Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sik - (geit, dun baardje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

sik zn. ‘klein baardje’
Nnl. sikje ‘klein baardje als dat van een geit’ in als een sikje aan de kin [1773; iWNT], sik ‘geit’ óf ‘klein baardje’ in de naam voor een zeker dienstbodemutsje in Myne Kameraat draagt ... een gaaze sikkebaartje met een zwart mutsje daar onder [1775; iWNT], sik, sikkie, siek ‘geit’, sikkebok ‘geitenbok’ (Zaans) [alle 1897; Boekenoogen].
Herkomst onduidelijk. Ondanks de relatief late attestatie (1897) neemt men meestal aan dat ‘geit’ toch de oorspr. betekenis is en dat het baardje naar de geit is genoemd, vanwege de gelijkenis met het plukje haar dat geiten onder kun kin hebben. Het woord is dan ontleend aan de Duitse dialectvorm Zicke ‘vrouwtjesgeit’ (Oud- en Middelhoogduits zickīn, Middelnederduits zi(c)ken), een afleiding van Oudhoogduits ziga ‘geit’. Een andere mogelijkheid is dat sikkebaard in zijn geheel is ontleend aan Duits Ziegenbart ‘geitenbaard’ [1765; Grimm] en in het Nederlands al snel is verkort tot sik(je).
In de betekenis ‘geit’: ohd. ziga (mhd. zige, nhd. Ziege), vanwaar ook mnd. sege, tzege, zege, schege, oostelijk mnl. tseghe, seghe, zeghe, en nfri. sik. In de betekenis ‘klein baardje’ verder alleen nfri. sik [1845; WFT].
De verdere herkomst van het Duitse woord voor ‘geit’ is onzeker. Mogelijk is het ontstaan als lokroep. Misschien verwant met Thracisch diza ‘geit’, Armeens tik ‘zak (van geiten- of een andere dierenhuid)’, maar de geografische afstand en het ontbreken van andere verwante vormen maken deze hypothese weinig waarschijnlijk. Ook wordt wel een Vroeggermaanse oorsprong verondersteld met een grondbetekenis ‘wijfje van kleine huisdieren’: on. tík ‘vrouwtjeshond, teefje’ (nno./nzw. tik ‘id.’), nno. dial. tikka ‘ooi’, tiksa ‘ooi, teef’, oe. ticcen ‘geitje’ (ne. dial. tyke ‘bastaardhond’). Volgens Hellquist zijn tik en tikka niet met elkaar verwant, en bestaat er evenmin verwantschap tussen nno. tikka, dat verbonden moet worden met nzw. tacka ‘ooi’, en nhd. Ziege. De skand. woorden zijn wrsch. ontstaan o.g.v. de lokroep voor schapen en geiten, bijv. nzw. dial. tikkera/ takkera. Zie ook → teef.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sik1 [geit, dun baardje] {1773 in de betekenis ‘geit’; de betekenis ‘baardje’ 1798} < hoogduits Zicke, oudhoogduits ziga (hoogduits Ziege), naast oostmiddelnederlands tsege, sege, zege [geit], middelnederduits tzege, sege en middelnederduits tike, oudnoors tik [teef]; vermoedelijk ontstaan uit een lokroep. Het baardje is naar de geit genoemd, omdat het lijkt op de beharing die geiten onder hun kin hebben.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sik znw. v., sedert de 18de eeuw, evenals mnd. sickel, tzicken ‘geitjeʼ < nhd. zicke v., zicklein o., vgl. ohd. zickin o., oe. ticcen o. Een andere ontlening is mnl. sēghe, zēghe, tsēghe (nog achterh.) en mnd. sēge, tzēge v. < mhd. zige (nhd. ziege). Germ. *tig voert men terug op idg. *digh en vergelijkt gr. thrac. díza, terwijl arm. tik ‘zak uit dierevelʼ < idg. *dig (IEW 222).

De bet. ‘teefʼ hebben mnd. tike, me. ne. dial. tike, on. tīk, nnoorw. tik, ode. tik, tig. Men kan deze woorden niet van die voor ‘geitʼ scheiden; grondbet. is dan ‘wijfje van kleine huisdierenʼ. Het affectieve gebruik bewerkte verscherping van de slotcons. zoals oe. ticcen ‘geitjeʼ en noorw. dial. tikka ‘schaapʼ, tiksa ‘schaap, teefʼ. — Opmerkelijk is de verhouding tot geit; structuur van deze woorden d-gh en gh-d. Wackernagel dacht daarom, dat germ. *tigō een omkering van geit zou zijn geweest; daartegen pleit reeds de bet. van ‘teefʼ, die op vele plaatsen voorkomt, zodat men als grondbet. zal mogen aannemen ‘wijfje van kleine huisdierenʼ; bij Franken en Angelsaksen dan in het bijzonder voor ‘vrouwelijke geitʼ. Uitgangspunt van dit woord schijnt het rijnfrank. te zijn geweest, maar ook het oostfrank. van Tatian heeft ziga (J. Hubschmid, Vox Romana 14, 1, 1954, 189 vlgg.). — Het is niet waarschijnlijk, dat men voor een zo lokaal beperkt woord aanknoping aan thracische woorden mag zoeken; eerder kan men denken aan een spontaan ontstaan hypokoristisch woord (bijv. als lokroep) en dan kan men vergelijken formaties als on. titlingr ‘musʼ, ne. tit ‘kleine vogelʼ, nnoorw. dial. tita ‘kleine visʼ naast mnl. titlinc ‘kleine stokvisʼ, vla. tieter ‘klein kindʼ. — De naam sik voor ‘kinbaardʼ is hetzelfde woord als dat voor ‘geitjeʼ (misschien langs een tussenvorm sikbaard).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sik znw., nog niet bij Kil. Evenals mnd. sickel, tzicken, tzicke-lîn o. “geitje” uit hd. zicke v., gew. zicklein o. “id.” < ohd. zickîn o. = ags. ticcen o. “id.”. Demin. van ohd. (frank.) ziga (nhd. ziege) v. “geit”. Uit ’t Hd. ontleend zijn: mnd. sēge, tzēge v., mnl. sēghe, zēghe, tsēghe v. “id.”, nog dial. (achterh.), door Kil. “Sax. Sicamb.” genoemd. Men combineert gr. diza· aíx. lákōnes (Hes.), arm. tik “zak uit een dierevel, doedelzak” (voor de bet. vgl. fr. bouc “bok, boksvel”, po. kozieł “bok, doedelzak”, russ. kozȧ “geit, doedelzak”); wij zouden dan wsch. tweeërlei idg. grondvormen, met q en g, moeten aannemen. De combinatie met russ. díkij “wild”, lit. dykas “zonder bezigheid, overmoedig, dartel” is niet onmogelijk, maar te vaag om wsch. genoemd te worden. — Sik “kinbaard” is ’t zelfde woord.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

sik. “Lit. dykas”, lees: dỹkas.- Het is mogelijk, maar niet zeker, dat sik ‘kinbaard’ uit ouder sik(ke)baard is verkort.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sik 1 v. (geit), uit Hgd. zicke + Ags. ticcen: dimin. van ziege: z. zeeg 1.

sik 2 v. (kinbaard), hetz. w. als sik 1.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sik (Duits Zicke)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Sik, vooral als aanspreking, voor geit, uit hgd. Zicke, Zicklein, oude verkleinvormen van hgd. Ziege = geit; eerst na Ki1. overgenomen; wel waren reeds in ’t mnl. overgenomen de vormen seghe, zege, tseghe. Sik, sikje, voor spitsbaardje aan de kin, is van ditzelfde woord, uit sikkebaardje (?) verg. geitenbaardje; verg. voor derg. gemeenzame verkortingen: Baker (= -moeder), Erfurther dwerg (= -bloemkool, Versl. Landb. 1909, 1, 233). Jood (== Jodenkoek), kaas (= -bol, Boekenoogen, Zaanl. Taaieigen), Kweek (= kweekschool), minne (= minnemoer), opper (= opperwachtmeester), pleeg (= pleegzuster), veld (= veldartillerie), slaap (= slaapkameraad), vergiet (= vergiettest), vleugel (vleugelpiano), zie ook bij Muisjes.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sik geit 1773 [WNT]

sik dun baardje 1798 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal