Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

strip - (strook; beeldverhaal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

strip zn. ‘strook; beeldverhaal’
Nnl. strip ‘metalen strook of band, o.a. ter bevestiging’ in Huidnaden Strippen en Spanten (van het stoomschip Willem III) zich mede in voldoenden staat bevinden [1885; Leeuwarder Courant], door enkele of dubbele strippen verbonden [1908; WNT], ‘strook, band’ in met strippen worden opgehangen [1934; WNT Aanv. draad], ook in samenstellingen als tochtstrip ‘strook die kieren tochtdicht maakt’ [1935; De Bel], ‘strook’ in opgebouwd uit eiken strippen [1946; WNT], dan ook ‘beeldverhaal’ in Russische “strips” en tekenfilms [1948; Archief Eemland], de strips in een aantal dagbladen, waarbij ook het kapitein-Rob-verhaal [1949; Archief Eemland], ook wel ‘langwerpig oppervlak, kleine opstijg- en landingsstrook voor vliegtuigen’ in uitgerust met een dergelijke strip, zodat vliegtuigverbinding onderhouden kon worden [1950; WNT vliegtuig].
In de betekenis ‘strook, reep’ ontleend aan Engels strip ‘deel van een oppervlak tussen twee evenwijdige lijnen’ [1882; OED], eerder al ‘strook of reep hout of metaal’ [1831; OED] en ‘strook land, bos enz.’ [1816; OED], nog eerder al ‘langwerpige strook stof’ [1459; OED], dat zelf wrsch. ontleend is aan Middelnederduits strippe ‘band, reep, strook’, verwant met → streep ‘lijn’. De betekenis ‘beeldverhaal’ is ontleend aan Amerikaans-Engels strip ‘reeks tekeningen in een krant, beeldverhaal’ [1920; OED], een betekenis die is ontstaan omdat de tekeningen die een strip vormen, tussen evenwijdige lijnen staan en als het ware een strook vormen. De betekenis ‘landingsstrook’ is een verkorting van airstrip.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

strip [(metalen) strook] {1901-1925} < engels strip [idem], verwant met streep, vgl. middelnederduits strippe [strookje, stuk].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

strip znw. m. ‘strook ijzer om naden te bedekken’ < ne. strip; maar als inheems woord vla. strip ‘streep, straal’, mnd. nnd. strippe ‘riem, strookje, strik’. — Zie verder: streep.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

strip (de, -pen), (i.h.b.:) landingsstrook. Er waren in dat immense oerwoud een aantal strips en kontaktplaatsen, vanwaar deze ’missionarissen’ met hun eigen vliegtuigen konden landen en stijgen (Cairo 1977: 47). - Etym.: E s. = strook i.h.a. - Syn. airstrip*.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

strip ‘reep, strook’ (Engels strip); ‘stripverhaal’ (van Engels comic strip)

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

strip [strip] 1. strook, reep; 2. verhaal(tje) dat uit een aaneenschakeling van (getekende) plaatjes bestaat. Genre begonnen in humorboekjes in de Verenigde Staten, halverwege de 19e eeuw, in Nederland na het eind van de tweede wereldoorlog pas echt populair geworden, en nog lang daarna als verderfelijk voor de kinderziel beschouwd; 3. benaming voor reeks van zulke verhalen rond dezelfde hoofdfiguur; 4. strook met daarop afzonderlijk verpakte tabletten of pillen; 5. geïmproviseerde landingsbaan voor vliegtuigen; 6. strookje van een strippenkaart.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

strip ‘(metalen) strook’ -> Deens strips ‘(kleine) klap met een zweep of stok, meestal om kinderen op te voeden’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits).

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

strip zn. Ontleend aan het Engels.
= beeldverhaal.
[alg.] = aangewezen overlever, reserve-president, reserve-premier. Nu het landsbestuur staatsrechtelijke ideeën uit een Amerikaanse filmreeks ontleent en een reserve-premier aanwijst, mag je niet meer van mij verwachten dat ik de politiek nog serieus neem.

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

beeldroman [strip in boekvorm] (1941). Wegens papierschaarste komt in 1941 de ‘beeldroman’ op: kleine, dunne boekjes met telkens een compleet verhaal in beelden. In dezelfde tijd wordt ook de term strip aangetroffen. Later, in de jaren vijftig, verschijnen de benamingen stripverhaal en comic, waarvan de laatste weer in onbruik is geraakt. De vaak ruwe inhoud van de beeldromans baart opvoeders zorgen, en in oktober 1948 berichten de dagbladen: “De Minister van o.k. en w. [Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen] doet een beroep op de directeuren der Rijksscholen, Gemeentebesturen en schoolbesturen om te bevorderen dat het verspreiden van z.g. beeldromans zowel op school als daarbuiten zoveel mogelijk wordt tegengegaan. Deze boekjes, die een samenhangende reeks tekeningen met een begeleidende tekst bevatten, zijn over het algemeen van sensationeel karakter zonder enige andere waarde.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

strip (metalen) strook 1908 [WNT] <Engels

strip beeldverhaal 1949 [De Vooys]

J. Posthumus (1986), A Description of a Corpus of Anglicisms, Groningen

strip, only in compounds [strɪp] Koenen 1974 (first of homographic lemmas); Van Dale (first of homographic lemmas, first sense). Compounds/derivations: filmstrip, tochtstrip (Koenen 1974; Van Dale 1976). Loanword from English strip n. (= narrow piece)

strip, plural strips, de [strɪp/s] Koenen 1974 (second numbered sense in lemma), Van Dale 1976 (first of homographic lemmas, second sense). Compounds/derivations: stripland, stripstijl, striptekenaar, stripverhaal (Koenen 1974; Van Dale 1976); balloon strip, krantenstrip. Editorial comment: In English the more usual designation is not the single noun, but a compound ‘strip cartoon’, or ‘comic strip’. Loanword from English strip n. (= strip cartoon)

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal