Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stuk - (kapot)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

stuk 2 bn. ‘kapot’
Nnl. sagen wij dieselve aen stucke gestooten te weesen ‘zagen wij dat deze in stukken gestoten was’ [1610; iWNT wrak I], 't Galyot ..., alle desselfs ronthoundt [sic] aen stuck geseylt hebbende ‘het galjoen, dat al zijn masten, ra's enz. stukgezeild had’ [1654; iWNT wangen], aen stuck ... gestooten ‘stukgestoten’ [1657; iWNT heel III], een mensch aan stuk te klooven [1660; iWNT snoeshaan], dat ... de zelve ... aan stuk kwam te barsten ‘dat deze stukbarstte’ [1722; iWNT verwelf], Ik beuk hem knok en ribben stuk ‘ik maak zijn botten en ribben kapot’ [1802; iWNT], Ik heb gister mijne horlogieketting stuk getrokken [1807; iWNT], de mijne is stuk [1841; iWNT].
Ontstaan door verkorting van de bijwoordelijke bepaling aan stuk ‘in stukken, uiteen-’ in combinatie met een werkwoord met (meestal) destructieve betekenis; aan stuk is door wegval van de slot-e ontstaan uit ouder aen stucke ‘id.’, waarin stucke de oude meervoudsvorm is van het zn.stuk 1. De opkomst van de voorzetselloze vorm stuk vond in de 19e eeuw plaats; in diezelfde periode raakte de oude formulering aan stuk in onbruik. Het is oorspr. een bijwoord, maar vanaf de tweede helft van de 19e eeuw wordt het ook als predicatief bijvoeglijk naamwoord gebruikt en tegenwoordig ook wel attributief, zoals in ‘een stukke fiets’, voor ouder stukken(d).
In het Middelnederlands komen vele varianten voor met te, in en aen/ane/on die hetzelfde betekenen, zoals te sticken (met Noordzee-Germaanse i < u), tsticken, in sticken, in stics (met bijwoordelijke -s), aen sticken, onstucken (nog vnnl.), onsticken, ontstics.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stuk znw. o., mnl. stucke, stuc (stic) o. met uitgebreide gebruikssfeer. = ohd. stucchi (nhd. stück), os. stukki, ags. stycce, on. stykki o. “stuk”. Met de oorspr. bet. “afgestooten, door stooten geknot stuk” bij stuiken. Voor de bet. vgl. lit. stukas “klomp, stuk” van de basis stuq- en ier. tocht “deel, stuk” van stug- of stuq-. — Het bijw. en daarna ook bnw. stuk uit mnl. te stucken of an, in stucke. Vgl. weg II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stuk 2 bijw. (kapot), is evenals weg verkort uit een adv. uitdr. met voorz. aan of in.

Dateringen of neologismen

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

stuk zitten, niet meer verder kunnen; de bodem van zijn krachten bereikt hebben. Vooral in de sport.

‘Als ze stuk zit op de schaats spreekt ze met boven,’ zegt moeder Van Gennip stellig. (Elsevier, 05/03/88)
Capiot zat ineens helemaal stuk. (Wieler Revue, 17/03/89)
Eerst laat ik mij er een paar dagen afrijden, dan denkt iedereen: die Nelissen zit ook lekker stuk, die mag wel mee in een ontsnapping. (Elsevier, 12/07/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal