd. kleine Büchsen, gute Salben; nd. ehn de klengste Doppchen es döcks de beiszte Salf (zie Taalgids IV, 283).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal