Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schutter - (persoon die schiet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schutter zn. ‘persoon die schiet’
Mnl. schuttre ‘iemand die met pijl en boog schiet’ [1240; Bern.], met scutte ‘met boogschutters’ [1285; VMNW].
De oorspr. vorm is mnl. sc(h)utte ‘iemand die schiet’, een regelmatige afleiding met nultrap en umlaut bij de wortel van het werkwoord → schieten. Doordat -te niet meer werd aangevoeld als achtervoegsel dat de handelende persoon aanduidde, werd het vervangen door -er (zie → -aar), dat zeer productief was in het vormen van nomina agentis uit werkwoorden. De oorspr. vorm is verouderd, maar is nog herkenbaar in familienamen als Schut, Wildschut e.d.
Mnd. schütte; ohd. scuzzo (nhd. Schütze); oe. scytta; on. skyti; alle ‘iemand die schiet, boogschutter’, < pgm. *skutja(n)-.
De oorspr. betekenis is ‘iemand die met pijl en boog schiet’, zoals tegenwoordig nog in de samenstelling boogschutter. Met de zich ontwikkelende techniek ging de betekenis over in ‘iemand die met een vuurwapen schiet’. Bij uitbreiding nam schutter in het Vroegnieuwnederlands de betekenis ‘lid van de burgerwacht’ aan. De schutterij ‘burgerwacht’ was een door de plaatselijke overheid aangesteld corps van wapenvaardige burgers dat tot taak had de stad en de omgeving te verdedigen en de orde te handhaven.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schutter* [die schiet] {schutter, schotter 1201-1250} naast middelnederlands schut(te), vgl. oudhoogduits scuzzo, oudfries sketta, oudengels scytta; van schieten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schutter znw. m., mnl. scutter(e) m. is een jongere vorm naast het oudere scutte, onfrank. scutto (vgl. scutton ‘sagittareʼ), mnd. schutte, ohd. scuzzo (nhd. schütze), ofri. sketta, oe. scytta < germ. *skutjan, afgeleid van schieten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schutter znw., mnl. scutter(e) m. “persoon die schiet, schutter”. Opgekomen naast ouder scutte m. “id.” (nog als eigennaam bewaard) = onfr. *scutto (waarbij scutton “sagittare”), ohd. scuzzo (nhd. schütze), mnd. schutte, ofri. sketta (in samenst.), ags. scytta m. “id.”, wgerm. *skutjan-.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schutter m., onder invloed der namen op -er, uit schutte + Hgd. schütze: van ʼt mv. imp. van schieten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjötter (zn.) schutter; Vreugmiddelnederlands schuttre <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1skut s.nw.
Persoon wat skiet, veral een wat bedrewe daarin is.
Uit verouderde Ndl. schut (Mnl. scutte); die huidige vorm is schutter. Ndl. schut
het dieselfde stam as schieten 'skiet'. Eerste optekening in vroeë Afr. op 29 Januarie 1798 in die meervoudsvorm schuts (Scholtz 1972: 163), waarna in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skut I: – skutter – , iemand wat skiet; Ndl. schut (i. dié bet. sedert 17e eeu veroud. en d. schutter vervang), Hd. schütze, hou verb. m. skiet en skot I.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

schutter: rare, saaie schutter: rare of saaie vent. Schutter is ook een benaming voor een ‘onhandig, onbeholpen persoon’. Schutter wordt hier gezien als een niet-professioneel militair.

Komisch doet daarbij aan wat een der heeren die een rare schutter blijkt, wil: om der wille van de rechtvaardigheid der evenredige vertegenwoordiging moet spr. zijn zetel overlaten aan de Staatspartij, die zoo heftig zich tegen evenredige vertegenwoordiging verzet! (Het Volk, 21/06/1917)
In zijn jongeren tijd was Leo Waterman een rare Schutter. (Het Vaderland, 15/10/1921)
‘Vraag hém maar niks.’ Reep rolde zich om. ‘Dat is zoo’n saaie schutter de laatste tijd. Waarom die al niet lang de beenen genomen heeft en naar Engeland overgestoken is, snap ik nog niet.’ (Cissy van Marxveldt, Een zomerzotheid, 1927)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schutter ‘persoon die schiet’ -> Fries skutter ‘persoon die schiet’; Javaans seketer, sekoter, sekotor ‘persoon die schiet’; Papiaments sketer (ouder: schutter) ‘persoon die schiet’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schutter* persoon die schiet 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal