Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slachten - (doden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

slachten ww. ‘doden van vee’
Mnl. eerst alleen de afleiding slagtinge ‘het doden van één of meer mensen’ [1240; Bern.], dan slachten ‘vee doden om het vlees’ [1477; Teuth.]; vnnl. slachten ‘id.’ [1573; Thes.].
Afleiding van het zn. slacht in de betekenis ‘het doden van één of meer mensen’, zoals in vaderslagt ‘vadermoord’ [1240; Bern.] en Na de slacht van so menegen man ‘na het doden van zoveel mensen’ [1393-1402; MNW-R]. Dit is zelf een abstractum bij mnl. slaen in de verouderde betekenis ‘doden, doodslaan’, zie → slaan.
Mnd. slachten; ohd. slahtōn (nhd. schlachten). Bij het zn.: os. (man-)slahta ‘het doden’ (mnd. slacht); ohd. slahta ‘het doden, slachting, gevecht’ (nhd. Schlacht ‘veldslag’); ofri. slachta ‘het slaan van munten’, slachte ‘geslacht’; on. slátta ‘het maaien’; < pgm. *slah-tō-, een afleiding van *slahan- ‘slaan’. Daarnaast met andere achtervoegsels pgm. *slah-tu-, waaruit on. sláttr ‘het maaien’ (nzw. slåtter); pgm. *slah-ti-, waaruit: oe. slieht ‘het slaan, slachting’ en mogelijk ook het Nederlandse woord; en met ablaut pgm. *sluh-ti-, waaruit got. slauhts ‘het slachten’.
Het werkwoord kreeg al gauw de nauwere betekenis ‘doden van vee’. Onder invloed van dit werkwoord beperkte ook het zn. slacht zijn betekenis tot ‘het doden van vee’, terwijl slachting zijn oude betekenis behield en terwijl afslachten ook voor mensen wordt gebruikt.
Een andere, eerder geattesteerde en frequentere betekenis van mnl. slacht was ‘soort, aard; geslacht’, zie → geslacht. Hierbij hoorde eveneens een afleiding mnl. slachten ‘lijken op, aarden naar’, die inmiddels in de standaardtaal verouderd is.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slachten2* [doden] {1477, vgl. slagtinge 1201-1250} middelnederduits slachten, oudhoogduits slahton, afgeleid van een zn. middelnederlands slacht(e) [slag, doodslag, slachting], vgl. middelnederduits sluchten, afgeleid van de germ. grondvorm van slaan (vgl. geslacht).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slachten 1 ww. ‘doden’, mnl. slachten ‘slachten, doden’, volgens Kiliaen Sax. Sicamb. Fris. Holl., Teuth. slahton, mnd. slachten, ohd. slahtōn (nhd. slachten) is een afl. van germ. *slahtō, waarvoor zie: slacht. Zo vormt on. slātr o. ‘slachtvlees’ het uitgangspunt van slātra ‘slachten’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slachten I (dooden), door Kil. “Sax. Sicamb. Fris. Holl.” genoemd. = Teuth. slachten, ohd. slahtôn (nhd. schlachten), mnd. slachten “slachten”. Van germ. *slaχtô- (slacht). Vgl. ook on. slâtr o. “vleesch van geslacht vee”, slâtra “slachten”; uit ’t Ngerm. eng. to slaughter “id.”. Vgl. verder nog bij geslacht.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slachten 1 o.w. (doodslaan), denom. van slacht = slachting, staande tot slaan als zicht tot zien + Hgd. schlacht. Uit Skand. Eng. slaughter.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2slag ww.
1. Doodmaak, ontvel en opsny vir vleis. 2. Bloedig doodmaak.
Uit Ndl. slachten (al Mnl. in bet. 1, 1774 in bet. 2). Eerste optekeninge in Afr. by Pannevis (1880) in die afleiding slagdingetjie en in Patriotwoordeboek (1902).
D. schlachten, Eng. slaughter (1535 in bet. 1). Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1850 in bet. 1 en 2).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Slachten (vee slachten), van slacht (bijv. Slachtmaand; wij zijn in de drukte van de „slacht”) en dit een afl. op t van ’t oude slahan (zie Slaag), vgl. ’t Os. man-slahta = manslag; slachten is dus letterl.: het vee doodslaan; later: het vee voor gebruik dooden (de wijze van dooden werd uitgebreid, o.a. ook door: snijden, steken; het doel van ’t dooden werd echter beperkt: voor comsumptie).
Ook de bet.: aarden na: „hij slacht zijn vader wat”, is hetzelfde woord; in ’t Ohd. zei men bijv.: „nah den fordoron slahan” = naar de vaderen slaan, d.i. denzelfden aard hebben; vandaar: geslacht = geaardheid, soort, afstamming; evenals slag = soort: „van allerlei slag. De afl. van slagen: in zijn pogingen, voor een examen, enz. is niet duidelijk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slachten ‘doden voor consumptie’ -> Deens slagte ‘doden voor consumptie; opsplitsen (van land of bedrijf)’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors slakte ‘doden voor consumptie’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels slag ‘doden van dieren voor consumptie’ <via Afrikaans>; Negerhollands slacht, slaa, slagt ‘doden voor consumptie’; Sranantongo srakti (ouder: slakti, slagti) ‘doden voor consumptie’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slachten* doden voor consumptie 1477 [Teuth.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1157. Iemand kisten,

een sportuitdrukking in den zin van totaal, met groote meerderheid overwinnen, geheel verslaan, slachten. Vgl. Handelsblad, 17 Febr. 1918 (O) p. 6 k. 6: Welaan dan Blauw-Witters, ferm er op. ‘Laat je niet kisten’, heet het in de voetbaltaal. Heel Amsterdam ziet uit naar een overwinning der stadion-bewoners! De Amsterdammer, 15 April 1922, p. 2: De socialisten die waren van plan om heet uit de pan de heele regeering te kisten. Syn. is inmaken en inzouten. Vgl. Handelsblad, 10 Januari 1920 (O) p. 6 k. 4: De Arnhemmer (biljartspeler) leek zeer ingespeeld en maakte den indruk of hij Wiemers nu maar ineens ‘in zou maken’; 14 Febr. 1915 (O) p. 10 k. 5: Het wil er bij ons nog maar niet in, dat Quick ‘wel ingemaakt’ zou worden, zooals de voetbalterm luidt; 10 Dec. 1916 (O) p. 7 k. 3: Hercules speelt tegen D.F.C. Ja, na de jongste nederlaag tegen Haarlem zou men geneigd zijn te denken, dat, nu D.F.C. dáár komt, het wel een ‘inmaakpartij’ moet worden; Propria Cures, 26 Jan. 1918, p. 118: Mocht de veteraan Salomonson al z'n gewone vorm niet te pakken hebben, onze ploeg deed z'n best en wist achtereenvolgens Delft en de Adelborsten in te zouten.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal