Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

putter - (distelvink)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

putter1 [distelvink] {petter 1555, putter 1640} van putten (ww.), zo genoemd omdat het diertje werd geleerd zijn drinkwater in zijn kooi aan een emmertje (middelnederlands vinkenputkijn) op te halen, te putten; vgl. engels water-drawer.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

putter znw. m. naam van een vogel, reeds bij Kiliaen in de holl. vorm petter, zo genoemd, omdat het gekooid uit zijn drinkbakje water schijnt te putten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

putter (vogel), nog niet mnl. In Hadr. Junius’ Nomenclator en bij Kil de holl. dialectvorm petter (“Holl. Fris.”). Ook oostfri. en fri. Nomen agentis van putten (zie put).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

putter m., in alle bet. van putten = uitscheppen, drinken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

put’ter (de, -s), zijden of kleine koevogel, een soort troepiaal waarvan het mannetje staalblauw en het wijfje bruin is (Molothrus bonariensis minimus). Ook hoort hierbij de putter (), die veel in de stad* voorkomt en die helemaal geen nest bouwt, maar zijn eieren in het nest van andere vogels legt () (Feekes 22). - Etym.: Er is geen gelijkenis met de AN p., een vinkachtige vogel in Ned. (Carduelis carduelis).

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

PUTTERCarduelis carduelis
Duits Stieglitz
Engels Goldfinch
Frans Chardonneret
Fries Putter
Betekenis wetenschappelijke naam: de op distels voorkomende vogel. Gedurende lange tijd was de fraaie bontgekleurde Putter een geliefde kooivogel. Voor het van kracht worden van de Vogelwet van 1936, waarbij onder andere de vangst van deze soort verboden werd, werden putters door vogelaars bij duizenden met lijmstokken en op vinkenbanen gevangen. Een groot deel van hun populariteit danken ze aan het feit dat men ze gemakkelijk kunstjes kon leren. De meest vermaarde toer was die, waarbij men de Putter had geleerd water te ‘putten’ in een minuscuul emmertje, door dit met een daaraan verbonden kettinkje op te trekken. Aan dit kunststukje dankt hij zijn naam, al zou die ook kunnen zijn gevormd uit peuteraar. Deze naam is al vanaf 1555 bekend, zij het aanvankelijk geschreven als Petter. Ten tijde van de bloeiende vogelhandel werden de mooist zingende exemplaren met Bloemputter (Twe) of Rozeputter aangeduid, terwijl een minder welluidende vogel met de naam Enkele Putter genoegen moest nemen. Behalve als Putter is hij bekend onder de naam Distelvink (Vla). Putters zijn verzot op distelzaden. De bekende Speerdistel (Cirsium lanceolatum) wordt daarom ook wel ‘Putterstekel’ genoemd. In Twente heet hij Disselveenk en in de Gelderse Achterhoek Dies(t)elvink(e). De naam Kletter (Gr) is afgeleid van klette, een woord dat klit of klis betekent en duidt op de in ons land voorkomende gelijknamige plantensoorten waarvan de zaden door hem worden gegeten. Af en toe peutert hij elzenproppen open, op zoek naar zaadjes. Dan heet hij Elsputter (Twe) of Elzenputter. Met de naam (Gelle) Tukker (Twe) wordt het vogeltje niet alleen als ‘Twentenaar’ aangeduid; er worden vooral z’n pruttelende geluidjes mee weergegeven. Het is denkbaar dat er bovendien verband bestaat met het verouderde woordje ‘tuk’ dat afgericht en mak betekent. De naam zou dan betrekking hebben op het ‘dresseren’ van de vogel zoals vermeld bij de uitleg van de naam Putter. In de omgeving van Weert noemt men hem Hejpötterke, vermoedelijk omdat hij nogal eens in de bosranden langs de heide werd gezien. Een verhaal uit het volksgeloof vertelt dat het Putterke zich bij de schepping nederig op de achtergrond hield. Toen hij uiteindelijk als laatste aan de beurt was om gekleurd te worden waren nog maar enkele verfrestjes over. Hij kreeg daarom van alle kleuren een veegje op zijn veren, dat maakte hem warempel tot een der mooiste vogeltjes. Wellicht noemt men hem daarom in Engeland Proud Tailor (trotse kleermaker).

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Putter Carduelis carduelis (Linnaeus: Fringilla) 1758. Ook in het fries is de officiële naam: Putter.
Blok 1988: Deze als kooivogel gehouden soort werd geleerd zijn drinkwater te putten. Dit geschiedde met een vingerhoedje of miniatuur emmertje en een kettinkje vanuit een grotere bak met water, in een speciaal ingerichte zgn. Putterskooi. Zo’n geketende vogel is in 1654 door Carel Fabritius geschilderd (‘Het Puttertje’, Mauritshuis, Den Haag). Houttuyn 1763: “... dewyl men hem veelal de Konst van Putten in een Kouwtje of op een Stoeltje leert, om den Mensch te vermaaken, zo voert hy, by ons, gemeenlyk den naam van Putter; hoewel zulks ook aan andere Vogeltjes geleerd kan worden.”1
Gesner 1555 noemt de hollandse vorm, te weten Petter (naast Distelvincke) [HG 1669]. Het kunstje van de vogel was kennelijk ook in Engeland bekend; een lokale naam daar is Drawwater [Jackson 1968; Lockwood 1993 bespreekt de naam niet]. In de volksnamen Elzenputter en Bloemputter wordt het element -putter ws. al niet meer in verband gebracht met het ww. putten; zij geven aan dat de vrijlevende exemplaren graag in Elzenbomen (Alnus glutinosa (L.) Vill.) of op uitgebloeide bloemen vertoeven en zich met het zaad daarvan voeden. Niet uitgesloten is (zie voetnoot1) dat in Bloemputter het tweede element nog een oorspr. (heel andere) betekenis draagt. Zie ook onder Distelvink.
In de betekenis van ‘zuiper, drinkebroer’ wordt bij putter wel gedacht aan het ww. putten: de putter drinkt alcoholische dranken, alsof het eindeloos putbaar water ware. De ‘mannetjesputter’ dan kon nóg meer borrels verdragen. Hieruit evolueerde tenslotte de betekenis: “grote, sterke man”.

==

1 De mogelijkheid dat het ‘experiment’ met het ophalen van een miniatuur-emmertje door de (gekooide) vogel de ‘onderbouwing’ van een volksetymologische verklaring voor een oudere naam moest zijn, mag niet geheel uitgesloten worden. Bij zo’n oudere, niet meer door het volk begrepen naam kan gedacht worden aan iets dat stond voor ‘peuter(aar)(tje)’, waarbij dan een nomen agentis bij mnl puederen ‘wroeten’ in het spel zou kunnen zijn. Hierbij kan dan aan het moeizaam loswrikken van de zaden uit de bloemhoofdjes van Distels gedacht worden. Het aardige van zo’n naam is dat hij dan één van vele synoniemen zou zijn: Tukker, Keuter, Knijper, Frijter (= Frater), of als E voorbeelden: Thistle Tweaker, Thistle Warp, oudengels Linetwige. Zie onder de desbetreffende namen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

putter zangvogel 1555 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal