Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spreuk - (zinrijk gezegde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

spreuk zn. ‘zinrijk gezegde’
Mnl. ambrosius seit in sire sproke ‘Ambrosius vertelt in zijn verhaal’ [1287; VMNW], Sprac eene sproke ‘deed een uitspraak’ [1300-25; MNW-R]; vnnl. eenen volcomen sprueck ‘een volledige uiting’ [1552; iWNT tusschenzetten], spruek ‘(rechterlijke) uitspraak’ [1560; Vereeninge], spreuck oft spreeckwoordt ‘zin, stelling, spreekwoord, zinrijk gezegde’ [1573; Thes.], Spreucke, sproke ‘spreuk, spreekwoord’ [1599; Kil.].
Ablautende afleiding met nultrap bij de wortel van → spreken, eigenlijk ‘wat gesproken wordt’.
Mhd. spruch ‘vertelling, verhaal’ (nhd. Spruch), met metathese; < pgm. *spruki-.
sprookje zn. ‘vertelsel met sprekende dieren, bovennatuurlijke wezens enz.’. Vnnl. sproockjen ‘verdichtsel’ [1609; iWNT], Paeyt men het bedeest gepeupel Met sprookjes ...? ‘stelt men angstige mensen gerust met leugenachtige verhalen’ [1625; iWNT], Sprookje van Reyntje de Vos [1627; iWNT]. Verkleinwoord bij mnl. sproke ‘vertelling’. Dat woord werd van oudsher met de klinker van nnl. spreuk uitgesproken (door i-umlaut van Proto-Germaans *u); pas in het Vroegnieuwnederlands werd voor deze klank de spelling -eu- algemeen gebruikelijk, zoals bijv. ook in vnnl. breucke < mnl. broke bij breken, zie → breuk. Vnnl. sproockje zal aanvankelijk een woord uit de schrijftaal geweest zijn, waarin men de Middelnederlandse spelling herintroduceerde en waarvan de uitspraak zich naar de spelling richtte (FvW).
Lit.: Vereeninge (1560), Broederlicke vereeninge van sommighe kinderen Gods, z.pl., Liiiiv

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spreuk* [zegswijze] {sproke 1287, spreuck 1593} van spreken.

sproke* [het Middel-Nederlandse verhaal in verzen] {sproke [wat men zegt, uiting, vertelling] 1287} naast spreuk; van spreken.

sprookje* [verzonnen vertelling] {1610} verkleiningsvorm van sproke.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spreuk znw. v., mnl. sprōke, sprooc ‘het gesprokene; gezegde, uitspraak, verhaal, gedicht’, mnd. spröke ‘het spreken, verhaal, spreuk, spreekwoord’, mhd. spruch ‘het gesprokene, spreuk, spreekwoord, gedichtje’. — De nnl. nnd. vorm wijst op *spruki. afl. van spreken, zie ook: sproke.

sproke znw. v. (verouderd), mnl. sprōke ‘kort verhaal, gedicht’, waarvan sprookje. Zo ook mnd. sprōke ‘het spreken, verhaal, spreuk’. Het woord staat naast spreuk en blijkens het mnd. sprōke naast spröke niet als een soort van schrijfuitspraak, maar uit een afwijkende stam *sprukō. — Zie ver der: spreken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spreuk znw., mnl. sprōke, sprȫke m. v. “wat iemand zegt, spreuk, vertelling, gedicht”. = mhd. spruch m. “het gesprokene, spreuk, spreekwoord, gedichtje” (nhd. spruch), mnd. sprōke m. “het spreken, verhaal, spreuk, spreekwoord”. Staat tot spreken als breuk tot breken. De vorm sprook, sproke is hetzelfde woord: de uitspraak richtte zich naar den mnl. geschreven vorm; minder wsch. is een afwijkende grondvorm *sprukô- of zoo.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spreuk v., Mnl. sproke, van denz. stam als ’t v.d. van spreken.

sprook v., Mnl. sproke: z. spreuk.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Spreuk, sprook, spraak, van spreken, waarvan de oorsprong niet duidelijk is.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spreuk ‘zegswijze’ -> Fries spreuk ‘zegswijze’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spreuk* zegswijze 1287 [CG NatBl]

sprookje* verzonnen vertelling 1610 [WNT]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

*(s)p(h)ereg-, (s)p(h)erǝg-, (s)p(h)rēg- (nas. spreng-) ‘zucken, schnellen’ und ‘streuen, sprengen, spritzen’, g-Erw. zu sp(h)er-

A. Mit Schallbedeutung:
Ai. sphū́rjati, sphūrjáyati (‘bricht hervor, kommt zum Vorschein’ und) ‘prasselt, knattert, dröhnt’; sphū́rja-, sphū́rjaka- m. ‘eine bestimmte Pflanze’; Schallbed. auch gr. σφαραγέομαι ‘strotzen (von vollen Eutern’ und) ‘prasseln, zischen, mit lautem Knalle zerplatzen’;
lit. sprãga, -ė́ti ‘prasseln, krachen’, Kausat. sprãginti ‘prasseln machen, rösten’; ablaut. sprógti ‘platzen’; lett. sprâgt und sprêgt ‘bersten’, spruogt ‘knospen’, lit. spùrga f. ‘Hopfenblüte’, lett. spurdzes f. Pl. ds.; spurgt ‘spritzen’; urslav. *pragnǫ, *pragnǫti in čech. prahnouti ‘verdorren, schmachten’, ON Praha ‘gerodete Stelle’; Kausat. slov. prážiti ‘schmoren’, ablaut. serb. pȑžiti ‘rösten’ (urslav. *prъžiti);
В. alb., germ. und kelt. vom Sprechen: alb. shpreh ‘ich spreche aus’ (*spreg-sk-); aber cymr. ffraeth (*spreg̑h-to-) ‘schnell, bereit’, bret. fraez, freaz ‘deutlich’, corn. freth ‘lebhaft’ gehören zu sperg̑h- S. 998; cymr. ffreg ‘Geschwätz’ hat unklares -g (aus *-k); ags. sprecan, as. sprekan, ahd. sprehhan ‘sprechen’, ags. sprǣc, as. sprāca, ahd. sprāhha ‘Sprache’ (daneben Formen ohne r unklarer Geschichte: ahd. spehhan, ags. specan ‘sprechen’, spǣc ‘Rede’, engl. to speak, speech, mhd. spaht ‘Geschwätz, lauter Gesang’, spehhen ‘schwätzen’); in allgemeinerer Schallbed. aisl. spraka ‘prasseln’ (spraki ‘Gerücht’), dän. sprage ‘krachen, knistern’.
C. In anderen Bedeutungen:
ai. sphū́rjati ‘bricht hervor, kommt zum Vorschein’ (s. oben); parāgas ‘Blütenstaub’;
av. sparǝga- ‘Sproß’ (‘von den Widerhaken unterhalb der Pfeilspitze’), frasparǝɣa- ‘Schößling, Zweig’;
gr. σφαραγέομαι ‘strotzend voll sein, von Eutern’, σπαργάω ‘strotzen (von Saft, Milch), vonBegierde, Leidenschaft geschwellt sein’, σπαργαί· ὀργαί· ὁρμαί Hes., σποργαί· ἐρεθισμοὶ εἰς τὸτεκεῖν Hes., ἀσπάραγος, ἀσφάραγος ‘junger Trieb; Spargel’;
lat. spargō, -ere ‘streuen, hinstreuen, sprengen, spritzen’;
mnd. sparken ‘Funken sprühen, funkeln’, ags. spearcian ds. (engl. sparkle), spircan ‘Funken sprühen, spritzen’, mnd. sparke, ags. spearca (engl. spark) ‘Funke’, nasaliert mnd. spranken ‘funkeln’, mnl. spranke ‘Funke, das Aussprühen, kleiner Fleck’;
aisl. sparkr ‘lebhaft, rührig’, aisl. sprǣkr, norw. sprǣk, schwed. dial. spräker ‘lebhaft’, auch ‘strahlend, glänzend’, dän. dial. spræg ‘hochmütig, prahlend’ (*sprēgi-); engl. sprinkle ‘sprengen, besprengen, sprühen’, schwed. dial. spräkkel ‘Fleck’ (‘*Spritzer’), spräckla ‘dieMasern’, norw. und nisl. sprekla, mhd. spreckel ‘(Haut)-fleck’, nasal. mhd. sprinkel, sprenkel ‘Sprenkel, Fleck’; r-lose Formen sind mnd. spinkel = sprinkel, mnl. spekelen ‘besprengen’, nl. spikkel ‘Fleck, Sprenkel’, ags. specca ds., lit. spúogas ‘Fleck, Punkt’; - ohne anl. s, und gleichzeitig als Variante neben *perk̑-, *prek̑- ‘gesprenkelt’ (S. 820 f.): aisl. freknōttr ‘sommersprossig’, norw. und nisl. frekna ‘Sommersprosse’, engl. freak ‘gestreift machen’;
ags. spræc n. ‘Sproß, Zweig’, spranca m. ds. (sprincel ‘basket-snare’); auf der Bed. ‘prasseln, knistern, bersten’ beruht norw. sprek ‘dürres Reisig’, aisl. sprek ‘morsches Holz’, ahd. sprahhula ‘Splitter, Spreu’, mnd. sprok, sprokkel ‘Reisig’; holl. sprokkig ‘spröde’, sprokkeln ‘bersten’, norw. dial. sproka, sprokka ‘Sprung, Spalt’, ags. forspiercan ‘trocknen, dörren’; mnl. sporkel ‘Februar’ (wohl vom Knospensprießen, vgl. engl. spring ‘Frühling’), nd. sprickel ‘Reisig, trockener Zweig’;
vgl. auch ags. spracen ‘Erle’, norw. sprake ‘Wacholder’, ahd. sporah, spurcha ds., auch (‘zuckend, schnellend, elastisch’) ahd. houue-spranca ‘locusta (Heuhüpfer)’, as. sprinco ds., mnd.spranke, sprinke, sprenkel ds.; mhd. sprinke ‘Vogelfalle’, nd. nhd. Sprenkel ds.; nd. sprenkel ‘Klemmholz’;
ahd. springa ‘pedica’, älter nhd. Sprengel ‘Vogelfalle’, engl. springe, springle ‘Vogelschlinge’ sind von springen beeinflußt;
lett. spir̃gt ‘frisch werden, erstarken’, spir̃g(t)s ‘frisch, munter, gesund’; spir̃gsti (pirgsti) ‘glühende Kohlen unter der Asche’; spir̃gulis ‘Splitter’ (‘*Weggespritztes’); spridzinât ‘umherspritzen, schnellen’, spridzîgs ‘rasch, munter’; spur̃guls ‘kleines, munteres Kind’, spę̄rgans ‘spröde, munter’; lit. sprõgis, lett. spradzis ‘Erdfloh’;
D. ohne anlaut s- vgl. noch: ai. parjánya- ‘Regenwolke (spritzend, besprengend); der Regen- und Gewittergott’ (s. oben S. 819, 823); air. arg ‘Tropfen’, mcymr. eiry, cymr. eira ‘Schnee’, acorn. irch, ncorn. er, bret. erc’h ds. (*pargo-, *pargi̯o-); wohl auch aksl. prъga ‘neuer Kornansatz des Weizens’, russ. pergá ‘Blütenstaub’ u. dgl.; aksl. is-prъgnǫti ‘herausspringen’, poln. pierzgnąć ‘bersten, aufspringen (Haut)’; nas. abg. vъs-pręgnǫti ‘hervorsprießen’, prǫgъ ‘Heuschrecke’; als ‘schnellend’ aksl. prǫglo ‘tendicula, Sprenkel’, russ. prúga, pružina ‘Springfeder’, u-prúgij ‘elastisch schnellend, prall’, auch die Sippe urslav. *pręgǫ ‘spanne, spanne an’, prǫgъ ‘Joch’, poln. poprąg ‘Gurt’ usw.

WP. II 672 ff., WH. II 566 f., Trautmann 276 f., 278 f., Vasmer 2, 337, 450.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal