Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rest - (overblijvend deel, overschot)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

rest zn. ‘overblijvend deel, overschot’
Mnl. reste, rest (van) ‘overblijvend deel van iets’ in Die reste van onsen baronen ... Sullen varen an die komen daer ‘onze overige edelen moeten hen die daar aankomen tegemoet rijden’ [1415-35; MNW-R], de reste van den ... rijders, die men ... tachter was ‘de rest van de gouden munten die men nog schuldig was’ [ca. 1470; MNW culiote]; vnnl. ‘overblijfsel, overschot’ de reste vande twee kloosters ‘de restanten, de ruïne van de twee kloosters’ [1575; WNT], een rest pruimen [1646; WNT]; nnl. heur rest ‘haar stoffelijk overschot’ [ca. 1860; WNT], primitieve resten der Middellandsche kultuur [1925; WNT].
Ontleend aan Frans reste ‘wat overblijft’ [ca. 1230; TLF], een afleiding van het ww. rester ‘overblijven (om te doen)’ [1382; TLF], eerder ook al ‘blijven, stoppen’ [1174-76; TLF], ontleend aan Latijn restāre ‘overblijven, achterblijven’; dat woord is gevormd met het voorvoegsel → re- ‘terug-’ bij stāre ‘staan, blijven’, verwant met → staan.
resten ww. ‘overblijven, overblijven om te doen’. Mnl. resten ‘overblijven om te doen’ in de IX hondert cronen, die ghylieden rest te betalen ‘de 900 kronen die u nog moet betalen’ [1488; MNW]; vnnl. ‘overblijven, nog aanwezig zijn’ in datter niet en rest ‘dat er niets overblijft’ [1535; Stall.], nu rester te seggen ‘nu moet er alleen nog gezegd worden’ [1551; WNT]; nnl. resten ook ‘als mogelijkheid overblijven’ in mijne eere is weg van my - niets rest my dan te sterven [1803; WNT]. Afleiding van rest ‘dat wat overblijft’. Naast deze Nederlandse afleiding van rest komt al vroeg ook resteren voor, ontleend aan Frans rester, zie hieronder. Resten heeft vooral de betekenis ‘overblijven om te doen’ behouden; resteren heeft deze betekenis ook gehad, maar heeft zich daarin niet gehandhaafd. ♦ resteren ww. ‘overblijven’. Vnnl. resteren ‘overblijven (van een groter geheel)’ in hoeveele penningen ... resteren ‘hoeveel penningen achterstallig zijn (van de volle som)’ [1519; WNT], ‘overblijven om te doen’ in daeraff ... de helfft noch resteert te maken ‘waarvan de helft nog gemaakt moet worden’ [1562; WNT], ‘overblijven, het overige deel zijn’ in watter overschoot en resteerde [1566; WNT], den resterende ... Burgheren ‘de overige burgers’ [1580; WNT]. Ontleend aan Frans rester ‘overblijven, blijven’, zie hierboven.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rest [overschot] {reste 1452} < frans reste, van rester < latijn restare [achterblijven, blijven, overblijven, resten], van re- [terug] + stare [staan, blijven staan, blijven bestaan].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rest znw. v., sedert Kiliaen < fra. reste, postverbaal nomen bij rester ‘blijven’ < lat. restāre ‘achterblijven, overblijven’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rest znw., sedert Kil. Uit fr. reste (gevormd van rester, lat. restâre “overblijven”). Ook elders ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rest v., uit Fr. reste, verbaalabstr. van rester, Lat. restare = achterblijven: z. raduis en staan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

res (zn.) overschot; Middelnederlands reste <1415-1435> < Frans reste.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

res s.nw.
1. Oorblyfsel, ook as wiskundige term. 2. Ander wat nog tot 'n kategorie behoort. 3. Oorblywende deel.
Uit Ndl. rest (al Mnl. in bet. 1, 1512 in bet. 2, 1577 in bet. 3).
Ndl. rest uit Fr. reste. Ndl. rest in bet. 1 as wiskundige term mntl. deur It. resto beïnvloed. Fr. reste uit Latyn restare 'agterbly, oorbly', met lg. van re- 'terug' en stare 'staan'.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

rest (Frans reste)

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Rest (< Lat. restum). Als math. term gevormd onder invloed van het Ital. resto; voordien waren de gebruikelijke termen reliquum, residuum en superfluum.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Reste, van ’t Fr. reste, van rester, Lat. restare = overblijven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rest ‘overschot, overblijfsel’ -> Duits dialect Reß, Rest ‘een graanhalm die bij het binden is achtergebleven op het stoppelveld’; Negerhollands rest ‘overschot, overblijfsel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rest overschot 1452 [HWS] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal