Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

scheurbuik - (ziekte (scorbutus))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

scheurbuik zn. ‘ziekte (scorbutus)’
Vnnl. scoorbuyck ‘scheurbuik’ in Lepelcruyt ... es seer goet tseghen ... dat scoorbuyck ‘Lepelblad is zeer goed tegen de scheurbuik’ [1554; Dodonaeus], scheur-buyck, schor buyck [1588; Kil.].
Scheurbuik is onder volksetymologische invloed van → scheur en → buik ontstaan uit ouder sc(h)oorbuyck, dat is ontleend aan Middelnederduits schorbuck [1404; Toll.]. Het Nederduitse woord is ontleend aan een Scandinavische taal; vroeg geattesteerd zijn: Oudnoords skyrbjúgr [13e eeuw], Oudzweeds skörbiûgh [ca. 1330] (Nieuwzweeds skörbjugg). Het Oudnoordse woord is samengesteld uit skyr ‘zure melk’ en bjúgr ‘gezwel’: de ziekte werd toegeschreven aan het langdurige gebruik van skyr, de oude Noorse scheepskost tijdens lange zeereizen. De middeleeuws-Latijnse medische term scorbutus ‘scheurbuik’ [1541; Toll.] zou kunnen berusten op oude Nederduitse of Nederlandse vormen zoals het in 1592 in Groningen opgetekende schoerbot (Toll.), eveneens door volksetymologie gevormde samenstelling op grond van de sterke pijnen in het beendersysteem waarmee scheurbuik gepaard kan gaan.
De ziekte die vroeger veel voorkwam op de grote vaart heeft als officiële naam ascorbinezuurdeficiëntie. Een tekort aan vitamine C (oftewel ascorbinezuur, een woord waarin het eerste element een afleiding is van scorbutus) veroorzaakt bloedingen van het tandvlees en de benen, waaraan men uiteindelijk kan bezwijken. In tegenstelling tot wat men oorspronkelijk kennelijk dacht, heeft de ziekte niets met de buik te maken.
De Latijnse naam scorbutus leidde in het Nederlands tot de nevenvorm scheurbuit [1771; iWNT]. Een andere volksetymologisch gevormde variant is scheurbot [1665-71; iWNT]. Het Nederlandse woord is uitgeleend aan het Frans als scuerbuyck [1557; Rey], maar daar later verdrongen door scorbut [begin 17e eeuw; Rey]. Het Engels heeft het ontleend als scorbuicke [1598; OED], maar ook daar is het verdrongen, eerst door scorbut [1597; OED] en later door scurvy.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

scheurbuik [gebreksziekte] {scoorbuyck 1554, scheurbuyck 1588} < middelnederduits schorbuk, dat uit het scandinavisch zal zijn gekomen en teruggaat op oudnoors skyr [soort van hangop] en bjúgr [oedeem]; door volksetymologie geworden tot ‘scheurbuik’. De vorm middeleeuws latijn scorbutus is waarschijnlijk ontleend aan het nl.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

scheurbuik znw. m. o., sedert Kiliaen, mnd. schorbūk; vgl. ook on. skyrbjūgr, nnoorw. skyrbjug, nzw. skörbjugg, nde. skørbug. — Daarnaast nhd. skorbut < mlat. scorbūtus. — Er zijn allerlei min of meer volksetymologische vervormingen, zoals nnl. dial. (Ν. Brab.) scheurbot, (land van Waas) scheurbek, nhd. dial. (Keulen 1534) scharbock.

Neemt men aan, dat de noordgerm. woorden ontleend zijn, dan kan men uitgaan van mlat. scorbūtus en dit verbinden met russ. skrobot ‘krabben, jeuken’, vgl. russ. skorbōta ‘wegterende ziekte’ (maar misschien < germ.). — Ofschoon het on. woord eerst in de 13de eeuw voorkomt, is de naam van deze juist in de poolstreken optredende ziekte toch misschien van noordgerm. herkomst (de aard van de overlevering verklaart, dat een dergelijke ziekte in de teksten niet voorkomt). Daarom overweegt Reichborn-Kjennerud MM 1937, 35-42 en Falk ANF 41, 1925, 123 skand. oorsprong en vermoeden een samenstelling van skyr ‘zure melk’ en bjūgr ‘gezwel’, (weinig overtuigend), waaruit dan door volksetymologie vormen als scheurbuik zouden zijn ontstaan. — Uit nl. sedert de 16/17de eeuw fra. scorbut (Valkhoff 223).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

scheurbuik znw., sedert Kil. Evenals mnd. schorbûk m. (> on. skyrbjûgr m., de. skjørbug, zw. skörbjugg) “scheurbuik” naar buik vervormd uit *schorbût < mlat. scorbûtus, waaruit ook nhd. skorbut (en scharbock) m., Waasch scheurbek, N.Brab. scheurbot, it. scorbuto, spa., port. escorbuto, fr. scorbut, eng. scurvy “id.”. Waarschijnlijker dan de verklaringen uit ndl. scheuren (waarbij -but enz. onverklaard blijft), uit ’t Lapsch of Samojeedsch, uit russ. skrobot “het krabben” is de — eveneens niet zekere — afl. uit de germ. woordgroep van schurft.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

scheurbuik. Hd. scharbock sedert 1534. Een thans verouderd synoniem is blauwschuit (sedert de 16e eeuw); misschien ook een vervorming uit het prototype van scheurbuik of een dicht daarbij staande vorm? (Blauwe vlekken zijn een kenmerk van de ziekte). Kluyver N.T. 7, 42.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

scheurbuik v., volksetym. vervorming uit Mlat. scorbutum (-us), dat teruggaat op Germ. schurft (z.d.w.). Uit Ndl. komt Hgd. scharbock en uit Mlat., Fr. scorbut.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

scheurbek zn. o.: scheurbuik. Ook Waaslands scheurbek. Kiliaan vermeldt naast schorbuyck, scheurbuyck ook scheurmond. Een symptoom is nl. de ontsteking van de mondhoeken, vandaar volksetymologisch -bek < -buik. Dodoens vermeldt in 1554 scoorbuyck, maar al in 1404 komt schorbuck in het Mnd. voor, waaruit in 1534 D. scharbock. Vermoedelijk een ontlening aan 15de-eeuws Skand. skewerbugh, skjörbugh. Het woord is dus niet volksetymologisch ontstaan uit scorbut, maar de medische term scorbutus berust veeleer op Ndl. of Ndd. schoerbot (De Tollenaere).

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

skeurbuik s.nw.
Siekte gekenmerk deur swelling en bloeding van die tandvleis en ingewande, veral vroeër by matrose aangetref as gevolg van 'n gebrek aan vitamien C wat in groente en vars voedsel aanwesig is.
Uit Ndl. scheurbuik (1702). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. scheurbuik het deur volksetimologie ontstaan uit Middeleeuse Latyn scorbutus, wsk. n.a.v. die bloeding van die ingewande wat aan 'n skeur in die buik herinner het.
D. Skortbut (17de eeu).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

scheurbuik (MiddelnederDuits schorbūk)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

scheurbuik. De letterlijke betekenis van dit woord is ‘ziekte veroorzaakt door een ernstig en langdurig tekort aan vitamine C, zich o.a. kenmerkend door gezwollen tandvlees’. Die betekenis is niet gerealiseerd in de verwensing krijg de scheurbuik in een schip vol met goud! Ik vermoed dat daarmee afkeer, verbittering, ergernis, wrevel enz. wordt uitgedrukt. De hedendaagse betekenis is vergelijkbaar met ‘ga toch weg’.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Scheurbuik, benaming van een ziekte in het bloed, zich o.a. kenmerkend door het scheuren van het tandvleesch, en het opengaan van reeds genezen wonden en het losraken van herstelde beenbreuken; vooral vroeger veel voorkomend onder het scheepsvolk. Het woord is overgenomen uit het fra. scorbut en ging dan ook vroeger uit op t (Scheurbuitsvlekken, Chomel, Alg. Wdb. 3261 b, = Maculae scorbuticae). De eigenaardigheid van het opengaan en scheuren gaf waarschijnlijk aanleiding het woord te vervormen tot scheurbuik. Beverwijck in zijn Schat d. Ongesontheit verklaart den naam aldus: “Scheurmont, na den Mont en Scheur-buyck na den Buyck, wiens vlies, in dese Sieckte, somtijds van een scheurt” (2, 82a); “Pijn, gelijck in de tanden, handen, voeten, armen, beenen..., maar insonderheyt in den buyck, door welckers felligheyt het schijnt te scheuren, waarvan ook den naam van Scheurbuyck gekomen is” (2, 84b), en: “In de Blauw-schuyt is dickwils soo groote Pijn in den Buyck, dat hy schijnt te scheuren, gelijck ook wel in het Buyck-vlies ghebeurt is”.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Scheurbuik is een volksetymologie voor ’t M.-Lat. scorbutus, waarvan men den oorsprong niet kent. De ziekte heeft dus met scheuren of buik niets te maken: het is een ziekte in het bloed, die door talrijke bloeduitstortingen in verschillende organen gekenmerkt wordt: het tandvleesch zwelt op, de tanden raken los en op verschillende plaatsen van ’t lichaam ontstaan vlekken of bloedgezwellen. Ook volgt meestal waterzucht. De ziekte ontstaat vooral bij zeelieden door aanhoudend gebruik van scheepsbeschuit en pekelvleesch.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

scheurbuik, schoorbuik ‘ziekte veroorzaakt door een gebrek aan vitamine C’ -> Engels † scorbuch, scorbuicke ‘ziekte veroorzaakt door een gebrek aan vitamine C’; Duits Skorbut ‘ziekte veroorzaakt door een gebrek aan vitamine C’ <via Modern Latijn>; Duits Scharbockskraut ‘speenkruid, oorspr. kruid tegen scheurbuik’;? Deens skørbug ‘ziekte veroorzaakt door een gebrek aan vitamine C’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors skjørbuk ‘ziekte veroorzaakt door een gebrek aan vitamine C’ (uit Nederlands of Nederduits); IJslands skyrbjúgur ‘ziekte veroorzaakt door een gebrek aan vitamine C’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans scorbut ‘ziekte veroorzaakt door een gebrek aan vitamine C’ <via Modern Latijn>; Italiaans scorbuto ‘ziekte veroorzaakt door een gebrek aan vitamine C’ <via Modern Latijn>; Spaans escorbuto ‘ziekte veroorzaakt door een gebrek aan vitamine C’ <via Frans>; Portugees escorbuto ‘ziekte veroorzaakt door een gebrek aan vitamine C’ <via Frans>; Pools szkorbut ‘ziekte veroorzaakt door een gebrek aan vitamine C’ <via Modern Latijn>; Kroatisch skorbut ‘ziekte veroorzaakt door een gebrek aan vitamine C’ <via Duits>; Macedonisch skorbut ‘ziekte veroorzaakt door een gebrek aan vitamine C’ <via Modern Latijn>; Servisch skorbut ‘ziekte veroorzaakt door een gebrek aan vitamine C’ <via Duits>; Sloveens skorbut ‘ziekte veroorzaakt door een gebrek aan vitamine C’ <via Modern Latijn>; Bulgaars skorbut ‘ziekte veroorzaakt door een gebrek aan vitamine C’ <via Duits>; Litouws skorbutas ‘ziekte veroorzaakt door een gebrek aan vitamine C’ <via Modern Latijn>; Maltees skorbut ‘ziekte veroorzaakt door een gebrek aan vitamine C’ <via Italiaans>; Esperanto skorbuto ‘ziekte veroorzaakt door een gebrek aan vitamine C’ <via Frans>; Arabisch (MSA) maraḍ al-isqarbūṭ ‘ziekte veroorzaakt door een gebrek aan vitamine C’ <via Italiaans>; Arabisch (Egyptisch) 'isqarbūṭ ‘ziekte veroorzaakt door een gebrek aan vitamine C’ <via Italiaans>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

scheurbuik gebreksziekte 1554 [Dod.] <Nederduits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal