Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rasteel - (ruif)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rasteel [ruif] {1573} < provençaals rastel [hark] < latijn rastellus, verkleiningsvorm van raster, rastrum [schoffel, houweel, hark] (vgl. raster1).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rasteel o., uit Ofra. rastel: z. raster.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

rasteel, resteel, steel, zn.: ruif. Ook Vlaams. Ofr. rastel ‘hark’ < Lat. rastellum, dim. van rastrum ‘hark’. Steel door aferesis. - Bibl.: H. Ryckeboer 1985.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

resteel, resseel, risteel, kersteel, kesteel zn. o.: ruif. Vl. rasteel, rosteel. Kersteel < kresteel, kristeel met k < t in tresteel < ’t resteel; kesteel door ass. rs > s uit kersteel. Ofr. rastel ‘hark’ < Lat. rastellum, dim. van rastrum ‘hark’. - Bibl.: H. Ryckeboer 1985.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

astreel (Balegem, Zonnegem), arstreel (Vlierzele), estreel (G, Mere), nestreel (G), zn. m.: ruif. Door metathesis uit rasteel (zie i.v.). Arstreel is hypercorrect en nestreel door metanalyse. - Bibl.: Ryckeboer 1985, 310.

rasteel (B, G, W noord, oost), resteel (D, G, L, W, ZV, ZW), restreel (O), risteel (G zuid), rosteel (W, noord), zn. m.: ruif; houten raam voor het vervoer van glas. Deze laatste bet. komt ook voor in Brugge, naast draagrasteel. Ofr. rastel 'hark' < Lat. rastellum, dim. van rastrum 'hark'. - Bibl.: H. Ryckeboer 1985.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

rasteel, stêejl, stien ruif (Vlaanderen, Brabant). « ofra. rastel (= fra. râteau ‘hark’) ‹ lat. rastellum ‘schoffel’, afl. van lat. rastrum ‘hark’, afl. bij rado ‘krabben’.
TT VIII 80-81, TNZN IX 9, WBD I 102, Eylenboseh 182-188.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

rasteel, rosteel, resteel, zn. o.: ruif. Ofr. rastel ‘hark’ < Lat. rastellum, dim. van rastrum ‘hark’. In Poperinge ook rasto < rasteau. Rosteel is in het Brugs ‘raam voor het vervoer van glas’ gaan betekenen, door verruiming van de bet. van draagrasteel, dat De Bo kent als begrip bij de glazenmakers: ‘Groot rasteel dat men op den rug draagt bij middel van twee riemen die over de schouders liggen’. - Lit.: H. Ryckeboer 1985..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal