Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

uw - (van u)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

uw vnw. 2e pers. ev. en mv. ‘van u’
Onl. iuwa, iuwer ‘julie, uw’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. u, uwe in vwe amíe blantsefluor (accusatief) ‘jullie vriendin Blanchefleur’ [1201-25; VMNW], ant iseren uan úwen spere ‘aan het ijzer van jullie speren’ [1220-40; CG II, Floyr.], al v recht ‘al uw recht’ [1251-75; VMNW].
Uwe is de klankwettige vorm van het bezittelijk voornaamwoord dat in het westelijk Middelnederlands leidde tot juwe, zie verder → jouw. Met name in verbuigingen zonder uitgang, bijv. de mannelijke en onzijdige nominatief enkelvoud, ontstond reeds in de 13e eeuw de korte vorm u, die zich in de daaropvolgende eeuwen verder uitbreidde. Door het verdwijnen van de buigingsuitgangen maakten intussen de lange vorm uwe en de verbogen vormen uwer, uwen, uwes plaats voor uw, de vorm die, in elk geval in de geschreven taal, uiteindelijk ook de korte vorm u verdrong. Mogelijk werd deze laatstgenoemde ontwikkeling gestimuleerd door de behoefte aan een duidelijk spellingonderscheid tussen bezittelijk voornaamwoord en de in de 17e eeuw opkomende nominatiefvorm → u voor gij.
Mnl. uwe is het bezittelijk voornaamwoord dat hoort bij het persoonlijk voornaamwoord ghi, nnl.gij. Dit betekende oorspr. ‘jullie’, en uwe betekende dus ‘van jullie’. Het voornaamwoord ghi/gij breidde in de Middelnederlandse periode zijn functie uit tot voornaamwoord voor de tweede persoon enkelvoud, waarna het in het Noord-Nederlandse taalgebied juist weer een functiebeperking onderging tot beleefdheidsvorm voor de tweede persoon. De betekenis van uwe, vnnl. u(w), volgde deze ontwikkeling.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

uw* [bez. vnw.] {oudnederlands iuwa 901-1000, middelnederlands uw(e), u} gotisch izwar, oudnoors yðvarr. Buiten het germ. oudiers . Uit de 2e nv. van gij:, uwer.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

uw bez. vnw., mnl. ûwe, û, , jou, jouw, onfrank. iuwa, os. euwa, iuwa, ohd. (frank.) iuwēr, iuwu, iuwaz, ofri. iuwe en daarnaast ohd. iuwerēr, oe. ēower, īower (ne. your). Verder te verbinden de verbogen vormen van het personale: mnl. û, , jou, onfrank. iu, os. eu, iu, ohd. iu (ohd. akk. iuwih, nhd. euch), ofri. iu, oe. ēow, īow (ne. you). — Waarschijnlijk is deze vorm ontstaan uit germ. *izw- vgl. got. izwis en on. yðr (< *iðwiz < *izwiz).

Men verklaart deze vorm als een oude dualis evenals gr. sphṓ uit pron. stam s- + bhō ‘beiden’ en wel uit < idg. es + wes (oi. vas, lat. vos), vgl. uit idg. *es-we nog iers si, kymr. chwi. De duaalstam os. ink, oe. inc, on. ykkr, got. igqis is een secundaire germ. formatie, wel naar het voorbeeld van dualis van de 1ste pers. unkis (Lotspeich JEGPh 30, 1931, 150 en W. Petersen JEGPh 33, 1934, 66). — Dialectische vormen zijn ou(w) (frank.), oe(w) (saks.), jou(w) (holl.), joen (westvla.).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

uw bezitt. vnw. (oorspr. alleen 2. pers. mv., maar reeds mnl. ook enk.), dial. ook ou(w) (frank.), oe(w) (saks. Kamp.), jou(w) (holl., ook alg.-beschaafd), joe(w) (gron. zeeuwsch; wvla. jo(e)n), mnl. û(w), (w), jou(w). Jongere vorm naar mijn II enz. naast ouder ûwe = onfr. iuwa, ohd. (frank.) iuwêr, iuwu, iuwaʒ, os. euwa, iuwa, ofri. iuwe, met r-formans ohd. iuwerêr (nhd. stam euer-), ags. êower, îower (eng. your). Sluit zich aan bij den dat. acc. van ’t personale, mnl. û, , jou (nnl. u, jou, dial. ook ou, (j)oe), onfr. ohd. iu (ohd. accus. iuwih, nhd. euch), os. eu, iu, ofri. iu, ags. êow, îow (eng. you). Het Got. heeft als dat. accus. van ’t pers. vnw. izwis, ’t On. den oorspr. hiermee identischen vorm yðr (*iRwiR, gedissimileerd); hierbij het possessivum got. izwar, on. (v)arr. ’t Wgerm. heeft wsch. denzelfden vorm bezeten: dan is de z (r) verdwenen; hoe, dat is moeilijk na te gaan. De stam *eswe- ook in ier. si, kymr. chwi “vos” (*swes); gr. sphṓ “gij beiden” < *sFṓ? Voor den synoniemen stam *we-, *u- vgl. bij gij, evenzoo voor den nominatiefstam *ju-. Voor de germ. flexievormen vgl. ons II. Ook bij u komt een dgl. genitief voor als daar: mnl. ûwer (nnl. uwer), ohd. iuwêr (nhd. euer), os. euwar, iuwar, -er, ags. êower, îower, on. (v)ar, got. izwara “uwer”. De germ. duaalstam, waarvan o.a. de dat. accus. os. ink, ags. inc, on. ykkr, got. igqis, is buiten ’t Germ. niet bekend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

uw 1, genit. van gij, is een analogievorm: z. ons 3 en uwer.

ons 3 bijv., is de pron. genit. ons als adj. gebr. Die genit. ons is gevormd uit den echten genit. onzer, naar analogie van mijn, dijn, zijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

eur (bez. vnw.) 1. van jullie 2. van u; < Duits euer.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1u vnw.
Besitlike vnw., beleefdheidsvorm van die 2de persoon, ekv. en mv.
Uit Ndl. uw (al Mnl.). Mnl. uwe het oorspr. slegs die 2de persoon mv. aangedui, maar reeds in Mnl. ook ekv.
Vgl. uwe.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

uw ‘bezittelijk voornaamwoord’ -> Chinees-Maleis u ‘bezittelijk voornaamwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

uw* bezittelijk voornaamwoord 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal