Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schot - (afscheiding)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schot 1 zn. ‘afscheiding’
Onl. skot, in de vormen scuto, scoto ‘het vangen en opsluiten van andermans vee’ [8e eeuw; LS]; mnl. sc(h)ot ‘opgesloten vee, vee dat in een afgeperkt gebied gehouden wordt’ in dat scot soudemen wouteren leueren ‘het geschutte vee zou men aan Wouter leveren’ [1271-72; VMNW], ‘veeschuur’ in Een huus, enen berch ende een scot ‘een huis, een hooiberg en een veeschuur’ [1339; MNW], ‘houten afscheiding, (middel ter) afsluiting’, eerst in de samenstelling schotporte ‘valdeur in een poort’ in datmen ... Die scotporte liete nedervallen ‘dat men de valpoort zou laten neervallen’ [1300-50; MNW-R], dan als simplex in yseren naghele daer men dat schot aen hanghet ‘ijzeren spijkers waar men het schot aan ophangt’ [1382-87; MNW], dat si bewaren doen die schote ‘dat ze de afsluitingen bewaken’ [1470-90; MNW-R]; nnl. de rivier stuiten door middel van houte schotten [1716; iWNT].
Herkomst onduidelijk. Men neemt algemeen aan dat dit hetzelfde woord is als → schot 2 ‘het schieten’ en dus samenhangt met → schieten, maar de betekenissen wijken sterk van elkaar af. Er zijn geen Middelnederlandse attestaties van schieten met betekenissen die direct aansluiten bij ‘opgesloten vee’, ‘(houten) afscheiding’ e.d.; men kan denken aan de handeling van het afsluiten, bijv. door middel van een snelle verplaatsing of vergrendeling, maar dat lijkt in bovenstaande attestaties alleen van toepassing op de schotporte ‘valdeur’. Afleidingen als beschieten ‘met planken bekleden’, afschieten ‘een ruimte afscheiden van een belendende ruimte’, komen tot aan de 19e eeuw voornamelijk voor als verl.deelw. beschoten, afgeschoten, en lijken dus eerder afleidingen van schot (waarvan de verbogen vormen vroeger schote, schoten luidden) dan van schieten (zie ook → beschot 1 ‘houten bekleding’).
De betekenissen van het woord hangen wél direct samen met die van → schutten, en het verband met schieten moet dan ook via dat woord gezocht worden.
Schot in de hier genoemde betekenissen is oorspr. uitsluitend Nederlands en Nederduits. Hoogduits Schott ‘waterdicht schot in het binnenste van een schip’ [18e eeuw; Pfeifer] is een late ontlening. Het Zweeds heeft de betekenis ‘(waterdicht) schot’ van skott wrsch. in de 17e eeuw aan het Nederlands ontleend [1691]. Fries sket ‘schutting, schot’ hoort rechtstreeks bij skette ‘afperken’, zie → schutten; Fries skod, skud ‘schutting, schot’ is wrsch. ontleend aan het Nederlands of Nederduits.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schot 2 o. (afsluitsel), Mnl. id.: identisch met schot 1. Hier schieten = beschieten (vergel. beschot).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

4skut s.nw.
1. Kamp of kraal waarin verdwaalde vee in amptelike bewaring gehou word teen 'n losprys. 2. Plek of kantoor vir verlore goedere.
In bet. 1 uit verouderde Ndl. schut (al Mnl.). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1849 in bet. 1).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schot ‘tussenwand, scheidswand, afschutting’ -> Duits Schott ‘gescheiden ruimte op een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens skot ‘gescheiden ruimte op een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors skott ‘scheidingswand in vaartuig’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds skott ‘tussenwand, scheidswand (aan boord van schip)’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins kotti ‘tussenwand’ <via Zweeds>; Javaans sekot ‘meetschot, schotbalk in een sponning’; Papiaments skòt (ouder: skot) ‘tussenwand, scheidswand, afschutting’; Sranantongo skotu(n) ‘schutting’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2023. Een schot(je) voor iets schieten (of steken),

d.w.z. een afsluiting of versperring ergens aanbrengen; fig. iets tegenhouden, den voortgang beletten; mnl. iet verscutten; 17de eeuw: schutten; in de Zaanstreek ergens den duim tusschen zetten (Boekenoogen, 183). Een ‘schot’ is een planken afsluiting, een beschot, schutting (vgl. het wkw. afschieten), terwijl ‘schieten’ moet worden opgevat in de beteekenis van snel er voor schuiven. De uitdr. komt in de middeleeuwen voor bij Hild. 212, 9 in den zin van eene afsluiting maken voor iets, en verder overdr. bij Sart. II, 8, 46: hy sal daer, Godt wouds, een schut voor schieten; Hooft, Ged. I, 140: U schoonvader Tijndar schoot een schot voor sulcken quaet; ook Warenar, vs. 805; bij Winschooten, 237: Ik sal daar wel een schot voor schieten: oneigendlijk, ik sal dat wel beletten. Zie verder Vondel, Virg. I, 38: o Bacchus, schiet een schot voor zulck een zwaricheit; II, 18: Het noodlot schiet er een schot voor; W.D. Hooft, Verl. Soon, 13; Asselijn, 232; 235; 239; Tijdschr. VIII, 122; H.S. 50: Ik zal daar een schotje voor leggen; C. Wildsch. I, 61; V. Janus, 143: Daar hoop ik een schutjen voor te steeken; Sewel, 710: Ik zal 'er een schot voor schieten, I'll put a stop to it; I will prevent it; Halma, 578: Ik zal daar een schut voor schieten, j'empêchera que cela n'arrive; in het fri.: ik scil dêr in skoatteltsje (grendel) foar strike of ik scil dêr in boerdtsje foar skutte; in Limb. er iemand een spijken vóór zetten ('t Daghet XII, 111); hd. der Sache einen Riegel vorschieben; einen Pflock vor etw. stecken. Syn. in de 16de eeuw een scof scuven voor of tegen iets (zie Despars I, 280; V. Ghistele, Virg. Aen. 123 b); in de 17de eeuw: een knoop slaan voor iets (Doeden, 15).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal