Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wanneer - (vragend en betrekkelijk (op welke tijd; onder welke omstandigheden); (als, indien))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

wanneer vragend en betrekkelijk bw. ‘op welke tijd; onder welke omstandigheden’; vgw. ‘als, indien’
Mnl. wan eer, wanneer ‘op welke tijd; als, indien’ in hi dreef wel dicke iamer groet. wan eer so hoge tijt gelach ‘hij weeklaagde dikwijls luid als er een hoogtijdag was’ [1220-40; VMNW], waner men desen brief in diedsch lesen sal ‘wanneer men deze brief in de volkstaal zal voorlezen’ [1236; VMNW], wanneer starf di ‘wanneer bent u gestorven?’ [1276-1300; VMNW].
Gevormd uit mnl. wan eer, letterlijk ‘wanneer vroeger’. Het bijwoord wan, met nevenvorm wanne, is als simplex vooral oostelijk Oud- en Middelnederlands: onl. so wanne so siu slaaphe, thaz sie se newecchan, eer siu selua wolla ‘dat ze haar, wanneer ze ook maar slaapt, niet wekken voor ze zelf wil’ [ca. 1100; Will.], mnl. wanne ‘wanneer’ [1240; Bern.]. Voor mnl. eer ‘vroeger’ zie → eer 2.
Os. hwān ēr (mnd. wannēr); ofri. (h)wannēr, hōnēr (nfri. wannear, hoenear). Bij mnl. wan(ne) ‘wanneer’: os. hwan(na) (mnd. wanne, wenne); ohd. (h)wanne (mhd. wanne, wenne, nhd. (vnw.) wann, (vgw.) wenn, met kunstmatig functieonderscheid sinds de 18e eeuw); ofri. hwanne, hwenne; oe. hwenne, hwænne, hwanne, hwonne (ne. when); got. hwan; < pgm. *hwana, *hwannē. Voor de vergelijkbare vorming *hwan-dē zie → want 3 ‘omdat’.
Pgm. *hwan-nē is (met assimilatie van -m- aan de dentaal -n-) ontwikkeld uit pie. *kwom-nē, afgeleid van de vragende voornaamwoordstam *kwo-, zie → hoe, met hetzelfde achtervoegsel als in het bijwoord → dan 1. Hierbij ook: Latijn quom, cum ‘wanneer’; Oudpruisisch kan, Litouws ka ‘wanneer’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wanneer* [op welke tijd, als] {1201-1250} oudsaksisch hwan ēr, oudfries hwanēr; voor het eerste lid vgl. wen2; het tweede is eer [vroeger]; de betekenis is dus: op welk ogenblik vroeger.

wen2* [wanneer] {wan, wen 1420} oudsaksisch, oudhoogduits (h)wanne, oudfries hwenne, oudengels hwonne, hwanne (engels when); het eerste lid van wanneer.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wanneer bijw. voegw., mnl. wanneer vgl. os. hwan ēr, ofri. hwanēr ‘wanneer’ (eig. wanneer vroeger). Het 1ste lid is mnl. wan, os. hwan, got. hwan en oostmnl. wanne, os. hwanna, hwanne (mnd. wanne, wenne), ohd. (h)wanne, (h)wenne (nhd. wann, wenn), ofri. hwenne, oe. hwonne (ne. when) ‘wanneer’ en zie verder: want 3. — De vorm germ. *hwan is een vorm van de idg. st. *ku̯o evenals dan van de stam *to, vgl. lat. quom ‘wanneer, toen, aangezien’ (de verbinding met iers can, kymr. pan is wegens de bet. ‘vanwaar?’ niet zeker).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wanneer bijw. voegw., mnl. wanneer. = os. hwan êr, ofri. hwanêr “wanneer”, letterlijk “wanneer vroeger”. ’t Eerste lid = os. hwan, got. hwan “wanneer”; door verlenging zijn ontstaan mnl. wanne (: nnl. dial. (Zaansch) en dichterlijk wen), ohd. (h)wanne, (h)wenne (nhd. wann, wenn), os. hwanna, -ne, mnd. wanne, wenne, ofri. hwenne, ags. hwonne (eng. when) “wanneer” (en verwante bett.) en mnl. want “want, omdat, daardoor, zoodat, wanneer, als” (nnl. want, zuidbrab. hagelandsch nog = “indien”), oostmnl. want, went “tot, totdat”, ohd. hwanta “waarom, omdat, want”, os. hwanda “want, omdat”, ofri. hwande (hwende) “id.”, een formatie als got. þande “als, omdat, zoolang als”. Got. hwan enz. is een bijw. van den stam van wie; ’t is gevormd als got. þan (dan), ouder *þana, nog in þana-mais, þana-seiþs “verder, nog”; buiten ’t Germ. vgl. kymr. pan “toen, als, omdat, dat”; lat. quom “wanneer, toen, aangezien” is een andere formatie; lat. quan-do “wanneer” zal wel van quam (een accus.-vorm) “dan, als” gevormd zijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wanneer. Os. hwan = mnl. wan’wanneer’, een gewonere vorm dan (oost)-mnl. wanne. — Naast ags. hwonne ook hwænne (eng. when). — Over ier. can, kymr. pan zie dan Suppl. In mnl. (en nnl. dial.) hoeneer ‘wanneer’ zal men eerder een jongere contaminatie met hoe moeten zien dan een *hwôn-êr (zie eer II): vgl. W.de Vries Tschr. 43, 140.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wen 2 voegw. (wanneer), dial. bijvorm van wan in wanneer.

wanneer voegw., Mnl. id., Onfra., Os. hwanér: het eerste lid is Os. hwan, Ohd. wanne (Mhd. id., Nhd. wann), Ags. hwonne (Eng. when), Ofri. hwenne, Go. hwan = op welk oogenblik, en staat tot wie als dan tot die; — het tweede is eer 1; dus = op welk oogenblik vroeger.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wienie (bijw.) wanneer; Vreugmiddelnederlands wan eer <1220-1240>.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

hoeneer, bw., vw .: wanneer. Mnl. hoeneer, honeer ‘wanneer’, Vnnl. hoenneer, wanneer (Kiliaan). 1781 hoenneer ‘wanneer’, Meierij (Heeroma). Fri. honear. Zoals Ndl. wanneer, Os. hwan êr. De bilabiale w heeft de a tot oe verschoven, waarna wh zich tot h ontwikkeld heeft.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

hoeneer, honeer bw., vw.: wanneer. Mnl. hoeneer, honeer, Fri. honear, Os. hwan êr. Volgens Weijnen kon wh zich ook tot h ontwikkelen, maar daar zijn blijkbaar geen andere voorbeelden van. M.i. is de h hypercorrect of ontstaan door associatie met hoe.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1wanneer bw.
Op watter tyd.
Uit Ndl. wanneer (1552), 'n samestelling van wan 'wanneer, as, indien' en eer 'vroeër'. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die vorm wánner.

2wanneer voegw.
As, op die tyd.
Uit Ndl. wanneer (1515), 'n samestelling van wan 'wanneer, as, indien' en eer 'vroeër'. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die vorm wánner.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

hoeneer wanneer (Oerle, Culemborg, Hilvarenbeek, Overflakkee). = mnl. hoeneer, honeer, fri. honear; wschl. = nl. wanneer = os. hwan êr. De w heeft de overgang van aoooe bewerkt. Oude hw kan zich enerzijds tot w, anderzijds tot h ontwikkelen. Enigszins vergelijkbaar zijn hgd. kot ‘vuil’ (= nl. kwaad), nl. zwoerd (= zwaard) nl. woerd (= waard).
De Bont 1958, 262, WNT VI 811, Naaijkens 62.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wanneer: bw. en voegw., op die/watter tyd(stip); by Trig wanner (lRo T DLT 268); Ndl. wanneer (Mnl. wanneer), vgl. Os. hwan ēr, eint. “wanneer vroeër”, eerste lid Mnl. wanne, dial. wen, Hd. wann, Eng. when, tweede lid eer (Mnl. eer/ere), Hd. eher, Eng. ere, Got. airis, “eerder, vroeër”.

Thematische woordenboeken

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

Verwarring van WANNEER (ALS) met TOEN.Als en wanneer, op het verleden slaande, zien op een zich herhalend feit; betreft het echter één enkel, bijzonder feit, dan gebruikt men in de tegenwoordige algemeene taal altijd toen; in de dialecten echter, vooral in de Zuidnederlandsche, nog altijd als, dat ook bij dichters nog wel voorkomt. Daarnaast wordt nu in de Zuidnederlandsche boekentaal ook wanneer in den zin van toen gebezigd, wat in strijd is niet alleen met de algemeene, maar ook met de dialectische taal. Dit gebruik is dan ook een gallicisme: in het Fransch beteekenen quand en lorsque (want er is tusschen beide geen verschil; zie LITTRÉ op Lorsque en beneden de voorbeelden uit HAVARD) zoowel toen als wanneer en als, en daar wanneer ook in andere gevallen wel degelijk met fr. quand overeenkomt, werd het foutief gebruik daardoor nog in de hand gewerkt. || In 1507 geboren, was onze schilder nog zeer jong, wanneer Mandijn stierf, GEIREGAT, Holl. Schilderk. 32 (bij HAVARD 43: lorsque Mandyn mourut). Hij (zekere schilder) … ging eene lachende … toekomst te gemoet, wanneer de dood hem in 1699 schielijk wegrukte, 190 (bij HAVARD 234: quand la mort l’enleva brusquement). Wanneer, in den zomer van 1881, de molen van baas De Ronne … werd afgebroken, scheen het ons, dat men de herinnering van eenen ganschen tijd … uit ons en anderer kinderleven wegrukte, DE POTTER, Gent 1, 142. Wanneer Breughel door iedereen verlaten was, werd hij door Snijders bijgestaan, ROOSES, Antw. Schildersch. 2, 186. Wanneer hij (t.w. Vondel) zijne loopbaan begon, was zijn land nog met Spanje in den oorlog gewikkeld, SEGERS, Vondel1 130. Het (was) reeds middernacht …, wanneer men zich ter ruste begaf, SEGERS, Gelukkig 74. Wanneer de ketterjagers van Leuven zich bij de Landvoogdes kwamen beklagen over den opgang door Luther’s boeken teweeggebracht enz., FREDERICQ, De Nederl. o. K. Kar. 28. Het einde der zaak was, dat, wanneer reeds een deel van Luther’s vrienden den Rijksdag hadden verlaten, het Edict van Worms op 26 Mei 1521 door den Keizer werd onderteekend met de valsche dagteekening van 8 Mei, 32. In 1527 achtte zich de landvoogdes Margaretha uiterst beleedigd, wanneer de abten van Brabant … haar bij monde van Denijs van Zeverdonk … in ’t Nederlandsch aanspraken, 151 (zie ook 155, 187, 188, 189, 190). Zij waren al vast de veertig door, wanneer zij zijn getrouwd! DE MONT, Fl. Vlind. 106 (er wordt vereischt toen zij trouwden).
– Omgekeerd leest men een enkele maal toen in een verband, waarin als vereischt wordt: toen kan alleen op het verleden zien; met het oog op het tegenwoordige passen als en nu. Maar fr. quand en lorsque worden gebruikt zoowel met betrekking tot het tegenwoordige als tot het verleden; vandaar blijkbaar de fout. || Toen de berouwende echtgenoot belooft met zijne vrouw voortaan in vrede te zullen leven, schenkt hem de Dood genade, FREDERICQ De Nederl. o. K. Kar. 7.

M. Siegenbeek (1847), Lijst van woorden en uitdrukkingen met het Nederlandsch taaleigen strijdende, Leiden

wanneer ook, voor ofschoon, hoewel, is, als eene platte vertaling van het Hoogduitsche wenn auch, stellig af te keuren.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wanneer ‘op welk moment; als, toen’ -> Negerhollands waneer, wanneer, wanǝ, wenǝ, weni, wini, wen ‘op welk moment; als, toen’; Berbice-Nederlands wanere ‘op welk moment; als, toen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wanneer* onderschikkend voegwoord 1300 [MNW]

wanneer* bijwoord van tijd 1321 [MNW]

wen* verouderd onderschikkend voegwoord 1420 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ko-, ke-, fem. kā; kei- die betonten Formen sind Interrogativa, die unbetonten Indefinita, (vermutlich einst nur im Nom. Akk. Sg.); ku- (nur im Adv.); einzelsprachlich z. T. Relativum geworden

1. Stamm ko-, ke-, fem. kā-; Gen. keso, Instr. kī, Zeitadverb kom.
A. Kasuelle Formen und nur einzelsprachlich belegbare Ableitungen:
Ai. ká-ḥ (= phryg. κος ‘irgendeiner’, got. ƕas ‘wer?’), fem. ‘wer?’ und indefinit; idg. kos wohl der alte Nom. Sg. m.;
av. (Gen. gthav. ka-hyā, ča-hyā), fem. ‘wer?, welcher?’, apers. kaš[-čiy], als Indef. mit -čī̆t̰, oder in Doppelsetzung, oder in neg. oder rel. Sätzen; av. ‘wie?’; apers. ada-kaiy ‘damals’ = gr. ποι bei Pindar ‘ποῦ’ gesetzt;
arm. о ‘wer?’ (*ko-, Meillet Esquisse2 189), indef. o-k’ ‘irgendwer’ (-k’ = lat. que), o-mn ‘wer’ (relativ o-r ‘welcher’); k’ani ‘wieviel’, k’an ‘als, nach dem Komparativ’ (= lat. quam), k’anak ‘quantita’ u. dgl.; lat. quantus ‘wie groß’, umbr. panta ‘quanta’ ist von quām mit Formans-to- abgeleitet;
gr. Gen. Sg. hom. τέο, att. τοῦ ‘wessen?’ (= abg. ceso, ahd. hwes; idg. *kes(j)o); Dat. Sg. f. dor. πᾳ̃, att. πῃ̃, ion. κῃ̃ (*kā-) ‘wohin?, wozu?, wie?’; Instr. f. ion. att. πῆ ‘wohin’; Instr. Sg. m. n. kret. ὀ-πῆ ‘wo, wohin’, dor. πή-ποκα, πώ-ποκα, att. πώ-ποτε ‘je einmal, noch je’, πω, ion. κω ‘(*über einen Zeitraum hin, irgendwann =) noch’ und modal ‘irgendwie’ in οὔ πω ‘noch nicht’ und ‘nicnt irgendwie, keinesfalls’ (vgl. got. ƕē sowie lat. quō ‘wohin’, wenn nicht Ablativ); πῶς, ion. κῶς ‘wie’; ποδαπός ‘von woher stammend’ (neutr. *kod + Formans -ŋ̣ko-, vgl.ἀλλοδ-απός oben S. 25 unter *alios ‘anderer’); att. usw. ποῖ ‘wohin’, dor. πεῖ ‘wo’ (Lok.); att. ποῦ, ion. κοῦ ‘wo’ (Gen.); πόθεν ‘von wo?’; hom. πόθι, ion. κόθι ‘wo’; πότε ‘wann?’ (dor. πόκα ‘wann’, vgl. Schwyzer Gr. Gr. 1, 629), ποτέ, lesb. πότα, ion. κοτέ ‘irgendeinmal, einst’, wozu auch ποτέ nach Interrogativen, z. B. τί ποτε ‘was dann’ und - mit erst gr. Red. - τίπτε ds. (s. dazu unter poti-s), πόσε ‘wohin’ (-σε aus -τε) = got. ƕaþ, ƕad ‘wohin’; kret. τεῖον· ποῖον Hes., att. ποῖος ‘qualis’ aus *ko- + oiu̯o- = ai. ḗva- ‘Art und Weise’, ahd. ēwa, vgl. got. laiwa ‘wie?’, s. unter ei- ‘gehen’; zum Wechsel von π- (: ion. κ-): τ- s. Schwyzer Gr. Gr. 1, 293 f.
alb. kë ‘wen?’ (*ko-m), se ‘was?’ (Abl. *kōd mit analogischer Palatalisierung?), si ‘wie?’ (*kei?);
lat. quī (alat. quoi aus *ko + Demonstr. ), quae, quod Rel. und Indefinitum, osk. pui, paí, púd ‘qui, quae, quod’, umbr. po-i, -e, -ei ‘quī’, puře, porse ‘quod’, lat. cuius, cui, quō, quā usw., umbr. pusme ‘cui’; Adv. lat. quō ‘wohin’ (Abl.) = umbr. pu-e ‘quō’ (u = ō, das vor Enklitika nicht verkürzt ist); lat. quam ‘wie, als’ (Akk. Sg. f.) = umbr. [pre-]pa ‘[prius-]quam’, osk. pruter pam ds. (av. kąm-čit̰ ‘in irgendeiner, jeder Weise’, alat. quam-de = umbr. pane, osk. pan ‘quam’; lat. quantus s. oben;
lat. quom, cum ‘wenn, als; so oft als’ (Akk. Sg. n. wie primum usw = av. kǝm ‘wie’, got. ƕan ‘wann’, apr. kan, lit. (dial.) ką ‘wenn’; aksl. ko-gda aus *ko-g(o)da, Meillet Slave commun2 470;
mit -de erweitert umbr. pon(n)e, osk. pún ‘quom’; lat. quandō ‘wann’ (*quām Akk. der Zeiterstreckung + ), umbr. panu-pei ‘quandōque’, mnd. wante ‘bis’; lat. quantus, umbr. panta ‘quanta’ (S. 644);
air. nech, adj. (proklit.) nach ‘aliquis; ullus, quisquam’, cymr. corn. bret. nep (*ne-ko-s, mit Verblassen der Negation in neg. Sätzen mit wiederholte Negation, ebenso lit. kaz-ne-kàs ‘etwas’, kadà-ne-kadà ‘zuweilen’, abg. někъto ‘jemand’); air. cāch, verbunden cach, mcymr. pawp, verbunden pop, corn. pup, pop, pep, bret. pep ‘jeder’ (*kā- oder kō-ko-s; zu abg. kakъ ‘welcher?’), ir. cech ‘jeder’ (das e nach nech); air. can, mcymr. pan (*kanā), mbret. ре-ban ‘woher?’; air. cuin ‘wann?’, mcymr. usw. pan, pann ‘als, wenn’ (*kani?), air. ca-ni, mcymr.po-ny ‘nonne’ (*kā-);
got. ƕas (*ko-s) ‘wer?’ und indefinit (Gen. ƕis, ahd. hwes = abg. ceso, gr. τέο), aschwed. hvar, har, adän. hvā, ags. hwā ‘wer’, mit dem e des Gen. as. hwē, ahd. hwer (*ke-s) ‘wer’; neutr. got. ƕa (*ko-d), ahd. hwaz, an. hvat, ags. hwæt, as. hwat ‘was’; fem. got. ƕō ‘wer? welche?’ : got. ƕan ‘wann, wie’, as. hwan, ahd. hwanne ‘wann’ (näherer Vergleich mit air. can ‘woher’ ist wegen der Bed. fraglich), as. hwanda ‘weil’, ahd. hwanta ‘warum’; got. ƕē ‘womit?’ (Instr.); afries. , as. hwō, ahd. hwuō ‘wie’ zu lat. quō ‘wohin’ (Ablat.), gr. πω, κω ‘irgendwie’;
lit. kàs ‘wer?, was?’ auch indefinit, fem. kà, apr. kas m., ka n. ‘wer?’, kas f. quai, quoi, n. ka (Akk. auch kan, kai) ‘welcher, -e, -es’; lit. kad ‘wenn, daß, damit’ (Konjunktion wie lat. quod, aus dem fragenden Gebrauch, vgl. ai. kad, av. kat̰ adv. Fragewort ‘nun, ob?’); lit. kaĩ, kaĩ-p, apr. kāi-gi ‘wie?’ (= abg. cě; aber über gr. καί s. unter *kai ‘und’);
abg. kъ-to ‘wer?’ (Gen. česo), kyjь, f. kaja, n. koje ‘qui, ποῖος?’, cě ‘καίτοι, καίπερ, εἴπερ’ (s. oben).
B. Ableitungen, die sich durch mehrere Sprachen verfolgen lassen: ko-tero- ‘wer von zweien?’; kā-li- ‘wie?’; ko-ti-, ke-ti- ‘wie viele?’.
Ai. katará-, av. katāra- ‘wer von zweien’, gr. πότερος, ion. κότερος ds., osk. Lok. pútereí-píd ‘in utroque’, umbr. podruh-pei adv. ‘utroque’, putres-pe ‘utriusque’, got. ƕaþar, aisl. hvārr, ags. hwæþer ‘wer von beiden’ (ahd. hwedar, nhd. noch in weder, mit e, wie hwer ‘wer’ : got. ƕas), lit. katràs ‘welcher von beiden, welcher?’, abg. koteryjь, kotoryjь ‘welcher’ Komparativbildung (Beschränkung auf die Wahl zwischen zwei Gegensätzen); superlativisch ai. katamá- ‘welcher von mehreren’; vgl. vom Stamm ku- : lat. uter.
Ai. kadā, av. kaδa ‘wann?’; aber lit. kadà ‘wann?’ aus *kadā̀n; zum Ausgang siehe oben S. 181 ff. (auch für abg. kǫdǫ, kǫdě ‘woher’, lat. quan-do).
Gr. πηλί-κος ‘wie groß? wie alt?’, lat. quālis ‘wie beschaffen’, lit. kõlei, kõl’ ‘wie lange’; vom St. ko- aus: abg. kolikъ ‘wie groß’, kolь ‘quantum’ (Trautmann 111).
Ai. káti ‘wie viele’ = hitt. kuwatta, lat. quot ds. (vom apokopierten quot aus: quotus ‘der wievielte’), ai. kati-thá- ‘der wievielte’ = lat. *quotitei (Lok. m.) diē > cottī-diē ‘amwievielten Tage auch immer, täglich’; gr. lesb. πόσσος (hom. ποσσῆμαρ), att. πόσος, ion. κόσος ‘wie groß’ (*koti-os; πόστος ‘der wievielte’ aus *ποσσοστός; daneben mit idg. e av. čaiti ‘wie viele’, bret. pet in pet dez ‘wieviel Tage’, petguez ‘quotiēns’.
Ai. kár-hi ‘wann?’ = got. ƕar, aisl. hvar (*kor) ‘wo?’ und relativ (davon got. ƕarjis, aisl. hverr ‘welcher’, eig. ‘wo er’, wie aus lit. kur̃ [*kū̆r] ‘wo’ + jìs ‘er’ das lit. Rel. kurìs, kur̃s ‘welcher’ erwuchs); ē-stufig ags. hwǣr, ahd. as. hwār ‘wo’; ō-stufig lat. cūr ‘warum, weshalb’, alt quōr.
Eine Parallelbildung zu lat. quis in alat. quir-quir ‘ubicunque’.
2. Stamm kei-, gleiche Form für Maskul., Neutr. und Femin.:
Ai. kím ‘was? was’, kíḥ ‘wer?’, ná-ki-ḥ ‘niemand’ (mit k statt c; letzteres lautgesetzlich in:) ai. cit (cid), av. cit̰, apers. čiy ‘sogar, jedenfalls’ (ursprüngl. Nom. Sg. n. *ki-d; s. auch unter ke ‘und’); av. čiš ‘wer’, čišca = lat. quisque, gr. τίς τε, apers. čiš-čiy ds.; av. čī ‘wie’ (Instr.);
arm. in in-č ‘etwas’ (= ai. kimcid), das auch im ersten Glied hierher, mit Abfall des k- wie i (z-i) ‘was?’ (*kid-), Instr. i-v ‘wodurch, womit’, (s. auch oben zu arm. о ‘wer’); zum Alb. s. oben unter 1;
gr. τίς (*kis) m. f. (thess. κίς, ark. kypr. σίς), n. τί (*kid) ‘wer? welcher, -e, -es?’ und τὶς, τὶ ‘(irgend) wer, was’, Akk. m. *τιν (*kim) erw. zu τίνα, wonach τίνος, τίνι, Pl. n. *ki̯ǝ in megar. σά μάν ‘wieso?’ τὶ μην; böot. τά ‘warum’ = lat. quia; auch in ion. ἄσσα, att. ἄττα, ‘τινὰ Nom. Pl.’ (durch falsche Trennung aus ὁποῖά σσα) und mit dem relativen ἅ verbunden ἅσσα, att. ἅττα;
lat. quis, quid ‘wer, was’ (fragend, indefinit, relativ), quī Adv. ‘wodurch, wovon (rel.); wie denn, warum (frag.); irgendwie (in Wunschformeln)’ (könnte Abl. *kīd sein, aber doch wohl auf Grund eines Instr. *ki = av. čī, sloven. či ‘wenn’, čech. či ‘ob’, ags. usw. hwī ‘wie, wozu, warum’); quī-n (aus -ne) ‘wie nicht; daß nicht, ohne’, quia-nam ‘warum’, quia ‘daß, weil’ (Akk. Pl. *k) s. oben;
osk. pis, píd ‘quis, quid’ (fragend, indefinit, unbestimmt-relativ), umbr. sve-pis ‘sī quis’, pis-i ‘quis, quisquis’; gedoppelt osk. pispis, lat. quisquis, argiv. τίστις in verallgemeinernd indef. Sinne;
air. cid ‘was?’ mit dem i von c-id ‘obwohl es sei’; ursprüngl. wie das adj. ced aus *ce ed;
air. cia ‘wer’, cymr. pwy, corn. pyw, bret. piou ‘wer’ (*kei); verbunden cymr. py, pa, p- usw. (air. cote, cate ‘was ist’, ‘wo ist’ ist unklar);
got. ƕi-leiks, ags. hwilc ‘wie beschaffen’; ags. hwī, as. hwī, hwiu, aisl. hvī ‘wie, wozu, warum’ (kī Instr.);
abg. čь-to ‘was’; Instr. kī (s. oben) in sloven. či ‘wenn; auch Fragepartikel’, čech. či ‘ob’, poln. czy ‘ob’, russ. alt či ‘wenn’, abg. či-mь Instr. daraus erweitert;
über toch. A kus, В kuse ‘welcher’ s. Pedersen Toch. 121;
hitt. Frage- und Relativpron. kuiš ‘wer, welcher’, verallgemeinernd kuiš kuiš usw. (= lat. quisquis) ‘wer immer’, Indefinitum kuiš-ki (= lat. quisque) ‘irgend jemand’, n. kuit-ki (= lat. quidque); lyk. ti-ke (= hit kuiš-ki); s. P. Tedesco Lang. 21, 128 ff., A. Hahn Lang. 22, 68 ff.
3. Stamm ku-:
Ai. kū́, av. ‘wo?’, ved. kuv-íd ‘ob, etwa’, av. čū ‘wie, in welchem Maße?’ (č- nach čī ‘wie?’); ai. kúva, kvá ‘wo, wohin’; ai. kútra, av. kuθra ‘wo? wohin?’; ai. kútaḥ ‘woher’; ai. kúha = gathav. kudā ‘wo’ (= abg. kъde; idg. *ku-dhe; s. unten lat. ubi); av. kuθa ‘wie’; hierher auch ar. ku als 1. Zsglied zum Ausdruck des Schlechten, Mangelhaften (eig. ‘was für ein...!’), z. B. ai. ku-putra- ‘schlechter Sohn’, av. ku-nāiri ‘Hure’, vgl. böot. πούλιμος ‘Heißhunger’ (*πυ-), aböot. Πυλιμιάδᾱς, auch von den Stämmen ko- und ki-: ai. ka-, kā-, kad-, kim-, z. B. kā-puruṣa- ‘Wicht’, ka-pūya- ‘übelriechend’, kiṃ-puruṣa- ‘Kobold, Zwerg’ (W. Schulze Kl. Schr. 399 f.);
kret. ὄ-πυι ‘wohin’, syrak. πῦς (*πυι-ς), rhod. ὅπῡς ‘wohin’ (*πυι neugebildet zu ποῖ);
alb. kur ‘als, wann’ (s. unter 1. В bei den r-Bildungen = lit. kur̃, arm. ur), kurrë ‘je’ (*kur-nei), ku ‘wo’, ku-sh ‘wer’, kü-sh ‘wie’ (ü aus idg. ū);
lat. ubī̆ ‘wo’ (dazu unde gebildet nach ibi : inde), woneben inlaut. -cubī in nē-cubi, sī-cubi, ali-cubi, nesciō-cubi, nun-cubi (nē-cunde usw.); es ist das durch die Stämme lat. quo-, quā, quī vor der Entlabialisierung durch u bewahrte q- vor u zu qw- geworden und qwu- hat anl. wu-, u- ergeben, während in *nē-qwubi usw. infolge der Silbentrennung nēq-wubī der Gutt. erhalten blieb; ist ubī̆ nach Lok. auf (*ei, *oi) aus *ubĕ = ai. kúha, av. kudā, abg. kъde umgebildet = osk. puf ‘ubi’ (umbr. erweitert zu pufe ‘ubi’)?; nach Pedersen Hitt. 50 f. enthalten ubi, ibivielmehr die idg. Adverbialendung -bhi (gr. -φι), vgl. hitt. ku-wa-pi (kwabi) ‘wo, wann?’; entsprechend lat. ut ‘wie, damit, daß’ (uti-nam, -que) und utī, alat. utei (Umbildung wie in ubī) aus *ku-ti (us-piam, -quam ‘irgendwo’ aus ut + adv. s = osk. puz, umbr. puz-e aus *kut-s-), uter, utra, -um ‘welcher von beiden’ aus *ku-teros (parallel mit πότερος usw.), unquam, umquam ‘irgendeinmal’ (kum- temporaler Akk.); ob umbr. pu-e (-o Part.) ‘wo’ = ai. ist oder *kō, ist fraglich;
mcymr. cw, cwd (= ð), cwt (= d) ‘wo, wohin’ (*ku-) = air. со ‘wie?’;
got. -hun zur Bildung unbestimmter Pronomina: ni ains-hun ‘nicht irgendeiner’, usw.; ags. ‘wie’, engl. how, afries. , mnd. ;
lit. kur̃ ‘wo’ (s. oben 1. B); auch lit. dial. kũ ‘was?’ aus *kun? apr. quei ‘wo’ aus *ku-ei und wohl der Ausgangspunkt des qu- statt k- im fem. Nom. quai, quoi usw.;

WP. I 514 ff., WH. I 313, II 397 f., 404 ff., 408 f., 410 ff., Trautmann 110 f., 120 f., 133, 134, Meillet Slave commun2 442 ff., 469, Schwyzer Gr. Gr. 1, 293 f., 615 ff., Wackernagel-Debrunner 3, 558 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal