Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

versieren - (tooien)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

versieren1 [tooien] {versieren, verc(h)ieren 1285} van ver- + middelnederlands sieren (vgl. sier).

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Versieren, vroeger ook vercieren uit sieren, tooien, mnl. tsieren, cieren, sieren, waarschijnl. ontleend aan ’t hgd. zieren. Verg. sieraad, en de voorb. in volg. art.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

versieren ‘tooien’ -> Surinaams-Javaans fersir, mersir ‘tooien’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

versieren tooien 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

680. Een goede gevel versiert het (geheele) huis.

Deze zegswijze wordt schertsender wijze toegepast op iemand, die een grooten neus heeft. De neus wordt dan bij den gevel van een huis vergeleken, zooals De Brune, Wetst. I, 97 reeds deed: De schande die yemand overkomt deur 't verlies van zijn neus, de gevel van 't huis, 't cieraat van 't aangezicht, de zetel en de rechte throon van eer. Vgl. ook Huygens, Voorhout, vs. 525; Sewel, 275; Halma, 181: Hij heeft eenen schoonen gevel, eenen grooten neus, il a un maître nez; en Antw. Idiot. 457: goed gegeveld zijn of een goeden gevel hebben, een grooten neus hebben. De Franschen zeggen: Jamais grand nez n'a gâté beau visage; hd. grosze Erker zieren ein Haus. In Holstein kent men eveneens: enn gôden Gäwel ziert dat Hûs (Eckart, 158 en Taalgids V, 158). Zie ook Harreb. I, 234 b; Molema, 122 a; Waasch Idiot. 255: gevel, neus; Teirl. 496: gevele, aangezicht, en vgl. het fri.: in goede foargevel forsiert it hûs.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal