Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tronie - ((lelijk) gezicht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

tronie zn. ‘(lelijk) gezicht’
Mnl. troenie ‘gezicht dat men trekt’ in een sot ..., die vele lichtichede dede ende vele goede troeniën bedreef ‘een zot, die veel dwaasheden beging en veel goede grappen met zijn gezichtsuitdrukking uithaalde’ [1432-68; MNW troenie]; vnnl. tronie, trongnie enz. ‘gelaat, gezicht’ in leelike troengie [ca. 1500; WNT], daer gaet my mijn troongie in sulcken ontslute van lachene, dat mijn stortgat splaect ‘dan gaat mijn gezicht door het lachen zo wijd open dat mijn keelgat splijt’ [1524; MNW splaken], tronie oft mine ‘gelaat of gelaatsuitdrukking’ [1555; WNT], een troongie om potten te cleerne ‘een tronie om potten mee schoon te maken’ (d.w.z. ‘een heel lelijk gezicht’) [1561; WNT].
Ontleend aan Middelfrans trogne ‘(grotesk of komisch) gezicht’ [ca. 1485; TLF], wrsch. ontleend aan Gallisch *trugna, dat verondersteld wordt op basis van Welsh trwyn ‘snuit, neus’.
Dit woord bestond lange tijd in twee vormvarianten: met /nj/ zoals in het Frans en met /n/. De vorm met palatale nasaal/nj/, d.w.z. trongnie, trognie en vele spellingvarianten, raakte in de 18e eeuw verouderd.
De betekenis van het woord in de algemene taal was vanaf het begin meestal ongunstig, maar in de schildersvaktaal is het lange tijd een neutraal woord geweest voor ‘(uitgebeeld) gelaat, portret e.d.’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tronie [gezicht (minachtend)] {tro(o)ngie, tronie 1432-1468} < frans trogne [tronie, dikke rode kop], mogelijk uit het keltisch, vgl. welsh trwyn [snuit].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tronie znw. v., laat-mnl. tronie, trongie < fra. trogne gallisch *trugna, vgl. kymr. trwyn ‘neus, snuitʼ.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tronie znw., sedert ’t latere Mnl. Uit fr. trogne (oorsprong onzeker). Ook in ’t Fri. en Ndd. ontleend.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tronie. Fr. trogne wordt aannemelijk uit het Kelt. verklaard.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tronie v., uit Fr. trogne: oorspr. onzeker.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tronie s.nw. (geselstaal; verouderend)
Bakkies, gevreet.
Uit verouderde Ndl. tronie (1530).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tronie: (minder vleiend) gesig, gevreet; bakkies; Ndl. tronie (Lmnl. tronie/trongie) uit Fr. trogne, wsk. uit Kel. (vgl. Kim. trwyn, “neus, snuit”).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

tronie (Frans trogne)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tronie ‘gezicht (tegenwoordig minachtend)’ -> Duits dialect † Tronie, Troni, Trone ‘gezichtsuitdrukking, (schertsend) gezicht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tronie gezicht (tegenwoordig minachtend) 1468 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal