Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slagen - (gelukken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

slagen ww. ‘gelukken’
Vnnl. slagen ‘lukken’ in dat my slaechde tot mijnder voordeel ‘wat mij goed gelukt is’ [1596; iWNT], Wanneer een Houwelijck niet wel en slaeght ‘wanneer een huwelijk niet goed uitvalt’ [1634; iWNT], ‘een doel bereiken’ in dat [gij] met dien drucker soo qualick geslaeght zyt ‘dat u (in de onderhandelingen) met die drukker zo weinig succes hebt gehad’ [1672; iWNT]; nnl. 't Eenigste, waar ... onze Toneelschryvers in geslaagt hebben, zyn kluchten [1732; iWNT kluchtspel], i.h.b. ‘met succes examen doen’ in hij is voor 't Fransch geslaagd [1872; Van Dale].
In het Middelnederlands en het Vroegnieuwnederlands en nu nog in BN komt slagen voor als zeldzame nevenvorm van → slaan, gevormd onder invloed van het verl.deelw. geslagen. Volgens FvW moet men dan denken aan een overgang ‘slaan’ > ‘treffen, raken’ > ‘een doel bereiken’. Het komt vaker voor dat twee oorspronkelijke nevenvormen elk met een eigen betekenis voortbestaan (bijv.meid naast → maagd, → neut naast → noot 2, → rede naast → reden). Maar slagen ‘slaan’ is sterk, terwijl slagen ‘succes hebben’ zwak is, wat suggereert dat het werkwoord in die laatste betekenis een afleiding is van slag, mogelijk in de betekenis ‘goede gelegenheid’ zoals in heeft zijn slach ghesien ‘heeft zijn slag geslagen’ [1602; iWNT] en dat wy so slaegs rochten om ‘dat wij er zo in slaagden om’ [1662; iWNT]. Volgens NEW kan men dan denken aan de betekenis slag ‘wagenspoor’, vanwaar slagen ‘het spoor volgen en daarmee zijn doel bereiken’.
Ontlening aan Hoogduits schlagen ‘slaan’ is niet mogelijk; de Nederlandse betekenis komt daar niet voor.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slagen* [gelukken] {hant slagen [in de handen klappen (als uiting van verdriet)] 1201-1250; de huidige betekenis 1596} in het middelnl. een zeldzame bijvorm van slaen, ontwikkeld uit het verl. deelw. geslagen; de betekenis ontwikkelde zich van ‘slaan’ via ‘raken, treffen’ tot ‘succes hebben’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slagen ww. ‘zijn doel bereiken’, mnl. slāghen (zelden), Kiliaen slāghen, nog dial. slagen ‘slaan’. Ook het vla. slaan heeft de bet. van ‘slagen’, vgl. westf. sik slagen ‘gebeuren, in orde; komen’. — Het ww. is gevormd naar het sterke verl. deelw. geslagen.

FW 612 construeert de bet. ontw. als: ‘slaan’ > ‘treffen, raken’ > ‘succes hebben’. Zou men niet eerder moeten inschakelen de bet. van ‘spoor, weg’ van het znw. slag? Dan zou men kunnen denken aan ‘het spoor volgen en daarmee zijn doel bereiken’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slagen ww., in de tegenw. bet. nog niet bij Kil. = mnl. (zeldzaam) slāghen, Kil. slaghen, nog dial. slagen “slaan”; deze praesensstam is gevormd naar het sterke verl. deelw. met g, evenals hd. schlagen. Een oorspr. zwak ww. = ohd. slagôn “slaan” (denominatief) is onwsch. Vgl. voor de bet. vla. slaan “slagen” en ook on. slø̂gr znw. m. “voordeel”, bnw. “listig”, westf. sik slagen (zwak) “gebeuren, in orde komen”, te slage kuǝmen “klaar komen”. De bet. “treffen, raken” vormde wsch. den overgang tusschen “slaan” en “succes hebben”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slagen ono.w., denom. van slag 2 = kans; vergel. Hgd. verschlagen, Eng. sleight = behendig.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Slachten (vee slachten), van slacht (bijv. Slachtmaand; wij zijn in de drukte van de „slacht”) en dit een afl. op t van ’t oude slahan (zie Slaag), vgl. ’t Os. man-slahta = manslag; slachten is dus letterl.: het vee doodslaan; later: het vee voor gebruik dooden (de wijze van dooden werd uitgebreid, o.a. ook door: snijden, steken; het doel van ’t dooden werd echter beperkt: voor comsumptie).
Ook de bet.: aarden na: „hij slacht zijn vader wat”, is hetzelfde woord; in ’t Ohd. zei men bijv.: „nah den fordoron slahan” = naar de vaderen slaan, d.i. denzelfden aard hebben; vandaar: geslacht = geaardheid, soort, afstamming; evenals slag = soort: „van allerlei slag. De afl. van slagen: in zijn pogingen, voor een examen, enz. is niet duidelijk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slagen ‘gelukken; examen met goed gevolg afronden’ -> Fries slagje ‘gelukken’; Papiaments slag ‘het examen met goed gevolg afronden’; Surinaams-Javaans slakh ‘gelukken, geslaagd zijn’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slagen* gelukken 1596 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal