Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vleermuis - (vliegend zoogdier van de orde Chiroptera)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vleermuis zn. ‘vliegend zoogdier van de orde Chiroptera
Mnl. fledermus ‘vleermuis’ [1240; Bern.], die uledermus ... diene vlieget altoes niet dan nauonts spade ‘de vleermuis, die alleen 's avonds laat vliegt’ [1287; VMNW], vleermuse [ca. 1475; MNW]; vnnl. vleermuys [1538; iWNT].
Samenstelling van mnl. vleder ‘vleugel’ en → muis 1. Namen van veelvoorkomende dieren rondom het huis worden wel vaker gebruikt in samenstellingen voor geheel andersoortige dieren, bijv. in → sprinkhaan, zeekoe en BN waterkonijn ‘muskusrat’. Voor het eerste lid, in het Nederlands met wegval van intervocalische -d-, zie → vlerk. De traditionele opvatting, volgens welke het eerste lid is afgeleid van mnl. vlederen, is onhoudbaar, onder andere omdat dit werkwoord veel jonger is; het omgekeerde is het geval, zie verder → fladderen.
Mnd. vledermūs, vlērmūs; ohd. fledarmūstro, -a, fledarmūs (nhd. Fledermaus); nfri. flearmûs. Daarnaast met een ander eerste lid: ohd. rodamūs en oe. hreāðemūs, hreāþemūs, hrēremūs. Vanwege de door volksetymologie verbasterde vormen is het onduidelijk wat in deze woorden het eerste lid is; wrsch. is het -hrēad ‘ornament’ bij pgm. *hreudan ‘bedekken, tooien’, zie → uitrusten; de vleermuis is dan een ‘met ornamenten, d.w.z. vleugels getooide muis’.
Het eerste lid in al deze samenstellingen is dus een latere toevoeging, getuige ook het simplex ohd. mūstro ‘vleermuis’. Dit woord zou letterlijk ‘op een muis gelijkend dier betekenen’, waarbij het achtervoegsel vergeleken wordt met dat in Sanskrit aśvatará ‘ezel’, letterlijk ‘op een paard gelijkend dier’, bij aśva- ‘paard’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vleermuis* [zoogdier] {vledermuus, vleermuus 1285} van middelnederlands vlederen (vgl. fladderen) + muis.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

vleermuis

De vleermuis is een vliegend zoogdiertje, dat zijn naam ontleent aan het werkwoord vlederen dat hetzelfde is als fladderen. In het Middelnederlands noemde men het dier vliermuus, het Engels heeft flittermouse, het Duits Fledermaus. Het is begrijpelijk dat er vele gewestelijke varianten van deze namen bestaan zoals vlaarmuis, flieremuis en Gronings fleddermoes. Het nachtdiertje waarvan de voorste ledematen in vliegorganen zijn veranderd, heeft altijd op de volksverbeelding gewerkt. In sommige streken zag men er een boze geest in, in andere meende men dat de vleermuis bijzondere geneeskracht bezat.

In de tijd van de gasverlichting noemde men een onbeschermde gasbrander met een waaiervormige vlam die een beetje op een vleermuisvleugel leek, ook een vleermuis.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vleermuis znw. v., mnl. vlēdermuus, mnd. vlēdermūs, vleddermūs, ohd. fledarmūs (nhd. fledermaus), een naam die in de plaats gekomen is van het oudere ohd. (fledare)-mustro m. ‘als een muis er uitziend dier’. Het 1ste lid is te verbinden met mnl. vlēderen ‘fladderen’ (waarvoor zie ook: vlerk). — Gelijksoortige benamingen zijn ne. flittermouse, nde. flaggermus, nde. flädermus, vgl. verder nog oe. hreaðemūs, hreremūs (vgl. voor het 1ste lid nhd. rütteln ‘schudden’), ook bekend in nhd. dial. (rodamūs in Wolfenbüttel, radamūs in Trier).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vleermuis, vledermuis znw., mnl. vlēdermuus v. m. = ohd. flëdarmûs v. (nhd. fledermaus, ohd. ook flëdaremustro m.), mnd. vle(d)dermûs v. “vleermuis”. Bij ̓t germ. ww., dat ohd.. flëdarôn “fladderen” luidt; zie vlerk. Vgl. ook eng. flittermouse “vleermuis”, blijkbaar een jong, misschien onder continentale invloeden ontstaan woord; ’t Ags. heeft hrêaðe-mûs, hrêre-mûs v. “id.”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vledermuis v., Mnl. vledermuus + Ohd. fledarmús (Mhd. vledermûs, Nhd. fledermaus), Eng. flittermouse: saamgest. met den stam van *vlederen, Mnl. flederen + Ohd. fledarôn (Mhd. vledern), Eng, to flitter: wellicht een uitbr. van wrt. pel (z. fladderen en vijfwouter).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

floremuis, zn.: vleermuis. Vgl. Waaslands vloeremuis, Zuid-Ovl. fleuremuis, Zvl. fleuremuus. Door klinkerronding < vleermuis < Mnl. vledermuus, vliermuus.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vlermuis s.nw.
Klein, behaarde soogdiertjie waarvan die voorpote tot vliesagtige vlerke ontwikkel het waarmee hy snags rondvlieg om insekte en vrugte te vreet.
Uit Ndl. vleermuis (1515), 'n samestelling van die stam van vledderen 'fladder' en muis 'muis', so genoem omdat die diertjie soos 'n muis lyk wat vlerke het om te fladder.
D. Fledermaus (9de eeu), Eng. flittermouse (1547).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

vlindermuze (DB, K, WVD: west, FV), zn. v.: vleermuis. Met l-epenthesis < Mnl. vledermuus, vgl. vlinder ‘vlier’. D. Fledermaus. Wellicht ook beïnvloed door vlinder.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vlermuis: gevleuelde nagdiertjie m. hare v. ’n muis (lid v. d. Orde Chiroptera); Ndl. vleder-/vleermuis (Mnl. vlēdermuus), Hd. fledermaus, Eng. (neol.) flittermouse, hou verb. m. vlerk (uit ouer vlēderic), v. vlerk.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

vleermuis: iemand wiens oren wijd van zijn hoofd staan.

‘Ik ben geen meester, ik ben menéér, leelijke vleermuis!’ – Mijn groote ooren stonden inderdaad wijd-uit van mijn hoofd. (Aegidius W. Timmerman, Tim’s herinneringen, 1938)

H. ter Stege (2004), De betekenis van de Nederlandse (volks)namen van zoogdieren, reptielen en amfibieën, eigen uitgave Waalre

VLEERMUIZEN ̶ CHIROPTERA
Het element ‘vleer’ in vleermuis is verwant met het Germaanse werkwoord fledarôn (vergelijk Oudhoogduits Fledarmûs en Middelnederlands vledermuus) en betekent ‘fladderen, met de vleugels slaan’. Vleermuizen zijn op muizen gelijkende dieren die kunnen vliegen.
Tussen de romp, de sterk verlengde voorpoten, de achterpoten en de staart van vleermuizen bevindt zich een zeer dunne, onbehaarde huid die als draagvlak dient bij het vliegen. Vleermuizen werden daarom vroeger ‘handvleugeligen’ genoemd.
Om in het nachtelijk duister hun weg en prooi te vinden maken vleermuizen gebruik van sonar of echo-oriëntatie. Door het maken van ultrasone (niet door het menselijk oor waarneembare) trillingen en het opvangen van de weerkaatsing daarvan, kunnen ze nagaan waar voorwerpen zich in hun omgeving bevinden en vaststellen om wat voor een object het gaat.
Op de gangbare benaming vleermuis zijn gewestelijk tal van varianten te vinden zoals fleremuis, flieremuis, vleremuis, vledermuis en vlier-(e)muis. In de provincie Groningen spreekt men van fleddermoes, in Limburg van vleremoes, in Middelburg van fleddermuus en elders in Zeeland van vloeremuis, floremuus of fleuremuis.
De Vlaamse namen vlerkmuis en vlindermuis zijn volksetymologische samenstellingen. Het eveneens Vlaamse pladermuis komt van Middelnederlands pladeren, plaaieren ‘klapperen, met de vleugels staan’.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vleermuis, van ’t Mnl. flederen, ons fladderen. Het dier werd voor een muis aangezien.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vleermuis ‘handvleugelig zoogdier’ -> Engels flitter-mouse ‘handvleugelig zoogdier; koosnaam’; Deens flagermus ‘handvleugelig zoogdier’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors flaggermus ‘handvleugelig zoogdier’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds flädermus ‘handvleugelig zoogdier’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands flåėrmoes ‘handvleugelig zoogdier’; Berbice-Nederlands flermisi ‘handvleugelig zoogdier’; Sranantongo fremusu (ouder: fleimussu) ‘handvleugelig zoogdier’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vleermuis* handvleugelig zoogdier 1240 [Bern.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

pel-1, pelǝ-, plē- ‘gießen, fließen, aufschütten, füllen, einfüllen’; auch ‘schwimmen, fließen machen, fliegen, flattern’ und ‘schütteln, schwingen, zittern (machen)’, nominal: pel (Gen. pel-es) und peli-s ‘Burg’ (‘aufgeschütteter Wall’); pl̥̄-no-, plē-no-, plē-ro- ‘voll’, pl̥-no-tā ‘Fülle’, pl̥-tó-, plē-to- ‘gefüllt’, pl̥̄-tí-, plē-mn̥ ‘das Füllen’; pelu ‘Menge’, pelu- ‘viel’

A. Arm. hełum ‘ich gieße aus’ (*pel-nu-mi), zełum (*z-hełum) ‘lasse strömen’, Pass. ‘fließeüber’;
cymr. llanw m. ‘Flut’, Verbalnom. llanw, llenwi ‘Füllen, Fließen’, mbret. lano, lanv ‘Flut’, corn. lanwes ‘Fülle’ (*plen-u̯o-);
lit. trans. pilù, pìlti ‘gießen, schütten, aufschütten, füllen’, intrans. ‘fließen’, lett. pilêt ‘tröpfeln’, pile ‘Tropfen’, pilt ‘tröpfeln’, pali ‘Überschwemmung’, lit. am̃palas (*ant-palas) ‘Aufwasser auf dem Eise’; russ. vodo-polъ(je), pol(n)o-vodьje ‘Hochwasser’, kslov. polъ ‘Schöpfgefäß’.
B. pel ‘Burg’ in ai. pū́r, Gen. purás ‘Burg, Stadt’, pura- n., jünger puri-, purī ds., vgl. Singapur ‘Löwenstadt’, gr. (äol.) πόλις ‘Burg, Stadt, Staat’ (*peli-s), hom. kypr. πτόλις ds., lit. pilìs, lett. pile ‘Burg, Schloß’ (s. Schwyzer, Gr. Gr. 1, 325, 344, Specht KZ 59, 65f., 11 f., Trautmann 217).
C. Wörter für ‘Sumpf’ (pel-, pel-eu-), wie osset. farwe, färer ‘Erle’, ahd. fel(a)wa, nhd. Felber ‘Weidenbaum’ (als ‘Sumpfbaum’), und lat. palus, -ūdis f. ‘stehendes Wasser, Sumpf, Pfütze’ (*pel-ou-d-), wohl zu ai. palvalá- n. ‘Teich’ und palvalya- ‘sumpfig’; dazu noch pelǝk- : plāk- in gr. πάλκος· πηλός Hes., παλάσσω (*παλακι̯ω) ‘bespritze’, lit. pélkė ‘Moorbruch’, apr. pelky ds., lett. pel̃ce ‘Pfütze’: plācis ‘Morast’; nach W. Schulze Kl. Schr. 112 alle ursprüngl.Farbenbezeichnungen, also zu pel-8.
D. ‘füllen, Fülle’: Ai. píparti : pipr̥máḥ; pr̥ṇā́ti (pr̥ṇáti) ‘füllt, sättigt, nährt, spendetreichlich, beschenkt’, auch pr̥ṇṓti ds., pū́ryatē, pūryátē ‘füllt sich’, Aor. áprāt (: πλῆτο), Imp. pūrdhí, Perf. paprāu (: lat. plēvī), Partiz. prātá- (= lat. -plētus, alb. pĺot; vgl. auch prātí- : lat. com-plēti-ō), pūrtá- ‘voll’, prāṇa- ‘voll’ (= lat. plēnus, av. frāna- ‘Füllung’, air.līn-aim ‘fülle’), pūrṇá- ‘voll’ (= got. fulls, litt. pìlnas, abg. plъnъ, air. lān; von *pel- hingegen av. pǝrǝna- ‘gefüllt’); parīṇaḥ n. ‘Fülle’ (: av. parǝnah-vant- ‘reichlich’), parī-man- ‘Fülle, Spende’ (*pelǝ-); av. par- ‘füllen’;
arm. li, Gen. liog ‘voll’ (aus *plē-i̯o-s = gr. πλέως? oder aus *plē-to-s = ai. prātá-?), lnum ‘fülle’ (*linum, Neubildung), Aor. eli-c̣ ‘ich füllte’; lir (i-St.) ‘Fülle’; vermutlich holom, holonem ‘häufe auf, sammle an’;
gr. πίμπλημι ‘fülle’ (ursprüngl. πίπλημι, der Nasal aus πίμπρημι), Fut. πλήσω, Aor. πλῆτο ‘füllte sich’, πλήθω ‘bin voll, fülle mich’, πλῆθος n., ion. πληθύ̄ς ‘Menge’, πληθύω ‘bin oder werde voll, schwelle an’ (: lat. plēbēs), πλήσμη ‘Flut’, πλησμονή ‘Anfüllung, Sättigung’, πλήσμιος ‘leicht füllend, sättigend’, πλῆμα ‘Füllung’ Hes. (: lat. plēmināre ‘anfüllen’); hom. πλεῖος, att. πλέως, ion. πλέος ‘voll’ (*πλη-[ι̯]ο-ς; = arm. li?), πλήρης ‘voll’, πληρόω ‘mache voll’ (von *πληρο-ς = lat. plērus, vgl. arm. lir ‘Fülle’, i-St.); πλή-μῡρα, -μυρίς f. ‘Flut’, zu μύ̄ρω S. 742;
alb. plot ‘voll’ (*plē-t-os); auch pjel ‘zeuge, gebäre’? intrans. ‘voll = schwanger sein’?? mit Formans -go- hierher plok, plogu ‘Haufe’ (*plē-go-? vgl. ahd. folc ‘Haufe, Kriegshaufe, Volk’, ags. folc ‘Schar, Heer, Volk’, aisl. folk ‘Schar, Volk’ als *pl̥-go- oder elǝ-go-);
lat. pleō, -ēre meist com-pleō, im-pleō ‘fülle’, Partiz. Pass. (com)plētus; plēnus ‘voll’, umbr. plener ‘plenis’; plērus, -a, -um ‘zum größten Teile’, plērusque, plērīque ‘eine große Anzahl, sehr viel, am meisten’; plēbēs, -ei und , plēbs, -is ‘Volksmenge; die Masse des Volkes im Gegensatz zu den Adeligen’ (*plēdhu̯ēs), manipulus ‘eine Handvoll; Bündel; Hanteln der Turner; Soldatenabteilung’ (*mani-plo-s); plēmināre ‘anfüllen’ zu *plēmen = gr. πλῆμα;
air. līn(a)im ‘ich fülle’ (von einem Adj. *līn = *plēno-s), līn ‘numerus, pars’; air. lān, acymr. laun, ncymr. llawn, corn. luen, leun, len, bret. leun ‘voll’ (= ai. pūrṇa- usw.), air. comalnur ‘ich fülle’ (Denom. von comlān ‘voll’); u(i)le ‘ganz’, Pl. ‘alle’ (*poli̯o-);
got. fulls, aisl. fullr, ags. as. full, ahd. fol (-ll-) ‘voll’ (= ai. pūrṇá- usw., s. oben); = lit. pìlnas, abg. plъnъ, skr. pȕn ‘voll’; über ags. folc usw. s. oben; mhd. vlǣjen ‘spülen’ zu πλή-μῡρα oben S. 799.
pélu ‘Menge’, einzelsprachlich auch adjektivisch gewordenes Neutrum ‘viel’; daneben idg. pelú- Adj. ‘viel’; Kompar. plḗ-i̯os, -is-, Superl. plǝ-is-tó- ‘mehr, meist’:
Ai. purú-, av. pouru-, ap. paru ‘viel’ (= gr. πολύς, wenn dies aus *παλύς, lit. pilus), Kompar. ai. prāyas- Adv. ‘meistens, gewöhnlich’, av. frāyah-, Superl. fraēšta- ‘der meiste’; hierher iran. *pelu̯-, *polu̯- im Plejadennamen npers. parv, av. paoiryaēinī (*paru̯ii̯ainī-), ablaut. gr. Πλειάδες, hom. Πληιάδες (*pleu̯ii̯-), ursprüngl. ‘Sternhaufen’;
gr. πολύς ‘viel’ (assimil. aus *παλύς = ai. purú-), übrige Kasus vom St. πολλό-, πολλά̄-, wohlausgegangen vom f. *πολϝι̯ᾱ ai. pūrví; Kompar. Superl. ursprüngl. *πλη[ι̯]ων > πλέων (*plēisōn) : πλαῖστος (*plǝisto-), das durch Einfluß von *πλεῖς ‘mehr’ (*plēis = air. līa) und des Kompar. zu πλεῖστος wurde; aus einem idg. *pleu̯-es- ‘Überfluß, große Menge’ wurde sekundär der gr. Kompar. n. πλέον, wozu der achäische Nom. Pl. πλέες neugebildet wurde; ebenso wurde alat. plous, lat. plūs zum Kompar., und mit plīs- (alter Kompar. *plē-i̯es- in alat. pleores, und *plēis- im Superl.plīsima) zu *plois- kontaminiert, woraus lat. plūrimus ‘meist’ (alt ploirume, plouruma, plusima); vgl. Benveniste Origines 1, 54 f., Schwyzer Gr. Gr. 1, 537 f., E.-M.2 783;
air. il ‘viel’ (= got. filu), līa ‘plus, plures’ (*plē-is); acymr. liaus, ncymr. lliaws ‘multitudo’ (plē-i̯ōs-tu-s oder -to-);
got. filu adv. Neutrum m. Gen. (altes Subst.) als Ersatz von gr. πολύς, auch ‘sehr; um vieles (beim Komp.)’, ähnlich in den andern germ. Sprachen: ahd. as. filu, filo, ags. fela, feala, feola ‘viel, sehr’, aisl. fiǫl- ‘viel’, n. ‘Menge’; Komp. Sup. aisl. fleiri, fleistr ‘mehr, meist’ (*plǝ-is-, -isto-, av. fraēšta-);
lit. pilus ‘im Überfluß’.
E. pel-ed- in gr. πλάδος n. ‘Feuchtigkeit, Fäulnis’, πλαδαρός ‘feucht’, πλαδάω, -ᾶν ‘naß sein’; ahd. fledirōn, nhd. flattern, ahd. fledar-mūs ‘Fledermaus’; lett. peldêt ‘schwimmen’, peldêtiês ‘baden’, peldinât ‘baden, schwemmen’: pildinât (*pl̥d-) ds.; pledinât ‘mit den Flügeln schlagen’, pledins ‘Schmetterling’; vgl. E. Fraenkel Mél. Boisacq 1, 357 ff.
F. Wörter für ‘Schmetterling’: redupliziert lat. pāpiliō, -ōnis m. (*pā-pil-); germ.*fīfalðrōn- in aisl. fīfrildi n., ags. fīfealde, ahd. fīfaltra, mhd. fīfalter, nhd. Falter; lit. petelìškė ds., lett. petelîgs ‘flatterhaft’ (*pel-tel-);
von derselben Wurzel die balto-slav. Wörter (*paipalā-) für ‘Wachtel’: lit. píepala f., lett. paîpala, apr. penpalo (dazu apr. pepelis, Pl. pippalins ‘Vogel’); čech. přepel, křepel, slov. prepelíca (auch ‘Schmetterling’) usw.
G. Wörter für ‘schwingen, schütteln, zittern, hin- und herbewegen’ usw.: gr. πάλλω (*pl̥-i̯ō), Aor. ἔπηλα ‘schwinge, schüttle’, Med. ‘springe, zapple’, παλτός ‘geschwungen’, παλμός ‘Zucken, Vibrieren’, πάλος m. ‘Los’, παλάσσομαι ‘lose’; redupl. παιπάλλω Hes. ‘schüttle’; aisl. fǣla ‘erschrecken’, ags. eal-fē̆lo ‘fürchterlich’, mhd. vālant ‘Teufel’; vielleicht zu aksl. plachъ ‘zitternd, ängstlich’ (*polso-?), plašiti ‘erschrecken’ usw.;
die Erweiterung pelem- in gr. πελεμίζω ‘schwinge, erschüttere’, Pass. ‘erbebe’, πόλεμος, πτόλεμος ‘Schlacht, Krieg’ (PN Νεο-πτόλεμος, Πτολεμαῖος), got. us-filma ‘erschrocken’, aisl. felms-fullr ds., felmta ‘bange sein’ (*falmatjan), ahd. bair. felm ‘Schrecken’;
da aisl. falma sowohl ‘überrascht werden’, wie ‘tappen, fühlen’ bedeutet, könnten hierher lat. palpor, -āri (auch palpō) ‘streichle’, palpitō ‘zucke’, palpebrae ‘Augenlider’, alb. palun ‘flatternd, zitternd’ und ‘Ahorn’ sowie westgerm. *fōljan (ahd. fuolen, mhd. füelen, ags. fǣlan usw.) ‘fühlen’ gehören, auch mnd. vlader ‘Ahorn’, vladarn ‘flattern’.

WP. II 63 ff., WH. 320 f., 322 f., 327 f., Trautmann 218;die Wörter unter G. könnten auch zu pel-2 gehören; hierher auch pleu- ‘fließen’.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal