Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

reiger - (vogel) (Ardeidae)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

reiger zn. ‘vogel’ (Ardeidae)
Onl. als toenaam van Theodericus Reigere [1185; Debrabandere 2003]; mnl. reigher ‘reiger’ [1285; VMNW].
Mnd. reger; ohd. reigaro (nhd. Reiher); nfri. reager; oe. hrāgra; on. hegri (nzw. häger); alle ‘reiger’, < pgm. *hraigara-. Daarnaast staat een nevenvorm met dissimilatie (zie ook → remmen) pgm. *haigarō-, waaruit: onl. heigero als glosse voor ‘pelikaan’ [10e eeuw; W.Ps.] (mnl. heiger ‘reiger’ [1240; Bern.]); ohd. heigaro, heigro. Hieraan is Fins haikara ‘reiger’ ontleend. Verder ontstonden uit een Frankische vorm *haigro enkele Romaanse woorden, waaronder Oudfrans hairon ‘reiger’ (Nieuwfrans héron), en door ontlening Engels heron.
Verwante woorden zijn er alleen in het Keltisch, bijv. Welsh crehyr, crychydd ‘reiger’. Zie Schrijver 1997, die Proto-Keltisch *krVxVrV- reconstrueert, waarin V een klinker is en x een velare fricatief. Een eenduidige Indo-Europese reconstructie is onmogelijk. Schrijver veronderstelt herkomst uit een Noordwest-Europese substraattaal, waarvoor hij *krVxar- reconstrueert. Mogelijk gaat de naam terug op een klanknabootsing.
Lit.: Schrijver 1997, 297-303

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

reiger* [vogel] {re(i)ger 1285, vgl. oudnederlands heiger 901-1000, middelnederlands (h)eigher} middelnederduits reger, oudsaksisch hregera, oudhoogduits reigaro, heigir, oudengels hrāgra, oudnoors hegri; het woord bestaat uit twee vormen die slechts verschillen door wel en geen r in de anlaut. Vgl. middelwelsh crehyr [reiger]; vermoedelijk een substraatwoord.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

reiger znw. m., mnl. reigher, rêgher m., mnd. rēger, ohd. reigaro (nhd. reiher), oe. hrāgra. — Daarnaast staan mnl. heigher, eigher, hêgher, êgher, ohd. heigir, heigaro, noorw. dial. heigre en daarnaast abl. mnd. hēger, oe. higora, on. hegri en ohd. hehara. — De vormen zonder r zijn in het germ. meer verbreid en hebben ook ablautvarianten; zo zou men de vorm met r als jongere vormen kunnen beschouwen met een r-emphaticum (J. de Vries, Mélanges Mossé 1960, 474).

Een germ. *haigara is niet gemakkelijk te verklaren. Betekent het ‘de snelle vogel’ en mag men dan aanknopen aan wortels als *k̂eigh (vgl. oi. śighrá- ‘snel’, zie: hijgen) naast *k̂eibh (waarvoor zie: heftig)? — Voor de vorm met r kan men aanknopen bij lit. krykščiù, kry͂kšti, ‘schreeuwen’, osl. kričati ‘schreeuwen’, kymr. cryg ‘hees’ en gr. kríke ‘kraakte, knarste’, waarnaast met andere gutturaal gr. krizō ‘knarsen, knorren’, on. hrīka ‘knarsen’ (IEW 570). Het bevreemdende is dan, dat het ww. in het germ. onbekend is en de vogelnaam daarbuiten ontbreekt. Anderzijds kan men de idg. wt. *k(e)rei naast *sk(e)rei als afl. beschouwen van de klanknabootsing *ker, kor beschouwen, waarvan ook vogelnamen als raaf en roek afgeleid zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

reiger znw., mnl. reigher (rêgher) m. = ohd. reigaro (nhd. reiher), mnd. rêger, ags. hrâgra m. “reiger”. Wellicht oorspr. = “schreeuwer” en van de onomatop., uit qri- (zie schreeuwen) verlengde basis qriq-, waarvan ook gr. krízō (aor. ékrikon) “ik kraak, klapper, knars”, obg. kričą, kcričati “schreeuwen”, lit. kriỹkszti “krijschen”. Minder wsch. direct met ier. corr “kraanvogel”, kymr. crychydd “reiger”, gr. kérkh(n)ō “ik ben, maak schor”, kerkhnēís “torenvalk”, ksl. kragujĭ “sperwer”, alb. ng’ir̄, k’ir̄ “ik maak heesch” gecombineerd. Een opvallende bijvorm is mnl. heigher (eigher, (h)êgher), ohd. heigir, heigaro m., noorw. dial. heigre “reiger” (met ablaut on. hëgri, hêri m. “id.”, wsch. = mnd. hēger, ags. higora m. resp. ohd. hëhara v., nhd. häher m. “ekster”), misschien van geheel anderen oorsprong, minder wsch. uit *χraiʒ(i)ra(n)- met dissimilatorisch weggevallen r. Hieruit is de rom. reigernaam fr. héron enz. ontleend. Zie roek.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

reiger m., Mnl. regher, Os. hrêgera + Ohd. reigaro (Mhd. reiger, Nhd. reiher), Ags. hrágra. Daarnevens Mnl. heiger, Onfra. id. + Ohd. heigir (Mhd. heiger), On. hegri (Zw. häger, De. heire). Hieruit Fr. héron.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

rieger (zn.) reiger; Vreugmiddelnederlands reigher <1285>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

reier s.nw.
Tipe groot voël wat dikw. by water aangetref word.
Uit Ndl. reiger (al Mnl.). In Mnl. ook die wisselvorme heiger en eiger.
D. Reiher.
Vgl. Eng. heron, Fr. heron, Sweeds häger.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

heger vlaamse gaai (Groningen, Noord-Holland). = mnl. hegher ‘reiger’, mndd. heger ‘reiger’, no. dial. heigre ‘reiger’. Wschl. ~ reiger (= oeng. hrāgra), voor welks r achter h men kan denken aan russ. kritsjatj ‘schreeuwen’ en gr. kríke ‘knarste’ en ono. hrīka ‘knarsen’.
NEW 569.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

heger (GG: FV, WVD: west, FV), zn. m.: reiger. Mnl. heiger, heger ‘reiger’. Familienaam De Heegher, D’Heyghere. Ohd. heigir, heigaro, Mnd. hêger, Os. heiger, Oe. higora, On. hegri, N. hegre. Germ. *xaigra(n), door dissimilatie < *xraigra(n) > reiger. Idg. *kroikro- ‘de krijsende’. Vgl. Oudbulgaars kriku ‘schreeuw’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

reier: bep. voëls. (spp. Ardea, fam. Ardeidae, v. Scho PD 11); Ndl. reiger (Mnl. reigher/rēgher naas (h)eigher/(h)ēgher), Hd. reiher, Eng. heron; v. ook agretjie en agret; by vRieb reygerseyeren.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

REIGERSArdeidae
De betekenis van Ardea is niet bekend. Een vermoeden is dat het is afgeleid van Erodios, de Griekse naam voor de Reiger.

BLAUWE REIGERArdea cinerea
Duits Graureiher
Engels Grey Heron
Frans Héron cendré
Fries Ielreager
Betekenis wetenschappelijke naam: asgrijze reiger. De kleuraanduiding wijst op de blauwgrijze bovenzijde van het prachtkleed. Het woord reiger gaat terug op de Oudgermaanse aanduiding ‘kraig’, wat een klanknabootsing is van het krijsende geluid van de vogel. Toepasselijk zijn de volksnamen Krijser en Schreeuwer. Vaak wordt hij Gewone Reiger, Grauwereiger of kortweg Reiger genoemd. Plaatselijke varianten zijn onder meer Reigaort (ZVl), Regel (Lb), Reagel (Fr) en Rieger (Fr, Sch). Als een standbeeld staat de reiger, op één poot balancerend, aan de waterkant, geduldig wachtend op een vis of kikker die zich in zijn nabijheid waagt. Met een bliksemsnelle beweging weet hij de prooi dan met zijn dolkvormige snavel te verschalken. Als zodanig kennen wij hem als Visreiger, Aalreiger, Ielrieger (Fr, Sch), Ielstrot (Fr), Aanreiger (Ame) en Oalraaiger (Gr). Een Vlaamse naam in dit verband is Vishouwer. Reigers nestelen in kolonies, bij voorkeur in hoge bomen. Berucht is hij om de wijze waarop hij met zijn uitwerpselen boomtakken bevuilt en bladerloos maakt. Niet voor niets kreeg hij de naam Schijtreiger (NB) toebedacht. Dat de reiger ook wel een populaire vogel is, blijkt uit troetelnamen als Aldbaitsje (Fr) – het lijkt soms alsof hij in een ‘oude borstrok’ rondstapt –, Alde Jitse (Fr), Ome Kees (Ter) en Blauwe Jaap (WFr). Evenals de Ooievaar wordt de reiger Stork(e) (Ach) genoemd. Deze naam, die ook bij onze oosterburen voorkomt, is afgeleid van het Germaanse sterg, dat stijf betekent. De vogels maken met hun houterige manier van lopen, mede door de lange poten, dikwijls een stijve indruk. Het Groningse Nittert, dat ook voor een ‘vinnig persoon’ staat, houdt vermoedelijk verband met de felle manier waarop hij met zijn scherpe snavel kan uithalen. Zowel in het wapen van de voormalige gemeente Ankeveen (NH) als in dat van de gemeente Heerhugowaard (NH) staat de reiger afgebeeld.

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

reiger: lang en mager persoon. Bij Ter Laan (1929) ook een scheldwoord voor een handelsreiziger.

Reiger: Spotnaam, lang en mager manspersoon. (Amaat Joos, Waas Idioticon, 1900)

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Blauwe Reiger Ardea cinerea Linnaeus 1758. De bekendste, talrijkste en grootste der in N broedende Reigersoorten. Uit in Brouwer 1953 vermelde bronnen blijkt dat “Reigers” al minstens sedert 1298 een belangrijke economische waarde vertegenwoordigden. In dat jaar hadden graaf Jan van Holland en bisschop Willem van Utrecht een geschil over het Reigerbos bij Bindelmeerbroek. Over de jaren 1358-1376 zijn opgaven verstrekt over de oogst, verkoop en schenkingen van Reigers uit het Goudse Bos bij Gouda (ZH). De daarbij genoemde ‘Grauwe Reigers’ (maar dan in de toenmalige spelling) zijn ongetwijfeld Blauwe Reigers (misschien met Purperreigers daaronder), wat onder meer ook blijkt uit het feit, dat 2 “quacke reigers” (= Kwakken, ↑) ‘even veel waard zijn’ als 1 ‘Grauwe Reiger’ [Ibelings 1996].
Ter bescherming van de Reigerkolonies (tegen plundering door onbevoegden!) werden zogenaamde plakkaten uitgevaardigd (1502 en later), waarin stond welke vogels beschermd waren en wat de straffen waren tegen vergrijp. Vaak kwam daarop voor het ‘vaste kwartet’ “Reygeren, Quacken, Schollevaers en Lepelaers”. Men onderscheidde eerder (in 1358) ook “Witte reighers” en/of “Witvogels” ↑ (mogelijk Zilverreigers dus) en misschien ook Ralreigers [Van Pelt Lechner 1919, geciteerd in Brouwer 1953; Poorter 1980; Ibelings 1996]. In die tijd werd geen onderscheid gemaakt tussen Blauwe Reiger en Purperreiger, waaruit men zou mogen opmaken, dat het verschil tussen deze beide niet bekend was of in ieder geval niet interessant. Zelfs Linnaeus, als groot natuuronderzoeker, beschreef de Purperreiger Ardea purpurea niet tegelijk met de Blauwe, maar pas acht jaar later in 1766. Misschien waren rond die latere tijd ook de gewone mensen zich bewust van het bestaan van twéé soorten grote Reigers in Nederland, die onderling voornamelijk in de kleur (purperrood versus blauwgrijs) van hun veren verschilden. Er is namelijk uit die tijd een oude N naam voor de Purperreiger: “Roode Reiger” of “Rosse Reiger” [C Nozeman in Watson 1761 p.223; geciteerd bij Martinet 1795 p.22], en het laat zich aanzien, dat toen de naam Blaauwe Reiger (Nozeman 1761; Houttuyn 1763 p.201) tegenover de Roode Reiger kwam te staan.
BENOEMINGSGESCHIEDENIS B&O 1822 gebruiken de naam “De blaauwe of aschgraauwe Reiger”. Schlegel 1828 noemt hem “graauwe vischreiger” (p.263), maar in 1852 is het bij hem: DE BLAAUWE REIGER. Bij Albarda 1897 de naam van het lemma, zij het “reiger” met kleine letter (p.124). Calkoen 1903 noemt de soort kortweg Reiger.

Grutte Wite Reager Officiële friese naam voor de Grote Zilverreiger ↑ [Boersma 1994].
BENOEMINGSGESCHIEDENIS De Vries 1928 noemt de soort niet en De Vries 1912 geeft een “?” waar de friese naam had zullen staan. In Boersma 1972 en ViF 1976 bijna de naam van het lemma: Greate Wite Reager.

Brune Reager Officiële friese naam voor de Ralreiger ↑ [Boersma 1972]. De Vries 1912 had nog een “?” waar de friese naam had zullen staan. De Vries 1928 noemde de soort in het geheel niet, wat te verklaren is door het late optreden van de soort in de provincie Friesland: pas op 28 mei 1977 het eerste officiële geval (na eerdere meldingen in 1932, 1962 en 1968 [ViF]). De Ralreiger maakt in vlucht een zeer witte indruk en doet daardoor aan een Kleine Zilverreiger denken; in rust zijn de bovendelen (licht)geelbruin. De keus voor het bnw. Brune is daarom te verdedigen, al zou Brune Reager perfecter op bijv. de Roerdomp gepast hebben. Catalaans Martinet ros heeft een beter adjectief: ros betekent nl. ‘hoogblond, taankleurig’. D Braunreiher is een volksnaam voor de Purperreiger, qua kleur heel anders dan de Ralreiger; maar ook hier is het adjectief niet zo kernachtig.

Egyptische Reiger Oude N benaming (bij Houttuyn 1763) voor Linnaeus’ 18e ‘Reiger’ “Ardea Ibis”. Houttuyn verkeerde in de veronderstelling dat hiermee de Heilige Ibis bedoeld werd, en ws. was dat ook zo. Maar volgens de huidige nomenclatuur wordt hiermee de Koereiger bedoeld. De namen Egyptisch Reigertje en Egyptisch Rêgerke (in Zeeuws-Vlaanderen) voor het Woudaapje zijn wellicht ook een voortzetting van Houttuyns (boeken)naam. Omdat al spoedig niet goed duidelijk meer was voor welke soort dit nu eigenlijk de naam was, kon hij gemakkelijk ook op het Woudaapje worden toegepast. B&TS 1995 geven een andere, maar niet-gefundeerde verklaring voor het gebruik van de naam van het lemma voor het Woudaapje: dit zou hier zo genoemd zijn omdat men zou weten dat de soort in de Nijldelta voorkwam.
ETYMOLOGIE N Egypte <F Egypte <Lat Aegyptus <Gr Αἴγυπτος Aíguptos ‘de Nijl, Egypte’ <egyptisch ha-ka-ptah ‘de stad Memphis’.

Reade Reager Officiële friese naam voor de Purperreiger ↑ [De Vries 1912; Boersma 1972]. Albarda 1897 geeft als volksnaam Roode reiger, maar geeft hierbij geen locatie op. Dat de soort in Friesland niet meer namen heeft, komt ws. omdat het er een zeldzame soort is.

Reager Het friese woord voor Reiger ↑.

Roode Reiger Oude N naam voor de Purperreiger ↑ bij Nozeman 1761 en Calkoen 1903. Vroeg 1764: “Hy word hier, doch niet gemeen, aan onze Rivieren gevonden, en is bekend onder de benaming van Roode Reiger, hoewel de kleur meer bruinachtig rosch dan rood is.” Vroeg heeft dan ook als hoofdnaam Bruin-roode Reiger (p.30).

Reiger Algemene N benaming voor de leden van de (sub)familie der Ardeinae (Ardeidae), waarvan de Blauwe Reiger in de Lage Landen de meest bekende vertegenwoordiger is. De Kwak (ook Nachtreiger genoemd), het Woudaapje en de Roerdomp zijn de drie Reigersoorten zónder ‘-reiger’ in de officiële N naam. Het element Reiger zit ook in Zandreiger (volksnaam voor de Fuut), ws. een verbastering van Satijndrijver (zie sub Zanddrijver).
ETYMOLOGIE N Reiger <Reygher [VK c.1618] <mnl reygher, eygher (c.1266, bij Jacob van Maerlant1 / Daer engheen tempeest mach werken. / Int water es sijn lijfnere. [voedsel] / I4 scaerpen bec heeft hi ter were. / Sine jonghen broet hi in boemen, / Dat hi narenstelike can goemen.5 / Experimentator6 die seghet, / Dat hi den havec te honen pleghet,7 Want hi besmelt al sinen dan: / So rotten sine vedren dan. / Som wit ende som van sciere wise,8 / Maer die sciere sijn best ter spise, / Van smaken best ende ghesont.), reyghere (1285), als persoonsnaam Theodericus Reigere (1185 [Schoonheim]), reigher, regher, (h)eigher, (h)egher; bij oudnederfr heiger is misschien de asterisk vergeten; zo niet, dan is dit de oudste vindplaats; fries Reager, Reagel (met dissimilatie), oostfries Reiger, Reigel; D Reiher (ook Reigel en Ragel) <ohd reigaro, heigaro, heigir; E Heron <F, mf Héron (1320) <mf hairon (begin 12e eeuw) <oudnederfr *hai- gro; E Egret <F Aigrette, verkleinvorm van F Aigron, een regionale vorm van Héron (zie boven); E volksnaam Hegrie <oudnoords hegri; oudengels hragra; zweeds Häger, noors Hegre, deens Hejre, ijslands/faerøers Hegri <oudnoords hegri; <germ *hraigran <vóórgerm *kraikr naar de idg wortel *(s)ker, *(s)kor ‘krijsen, schreeuwen, kermen, krassen, kraaien’ (vgl. sub Aalscholver en Raaf). Een verwante naam buiten het germ is welsh Cregyr ‘Reiger’. Fins Haikara en estisch Haigur zijn leenwoorden uit het germaans, mogelijk recent uit het zweeds, maar misschien zijn het ook zeer oude ontleningen, wat zou kunnen aantonen dat in de oudste germaanse vormen van het woord de begin-r al kon ontbreken. Dit gegeven is wellicht aanleiding voor NEW 1992 om een oergerm *haigara te postuleren, waarvan de bete- kenis echter duister is.

==

1 Ardea in ons Latijn vs.294 Mach in Dietsche een reygher sijn. / Ardea2 heet hi, als men seghet, / Want hi hoghe te vlieghen pleghet, / Ende dat dicke boven swerken3,

2 Nat Rer: Ardea ... avis est vocata quod ardua (= steil) petit (vliegt, reikt).

3 dikwijls boven de wolken, Waar hij geen last van de wind heeft.

4 I = romeins 1, dus: ‘Een’

5 Hij zorgt goed voor zijn jongen.

6 een tot heden nog onbekend boek

7 Dat hij gewoonlijk spot met de Havik, Want hij poept hem helemaal onder: En dan vergaan diens veren.

8 Sommige Reigers zijn wit andere grijs, maar de grijze zijn het voedzaamst

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

reiger* reigerachtige 1285 [CG I]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ker-1, kor-, kr- ‘Schallnachahmung für heisere, rauhe Töne, solche Tierstimmen und die sie ausstoßenden Tiere’, Anlaut meist k-, seltener k̑- auch mit beweglichem s- : (s)ker-.

I. Ai. karaṭa- m. ‘Krähe’ (?), karāyikā ‘eine Art Kranich’.
Gr. κόραξ, -ακος m. ‘Rabe’, κοράκιον ‘Schnabel des Raben’ (*kor-n̥-k-, vgl. lat. cor-n-īx), σκορακίζω ‘behandele schimpflich (aus ἐς κόρακας βάλλειν u. dgl.), κορώνη ‘Krähe’, κόραφος· ποιὸς ὄρνις Hes. (*kor-n̥-bhos); κορκορυγή ‘Kollern im Leibe’;
lat. corvus ‘Rabe’, cornīx, -īcis ‘Krähe’, umbr. curnāco ‘cornicem’ (-īk- neben -āk-); Specht, Idg. Dekl. 118, 161 stellt hingegen corvus und cornīx zur Farbwurzel ker-;
čech. krákorati ‘gackern’ (*kor-kor-, vgl. κορκορυγή), serb. krakoriti ‘gracillare’, klr. kerekoríty ‘kollern, girren’.
S. auch kar- ‘laut preisen’.
1. Dentalerweiterungen:
Älter dän. skrade ‘rasseln, röcheln’, schwed. mdartl. skrata ‘schallen’, norw. mdartl. skrata ‘gackern, schelten, laut lachen’, skratla ‘rasseln’, schwed. skratta ‘lachen’, dän. skratte ‘einen gesprungenen Ton geben’.
2. Gutturalerweiterungen:
A. Auf -k- (gebrochene Reduplikation): kerk-, krek-, krok-:
Ai. kr̥kara-, krakara-, kr̥kaṇa- m. ‘eine Art Rebhuhn’, kŕ̥ka-vāku- m. ‘Hahn’, kr̥kaṣā, kr̥kālikā ‘Vogelnamen’; av. kahrkatāt- f. ‘Hahn’, npers. kärk ‘Huhn’, av. kahrkāsa- m. ‘Geier, eigentlich Hähneesser’; ai. karkati (unbelegt) ‘lacht’, krákṣamāṇa-, -krakṣa-, -krakṣin- etwa ‘knarrend’;
arm. vielleicht als Neuschöpfung karkač̣ ‘Rauschen, Geräusch’, karkačem ‘übermäßig lachen, brausen’;
gr. κέρκαξ· ἱέραξ Hes., κερκάς· κρεξ τὸ ὄρνεον Hes., κερκιθαλίς· ἐρωδιός Hes., κερκίς· ... εἶδος ὄρνῑθος Hes., κέρκνος· ἱέραξ, ἤ ἀλεκτρυών Hes., κέρκος· ... ἀλεκτρυών Hes., κίρκος ‘ἱέραξ’, κορκόρας· ὄρνις. Περγαιοῖ Hes., κρέξ ‘eine Vogelart’, κέρχνος m. ‘Heiserkeit’ (wenn aus *κερκ-σνος), κέρχνη, κερχνηίς f. ‘Turmfalke’;
lat. crōciō, -īre und crōcō, -āre ‘krächzen’ (: ir. crāin, lit. krokiù, lett. krācu, slav. krakati, vgl. mit -g: gr. κρώζω, anord. hrókr);
mir. crāin, Gen. crāna ‘Sau’ (‘grunzend’; urkelt. *krākni-); cercc ‘Henne’ (aber cymr. ysgrechf. ‘Schrei’ aus ags. *scrǣc ‘Geschrei’; mir. scrēch ‘Schrei’ aus anord. skrǽkr); abret. corcid, nbret. kerc’heiz, cymr. crychydd ‘Reiher’, ir. corr (*kork-so-) ‘Kranich’;
apr. kerko f. ‘Taucher (Vogel)’, lett. ḱḕrcu, ḱḕrt ‘gackern, rauschen, Lärm machen’, lit. karkiù, kar̃kti ‘schnarren, krächzen, gackern’, lit. kirkiù, kir̃kti ‘kreischen (von der Bruthenne)’; lit. krẽkinuos, -intis ‘brünstig sein (vom Schwein)’, lett. krecêt ‘heiser werden’; apr. kracto (lies kracco) ‘Schwarzspecht’, lit. krãkė ds., lit. kr(i)okiù, kr(i)õkti ‘röcheln, grunzen’ (: lat. crōciō usw.), kr(i)oklỹs ‘Wasserfall’, lett. krā̀cu, krā̀kt ‘krächzen, schnarchen, röcheln, tosen’; lit. kurkiù, kur̃kti ‘quarren’, lett. kùrcu, kùrkt ‘quarren’ (: aksl. krъknǫti; ablautend mit lit. kvar̃kti?); vgl. Mühlenbach-Endzelin Lett.-D. Wb II 296, 270, 322;
aksl. krъknǫti ‘krächzen’ (usw.); russ.-ksl. krečetъ ‘Zikade’, russ. krëk ‘Aufstehnen’, krečet ‘Jagdfalke’, serb. krȅka ‘Geschrei der Hühner oder Frösche’ (usw.), čech. škřek ‘Geschrei’, osorb. škŕekava ‘Eichelhäher’; russ. krochálь ‘Tauchergans’, bulg. krókon ‘Rabe’, serb. krȍčēm, kròkati ‘krächzen’ (usw.); russ.-ksl. (usw.) kraču, krakati ds.; dazu slovz. krẽk (*krakъ) m. ‘Rabe’.
Nasaliert: ags. hringan ‘tönen, rasseln, klappern’, engl. to ring ‘lauten, klingen’, anord. hrang n. ‘Lärm’, hringia ‘läuten’, lit. krankiù, krañkti ‘krächzen, röcheln’, krankščiù, krañks̀ti ds., russ. krjákatь ‘krachen, ächzen, schnarren, krächzen’; toch. В kraṅko Hahn; ai. kruṅ, kruñca-, krāuñca m. ‘Brachvogel’.
Mit anl. k̑-: ai. śāri- f. ‘ein Vogel’, sārikā ‘die indische Elster’; arm. sareak ‘Star’; lit. šárka, apr. sarke ‘Elster’, russ. soróka, čech. straka, serb. srȁka ‘Elster’; daneben aksl. svraka, serb. svrȁka ds., s. unten.
Mit anlaut. k̑u̯-: alb. sorrë (*k̑u̯ērnā) ‘Krähe’ (Jokl, Mél. Pedersen 146);
aksl. soraka, serb. svrȁka ‘Elster’.
B. Auf -g-:
Ai. kharjati ‘knarrt’, khargálā ‘ein bestimmter Nachtvogel (Eule?)’;
gr. κρώζω ‘krächze’, κράζω, ἔκραγον, κέκρᾱγα ‘krächzen (vom Raben), schreien’; κάραγὺς· ὁ τραχὸς ψόφος οἷον πριόνων Hes.;
anord. hrōkr, ags. hrōc, ahd. hruoh ‘Krähe’; ndd. harken, dän. harke ‘sich räuspern’, schweiz. harchlen ‘röcheln’, anord. hark, skark ‘Lärm’, herkir, skerkir ‘Feuer’ (‘*knisternd’), anord. harka ‘lärmen’, ndd. harken ‘scharren, kratzen’, harke ‘Rechen’, nhd. Lw. Harke; zu ai. kharju- m. (unbelegt) ‘das Jucken, Kratzen’, khr̥gala- m. ‘Krücke’ (?);
ahd. rachisōn ‘sich räuspern’, ags. hraca m., hracu f. ‘Kehle’, ahd. rahho ‘Rachen’, ags. hrǣca m. ‘das Räuspern; Speichel’, hrǣcan ‘sich räuspern, spucken’, anord. hrāka m. ‘Speichel’; anord. skrǣkr m. ‘Schrei’ (*skrēki-), skrǣkja, skrǣkta ‘schreien’, skrǫk n. Pl. ‘Lüge’, skrǫkva ‘erdichten, erlügen’;
lit. kregždė̃ ‘Schwalbe’, krėgė́ti ‘grunzen’, krogiù ‘röchle, grunze’.
3. Labialerweiterungen:
A. Mit -p-: Ai. kŕ̥patē, Aor. akrapiṣṭa ‘jammern’;
kr̥cchrá- ‘schlimm’; n. ‘Not’, mind. aus *kr̥psra-;
npers. särfāk ‘Schall’, surf (iran. *sǝrǝfa-) ‘Husten’;
lat. crepō, -ās und -is, -āre ‘knattern, knistern, krachen’, crepundia, -ōrum ‘Klappern als Kinderspielzeug, Kastagnetten’ (nach M. Leumann, Gnomon 9, 240, vielmehr etruskisch); EM3 268;
anord. hrafn ‘Rabe’, urnord. HrabnaR, ags. hræfn ‘Rabe’, ahd. hraban, hram ‘Rabe’ (mhd. auch rappe), as. naht-ram ‘Nachteule’;
Mit s-: anord. skrafa ‘schwatzen’, skraf (und skrap s. unten) n. ‘Geschwätz’; anord. skarfr ‘Seerabe’, ags. skræf ds., ahd. scarba, scarva f., scarbo m. ds., nhd. Scharbe; bret. scrav ‘Meervogel’ ist germ. Lw.;
lett. krepēt, krēpēt ‘schmutzig werden’, krẽpât ‘zähen Schleim auswerfen’ (aus ‘*räuspern’), lit. skreplénti ds., lett. krẽpalas Pl., lit. skrepliaĩ Pl. ‘Schleimauswurf, aksl. kroplją, kropiti ‘bespritzen, besprengen’ usw., russ. kropotátь ‘brummen, mürrisch sein, sich sorgen’ usw.
Mit -b-: anord. skrap ‘das Rascheln, Geschwätz’, skrapa ‘rascheln, schwätzen’; lit. skrebė́ti ‘rascheln’, aksl. skrobotъ ‘Geräusch’. Nasaliert gr. κρέμβαλα ‘Kastagnetten’.
II. i-Basis (s)(k)erei-:
Air. scret f., nir. scread ‘Schrei’ aus *skri-zd(h)ā; vgl. Persson Beitr. I 348;
mit s-: bret. screo (*skriu̯ā) ‘kreischender Meervogel’;
ahd. as. scrīan ‘schreien’, ahd. screi n. ‘Schrei’, ndd. schrēwen, ndl. schreeuwen ‘schreien’ (*skraiwian), wfläm. schreemen, engl. scream ds. (*skraimian);
ohne s-: anord. hreimr ‘Geschrei’, anord. hrīna ‘schreien’ (vom Schweine); vgl. lett. krī̆na ‘Sau’ (ebenso ir. crāin ds. : lat. crōcio) und piem. crin (ligur.?) ‘Schwein’.
Gutturalerweiterungen:
A. Mit -k-: gr. κρίκε ‘(das Joch) knarrte, kreischte’; lit. krykščiù, krỹkšti ‘kreischen’, kriksėti ‘quaken’;
aksl. krikъ ‘Geschrei’, kričati ‘schreien’;
anord. hegri, ags. hrāgra, ahd. heigaro und (h)reigaro, mhd. heiger und reiger, nhd. Reiher (*kroikro-, *krikro-), z. T. mit diss. Schwunde des ersten r;
cymr. cryg ‘heiser’, fem. creg, davon creg-yr ‘Reiher’;
eine verschiedene Lautnachahmung ist bulg. cъ́rkam ‘zwitschere, zirpe; schreie, spritze’ (usw. s. Berneker 132);
B. Mit -g-: gr. κρῑγή ‘das Schwirren; Knirschen (der Zähne)’, κριγή· ἡ γλαῦξ Hes., κρίζω, κρίξαι, κέκρῑγα ‘kreischen, knurren’, böot. κριδδέμεν (δδ = γ) ‘γελᾶν’;
cymr. cre (*krigā), dychre (*dī-eks-krigā) ‘Geschrei’; abgeleitet crë-ydd, crë-yr ‘Reiher’;
anord. hrīka ‘knirschen’, hrikta ‘kreischen’;
mit s-: anord. skrīkia ‘Vogelschrei’, als Verbum ‘zwitschern’, ags. scrīc ‘Würger’, norw. skrīka, skreik ‘schreien’, as. skrikōn ds., an. skrǣkr ‘Schrei’;
späte Neuschöpfung: nhd. Krickente, schwed. krickand, krikka ds., ndl. kriek, krekel ‘Grille, Heimchen’, frz. criquet ds., ndl. kricken, kreken ‘Zirpen (von der Grille)’, mengl. creken ‘knarren’, engl. creak ds., frz. criquer ds.;
mit s-: aksl. skrъgati (d. i. skrъg-) ‘knirschen’, skrъžьtъ (d. i. skrьž-) ‘Geknirsche’.
III. u-Basis (s)k(o)reu-, (s)k(o)rau-:
1. Lat. corvus (s. oben S. 567); mir. crū ‘Rabe’ (*krou̯os); ndd. schrauen, schraulen, norw. skryla, ryla ‘schreien’, norw. dial. skrynia ‘klappern, Geräusch machen, hell klingen; husten’; anord. skraumi ‘Schreier, Hanswurst’; nordfries. skrummel ‘Getöse, Geräusch, Gerücht’, nhd. schrummeln ‘donnern’, anord. skrum ‘Geschwätz; lit. kriunù, -ė́ti ‘husten, stöhnen’; vielleicht auch toch. В keru ‘Trommel’.
2. Dentalerweiterungen:
Mit -d-:
Anord. hrjóta ‘brüllen, schnarchen, brummen’, ags. hrūtan ‘schnarchen, schnauben’, ahd. rūzan, rūzōn ‘rasseln, schnarchen, summen’; vgl. ags. hrot m. ‘dicke Flüssigkeit, Schleim’, usw. unten S. 537;
mnd. schrūten ‘schnarchen, schnaufen, prusten’, wfäl. Schrute ‘Truthenne’, schwed. skryta ‘prahlen’, dial. ‘schnarchen’, norw. dial. skrȳta ‘schnauben, prusten’, skrota (*skrutōn) ‘prahlen’ (vielleicht auch anord. skraut n. ‘Pracht, Schmuck’, skreyta ‘schmücken’, wenn eigentlich ‘prahlen’, vgl. norw. skrøyta ‘schmücken, loben, prahlen’, røyta ds.).
Mit idg. -t-: anord. hryðja f. ‘Spucknapf’, isl. hroði ‘Speichel’, norw. dial. ryda, skryda f. ‘Schleim im Halse’.
3. Gutturalerweiterungen:
Mit -k-: lit. krauklỹs ‘Krähe’, kraukiù, kraũkti ‘krächzen’, ablaut. kriūk-iù, -ti ‘grunzen’, krùkė ‘Gegrunze’; lett. kraûklis m. ‘Rabe’, kraũḱis ‘Saatkrähe’, kraukât ‘husten, Schleim auswerfen (vom Vieh)’; kraũka f. ‘Schleimauswurf’;
aksl. krukъ ‘Rabe’ (usw);
isl. hrygla ‘Rasseln in der Kehle’, mhd. rü(c)heln, nhd. röcheln, norw. rugde ‘Waldschnepfe’; dazu wohl ags. hrog ‘Nasenschleim’;
mit Geminata -kk-: dän. skrukke ‘glucksen’, skrokke ‘plaudern’, woneben älter dän. krokke ‘rufen, von Hühnern’, mnd. krochen ‘grunzen; heiser schreien (vom Raben)’.
Mit -k̑-: ai. krṓśati, av. xraosaiti ‘kreischt, schreit’, ai. krōśa-, klṓśa- m. ‘Schrei, Rufweite’, (: ags. hrēam ‘Notruf’ aus *hrauhma), npers. xurōs ‘Hahn’; s. W. Schulze Kl. Schr.166.
Mit -g-: gr. κραυγή ‘Geschrei’, κραυγός· δρυκολάπτου εἶδος (‘Art Specht’) Hes.; got. hruk Akk. ‘das Krähen’, hrukjan ‘krähen’.

WP. I 413ff., WH. I 275 f., 290, 291 f., 293, Trautmann 128, 139 f., Wissmann Nom. postverb. 130 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal