Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

uit - (niet in, afkomstig van); (naar buiten; afgelopen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

uit vz. ‘niet in, afkomstig van’; bw. ‘naar buiten; afgelopen’
Onl. ūt (bw.) ‘verlatende, ergens vandaan gaande, naarbuiten’ in samenstellingen: Gang út nesso ‘ga weg, worm!’ [891-900; CG II-1, 39], ne sal ic ut faron ‘ik zal niet weggaan’, utgietit furi imo herta iuuana ‘stort voor hem jullie hart uit’ [beide 10e eeuw; W.Ps.], ‘ergens vandaan’ (vz.) in thaz sie se driuen uz heran lando ‘opdat zij ze uit hun land zouden verdrijven’ [ca. 1100; Will.]; mnl. uut, ute ook ‘ten einde’ in dat uers ute ‘dat (bijbel)vers tot aan het eind’ [1236; VMNW], ‘afkomstig van’ (vz.) in vitter herten ‘uit het hart’, uten grunde ‘geheel en al’ [beide 1240; Bern.]; vnnl. uuyt, uyt in Vuyt mynder zyden ran water en bloed ‘uit mijn zijde stroomde water en bloed’ [ca. 1540; WNT], Getogen uyt het volck ‘getrokken uit het volk’ [1635; WNT].
Os. ūt (mnd. ūt); ohd. ūz (mhd. ūz; nhd. aus); ofri. ūt (nfri. út); oe. ūt (ne. out); on. út (nzw. ut); got. ūt; < pgm. *ūt. Daarnaast staat een langere vorm *ūtar- (vz.) ‘uit, vanuit’, waaruit: mnl. (oostelijk) uter ‘uit, vanuit’ (in spranc ... uter disen blomen ein pampilion ‘vloog van deze bloemen een vlinder op’ [1201-25; VMNW]); os. -ūtar (mnd. uter); ohd. ūzar (nhd. außer ‘behalve’); ofri. ūter; oe. ūtor; on. útar. Voor de vorm pgm. *ūtan- zie → buiten.
Verwant met: Sanskrit úd ‘omhoog, naar buiten’; Oudkerkslavisch vy- ‘uit’ (Russisch vy-); < pie. *(H)ud ‘omhoog’. De verklaring van de lange ū in het Germaans is onzeker (de korte klinker in ne. utmost en utter is relatief jong). Uit een afgeleide vorm pie. *uds is wrsch. via geassimileerd *us in afleidingen pgm. *uz- ‘uit-’ ontstaan, zie → oor- ‘uit, van ... af’.
Het oorspronkelijk alleen ruimtelijke bijwoord heeft van oudsher betrekking op een verplaatsing ergens vandaan, of op het resultaat van die verplaatsing. Als voorzetsel regeert de datief; in het Middelnederlands wordt ute met bepaald lidwoord meestal samengetrokken, dus ute der wordt uter en ute den wordt uten. In combinatie met werkwoorden heeft uit als eerste lid diverse betekenissen erbij gekregen, waarvan sommige zeer productief zijn geworden. Zeer productief is de betekenis ‘tot het einde toe’, bijv. in uitblazen, uitbranden, uitkiezen, uitlezen, (een parcours) uitlopen. Andere belangrijke betekenissen zijn: ‘sterk uiting geven aan iets’, bijv. in uitjouwen, uitschreeuwen, uitbazuinen, uitschelden en ‘ontdoen van, leegmaken’, bijv. in uitroken, uitlikken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

uit* [voorzetsel, niet binnen] {in de plaatsnaam Vttrecht, nu Utrecht <870>, ute, uut 876-900} oudsaksisch, oudfries, oudengels, oudnoors, gotisch ūt, oudhoogduits ūz; buiten het germ. grieks husteros [achteraan komend], avestisch us-, uz- [omhoog, uit], oudindisch ud [idem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

uit voorz. bijw., mnl. uut, ûte, onfrank. ūt-, os. ūt (bijw.), ohd. ūʒ (bijw. zelden voorz., nhd. aus), ofri. ūt (bijw. voorz.), oe. ūt (bijw., ne. out), on. got. ūt (bijw.) ‘uit, naar buiten, buiten’. — oi. ud- ‘naar boven, naar buiten’, oiers ud-, od- ‘uit’, gr. (cypr.) hu-. vgl. nog oi. uttara ‘latere’, lat. usque (< *ūds-) ‘in enen door’ (IEW 1104). — Zie ook: buiten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

uit voorz. bijw., mnl. uut (ûte). = onfr. ût- (1e compositielid), ohd. ûʒ bijw., zelden voorz. (nhd. aus), os. ût bijw., mnd. ofri. ût bijw. voorz., ags. ût bijw. (eng. out), on. got. ût bijw. “uit, (naar) buiten”. De mnl. vorm ûte = ohd. ûʒe, on. ûti of = got. os. ûta, ofri. ags. ûte. Uit idg. *ûd ook obg. vy- “uit”. Ablautend met ier. u(d)-, o(d)- verbaalprefix, kyprisch uepí” (waarbij alg.-gr. hústeros “later”, húbris “overmoed”), obg. vŭ-ně “buiten”, oi. úd “omhoog, naar buiten” en misschien met kyprisch eutrossesthai epistréphesthai. Páphioi, eúkhous khṓnē. Salamínioi. Zie nog buiten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

uit bijw. en voorz., Mnl. uut, Onfra. en Os. ût + Ohd. ûʒ (Mhd. id., Nhd. aus), Ags. út (Eng. out), Ofri., On. út (Zw. ut, De. ud), Go. ût: Ug. *ût + Skr. ud, Zd. uz, Oier. ud: Idg. *ŭd. Het bijw. uit is Mnl. ute, Os. ûta + ûʒe, Ofri. Ags. úte, On. úti, Go. ûta.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

oet (bijw.) uit; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) oet, Aajdnederlands ut <891-900>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

uit ww.
1. Uiter (uiter 1). 2. Uiter (uiter 2).
Uit Ndl. uiten (Mnl. uten).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

uit I: voors. en bw. wat herkoms, rigting, strewe, ens., aandui; Ndl. uit (Mnl. uut/ūte), Hd. aus, Eng. out, hou verb. m. buite(n) en m. Lat. usque, “vanaf; tot sover as”.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

uit zijn (vert. van Engels to be out)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

uit ‘voorzetsel’ -> Jakartaans-Maleis hit-hit, hèt-hèt, èt-èt, éit-éit ‘uit!, afgelopen!’; Kupang-Maleis aut ‘naar buiten, eruit’; Negerhollands ut, it, yt, ēt ‘uitdoen (het licht); niet brandend’; Berbice-Nederlands oiti ‘voorzetsel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

uit* voorzetsel 0870 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1741. Er over uit zijn,

d.i. eig. uit iets zijn, over iets zijn, dat onaangenaam was, uit de moeilijkheid zijn, en vandaar in eene gemoedsstemming, die hiervan het gevolg is; opgetogen, waarvoor men in Zuid-Nederland zegt; er boven op zijn (De Bo, 176 a; Schuerm. Bijv. 50 a). Dialectisch komt de uitdr. ook voor in den zin van op iets uit zijn, in welke bet. ze in de 17de eeuw o.a. bij Brederoo I, 358 vs. 1625 voorkomt.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ū̆d- ‘empor, hinauf’, sekundär auch ‘hinaus’, daneben ū̆d-s (vgl. lat. ab : abs u. dgl.), Komparativ ud-tero-s, Superlativ ud-temo-s

1. Ai. úd-, út- ‘empor, hinaus’ Präverb; av. us-, uz- (*uds-) ds., ap. us- ds. (ud- in ud-apatatā ‘er lehnte sich auf, fiel ab’ ist wahrscheinlich *uz-);
gr. ὑ- in ὕ-βρις (s. u. ger- ‘schwer’), ὕστριξ ‘Stachelschwein’, ὕσπληξ ‘Startseil’, kypr. ὔ-χηρος ‘Aufgeld’ (att. “τα ἐπίχειρα”) und in dieser Mundart überhaupt zum Ersatze von ἐπί geworden: adnominal mit Lok. z. B. ὐ-τύχα “ἐπὶ τύxῃ”; eine (an got. iupa neben *upo gemahnende) Vollstufe wohl in kypr. εὐτρόσσεσθαι· ἐπιστρέφεσθαι. Πάφιοι und εὔχους· χώνη (‘Trichter’) Σαλαμίνιοι Hes.; (wegen ὕστος, ὑστέρα s. unter udero- ‘Bauch’);
lat. ūs-que ‘in einem fort, ununterbrochen von - her oder bis - hin’;
air. Präverb uss-, oss- könnte auch auf *ud-s- zurückgehen; s. unter upo;
got. ūt Adv. ‘hinaus, heraus’, ahd. ūz, nhd. aus, as. ags. ūt ds., wgerm. auch Präp. beim ‘Dativ’ Abl. (dazu got. ūta, aisl. ūti, ags. ūte, ahd. ūze ‘außen, draußen’; got. ūtana, ahd. ūzana usw., nhd. außen; aisl. ūtar, ags. ūter, as. ūtar, ahd. ūzar ‘außer’, z. T. als Präp. beim ‘Dativ’ und Akk.; ahd. ūzero, ūzaro, ags. ūter-ra ‘der äußere’); wesentlich auf *uds vor tönenden Verschlußlauten beruht germ. *uz- ‘aus, aus - heraus, aus - vor, vor - weg’ in got. us (uz-; vorr: ur-) Präf. und Präp. ‘von, aus’ (‘Dat.’ = Abl.), ebenso aisl. ór Präp., als Präf. ór-, or-, ør-, ags. or-, as. ur-, or- Präf., ahd. ur, ar, ir Präp. ‘aus, von’ (vor ūz zurückweichend), ur-, ir-, ar-, er- Präf., nhd. úr-, er- (z. B. Urlaub, erlauben); mnd. (ūt)būten ‘(aus)tauschen, erbeuten’ aus *bi-ūtian, vgl. aisl. ỹta ‘darreichen’;
lit. už- ‘auf-, hinauf-, zu-’ Präfix (der Bed. halber wohl zu scheiden von Präp. ‘hinter, für’, s. *g̑hō S. 451 f.; Trautmann, Bsl. Wb. 336 hält an der Einheit fest, auch für die folgenden Formen), lett. uz, ūz Präfix und Präp. ‘auf’ (dazu auch apr. unsei ‘hinauf, auf’);
aksl: vъz- (vъs-) Präfix, vъz(ъ) Präp. in der Bed. ‘hinauf an etwas’ (Akk.);
2. Kompar. ai. úttara- ‘der höhere, obere, spätere, hintere’ = gr. ὕστερος ‘der spätere’; Sup. ai. uttamá- ‘höchster, oberster, bester’, av. ustǝma- ‘äußerster, letzter’, gr. ὕστατος ‘letzter, spätester’ (fur *ὕσταμος); über ai. ucca- ‘hoch’ (*ud-ke), uccā́, av. usča Adv. ‘oben; nach oben’ s. Wackernagel-Debrunner II, 2, 545 f.

WP. I 189 f., WH. II 344, Schwyzer Gr. Gr. 2, 517 f., Vasmer 1, 214. 238 f., 242, Mayrhofer 1, 99, 101 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal