Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wat - (voornaamwoord)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

wat vragend en betrekkelijk vnw.
Onl. wat ‘wat’ in de glosse uuatte ine (lees uuat thanne) ‘wat dan?’ [891-900; ONW], uuad duo mi man ‘wat zou een mens me kunnen aandoen?’ [10e eeuw; W.Ps.], u[uat] [u]mbida[n] [uu]e nu ‘waarop wachten we nu?’ [1091-1110; CG II-1, 130], wanda ich wola weyz, waz himo lief is ‘want ik weet goed wat hem aangenaam is’ [ca. 1100; Will.]; mnl. wat ook ‘wat voor, welk’ in wat herscape mogte he walden ‘welk grondgebied zou hij willen besturen?’ [1200; VMNW], Van der penitentien ende wat hier penitentie geheeten es ‘over de boetedoening en over wat hier boetedoening genoemd wordt’ [1236; VMNW], wat so hi doed ombe hem tebescermene ‘wat hij ook maar doet om zich te beschermen’ [1237; VMNW].
Os. huat (mnd. wat); ohd. (h)waz (nhd. was); ofri. hwet (nfri. wat); oe. hwæt (ne. what); on. hvat (nzw. vad); got. hwa; < pgm. *hwat ‘wat’.
Ontwikkeld uit pie. *kwo-d, de onzijdige vorm van de bijvoeglijke vorm van het vragend voornaamwoord *kwo-, zie → hoe. Hieruit ontstond o.a. het Latijnse betrekkelijk vnw. o. quod. Zie ook → wie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wat* [vragend vnw.] {oudnederlands wad 901-1000, middelnederlands wat} oudsaksisch hwat, oudhoogduits (h)waz, oudfries hwet, oudengels hwæt, oudnoors hvat, gotisch hwă; buiten het germ. latijn quod, oudiers cid, oudpruisisch ka, oudindisch kad.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wat vnw., mnl. wat, onfrank. wad (d dooi sandhi), os. hwat, ohd. hwaʒ, waʒ (nhd. was), ofri. hwet, oe. hwæt (ne. what), on. hvat ‘wat’. — oi. kát ‘wat?’, lat. quod (welk?, dat, relativum en voegw.), opr. ka ‘wat, dat (rel.)’, uit idg. *ku̯o-d. — Zie verder: wie.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wat vnw., mnl. wat. = onfr. wad (d door sandhi), ohd. (h)waʒ (nhd. was), os. hwat, ofri. hwet, ags. hwæt (eng. what), on. hvat “wat?”. Een formatie als dat; got. hwa “wat?” met t-afval uit *χwat = ier. *cod in cote “quod est”, lat. quod “dat (relatief en voegw.), welk?”, opr. ka “wat, dat” (relatief), oi. kát “wat?” en vraagpartikel. Zie verder wie.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wat. Als vragend vnw. heeft het de emphatische bijvorm watte, mnl. (zeldzaam) watte, gevormd naar datte (zie dat Suppl. ) en ditte (zie dit en dit Suppl. ). Vgl. ook ikke (ik Suppl. ). Of ier. cote ‘quod est’ *cod > idg. *quod bevat, is twijfelachtig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wat voornw., Mnl. id., Onfra. wad, Os. hwat + Ohd. waʒ (Mhd. id., Nhd. was), Ags. hwæt (Eng. what), Ofri. hwet, On. hvat (Zw., De. hvad), Go. hwa (uit hwat) + Skr. kat, Lat. quod, Oier. cod, Opr. ka: onz. van wie (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wat: vnw., ons. vorm v. wie; Ndl. en Mnl. wat, Hd. was (Ohd. hwaz), Eng. what (Oeng. hwaet, Os. hwat, On. hvat), hou verb. m. Lat. quod.

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

wat: nou en of! ■ en wat!

— Ben jij nog gisteravond met die “Sjikse” (christin) uit geweest? vraagt Timpie aan Nachie?
En wat! zegt Nachie, en wat!
Waar ben je met her na toe geweest? (A.M. REENS, 1905)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

wat. De verwensing je kunt me wat! betekent thans ‘bekijk het maar, zoek het maar uit’ en drukt minachting en onverschilligheid uit. Daarnaast kennen wij in het hedendaags Nederlands de vloek krijg nou wat!, die staat voor woede, verbazing, ongeloof e.d. In Den Haag komt als versterkte variant nog voor krijg het vuige nou wat! Wat duidt als het voorafgaat aan vloeken en verwensingen als wat drommel! de intensiteit van de verbazing, woede, verbijstering enz. aan. Sanders en Tempelaars (1998) schrijven: “In nogal wat verwensingen wordt nader gespecificeerd aan welk deel van het lichaam men iets mag krijgen.” Zij noemen: krijg wat aan je donder!; krijg wat aan je lip!; krijg wat aan je lul!; krijg wat aan je oog! en krijg wat aan je pik! krijgen, kunnen.

Ch.F. Haje (1932), Taalschut, schrijf weer Nederlandsch, Leiden

Veel wat
Buitengewoon slordig schrijft men tegenwoordig wat in plaats van dat als betrekkelijk vnw. Het hinderlijkst werkt dit, als het antecedent een substantief is: Het groote huis wat we vroeger bewoonden. Het groote gebeuren wat in Rusland omgaat. - Maar ook, wanneer het antecedent een adjectief of een voornaamwoord is, zijn de schrijvers te tellen, die nog het gevoel bewaard hebben voor: het goede dat, het prettige dat, veel dat, het vele dat, het weinige dat, iets dat, niets dat.
De taal bezigt wat 1. als het antecedent een zin is: Hij heeft ons leelijk om den tuin geleid, wat we van iemand, die zich zoo fatsoenlijk voordeed, nooit verwacht hadden.
2. Na het aanwijzende dat: dat is het wat mij in hem tegenvalt. 3. Als wat staat voor dat + wat: Wat (= dat wat) gij niet wilt, dat u geschiedt. 4. Na al: Al wat, alles wat hij beweert je proeft er de leugen uit.
Iets dat bepaalt, iets wat laat in het midden: Hij bezit iets dat van waarde is en dat is zijn werkkracht. Hij heeft iets wat mij tegenstaat. Niets dat wij meer bejammeren dan het heengaan van dezen staatsman. Hij verzuimde niets te doen wat ons hinderen kon.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wat ‘vragend voornaamwoord’ -> Petjoh wat ‘vragend voornaamwoord’; Javindo wat ‘vragend voornaamwoord’; Negerhollands wat, awa, wa, ouder: da(na)wat ‘wat, welke, wat voor, die, dat (betrekkelijk voornaamwoord)’; Berbice-Nederlands wa, wati ‘vragend voornaamwoord’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) awa, wa ‘vragend voornaamwoord’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

R. Schutz (2007), Brekend nieuws, Nijmegen

en dan wat?. Letterlijke vertaling van Engels and then what? = en dan?; en toen?; Er zit een soort onzichtbare chat-functie bij als je lid word of zo? Je kan je als "vriend" ergens aansluiten? En dan wat?(2006); Wat als... en dan wat? Werk in een Decison Tree precies uit wat de gevolgen zijn van de besluiten die je kunt nemen. Waar kun je tegenaan lopen?; De eerste worpen zijn idd klein.. dus ook weinig overlevers. En maanvissen zijn echte jagers wat dat betreft.. weinig kans dus. De jongen zullen meerdere malen tevoorschijn komen.. en dan wat?

of wat?. Letterlijke vertaling van Engels or what?; Cruijff rancuneus of wat? (1998); Is het nou een relatie of wat?; Wat is er anders aan een NDOer? Zien die er anders uit of wat?? doen die anders???; Hé, ben je kinds of wat?

zo wat?. Letterlijke vertaling van Engels so what? = nou en?; wat dan nog?; Oke, dan verbind ik een waardeoordeel aan mijn persoonlijke smaak, nou, zo wat :-), dat doen we toch allemaal. (1993); Mensen het interesseert me niet wat ze WEL en NIET konden in de sixties. Tegenwoordig kan het wel, dus zo wat; Ik ben doof en zo wat? kost € 15,50 excl. 2,70 verzendkosten; En niet na het uiterlijk kijken, Luister de muziek en als die je aanstaat mag je pas wat zeggen. Zo zijn hun nu eenmaal en hun act, nou zo wat!?

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wat* vragend voornaamwoord 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ko-, ke-, fem. kā; kei- die betonten Formen sind Interrogativa, die unbetonten Indefinita, (vermutlich einst nur im Nom. Akk. Sg.); ku- (nur im Adv.); einzelsprachlich z. T. Relativum geworden

1. Stamm ko-, ke-, fem. kā-; Gen. keso, Instr. kī, Zeitadverb kom.
A. Kasuelle Formen und nur einzelsprachlich belegbare Ableitungen:
Ai. ká-ḥ (= phryg. κος ‘irgendeiner’, got. ƕas ‘wer?’), fem. ‘wer?’ und indefinit; idg. kos wohl der alte Nom. Sg. m.;
av. (Gen. gthav. ka-hyā, ča-hyā), fem. ‘wer?, welcher?’, apers. kaš[-čiy], als Indef. mit -čī̆t̰, oder in Doppelsetzung, oder in neg. oder rel. Sätzen; av. ‘wie?’; apers. ada-kaiy ‘damals’ = gr. ποι bei Pindar ‘ποῦ’ gesetzt;
arm. о ‘wer?’ (*ko-, Meillet Esquisse2 189), indef. o-k’ ‘irgendwer’ (-k’ = lat. que), o-mn ‘wer’ (relativ o-r ‘welcher’); k’ani ‘wieviel’, k’an ‘als, nach dem Komparativ’ (= lat. quam), k’anak ‘quantita’ u. dgl.; lat. quantus ‘wie groß’, umbr. panta ‘quanta’ ist von quām mit Formans-to- abgeleitet;
gr. Gen. Sg. hom. τέο, att. τοῦ ‘wessen?’ (= abg. ceso, ahd. hwes; idg. *kes(j)o); Dat. Sg. f. dor. πᾳ̃, att. πῃ̃, ion. κῃ̃ (*kā-) ‘wohin?, wozu?, wie?’; Instr. f. ion. att. πῆ ‘wohin’; Instr. Sg. m. n. kret. ὀ-πῆ ‘wo, wohin’, dor. πή-ποκα, πώ-ποκα, att. πώ-ποτε ‘je einmal, noch je’, πω, ion. κω ‘(*über einen Zeitraum hin, irgendwann =) noch’ und modal ‘irgendwie’ in οὔ πω ‘noch nicht’ und ‘nicnt irgendwie, keinesfalls’ (vgl. got. ƕē sowie lat. quō ‘wohin’, wenn nicht Ablativ); πῶς, ion. κῶς ‘wie’; ποδαπός ‘von woher stammend’ (neutr. *kod + Formans -ŋ̣ko-, vgl.ἀλλοδ-απός oben S. 25 unter *alios ‘anderer’); att. usw. ποῖ ‘wohin’, dor. πεῖ ‘wo’ (Lok.); att. ποῦ, ion. κοῦ ‘wo’ (Gen.); πόθεν ‘von wo?’; hom. πόθι, ion. κόθι ‘wo’; πότε ‘wann?’ (dor. πόκα ‘wann’, vgl. Schwyzer Gr. Gr. 1, 629), ποτέ, lesb. πότα, ion. κοτέ ‘irgendeinmal, einst’, wozu auch ποτέ nach Interrogativen, z. B. τί ποτε ‘was dann’ und - mit erst gr. Red. - τίπτε ds. (s. dazu unter poti-s), πόσε ‘wohin’ (-σε aus -τε) = got. ƕaþ, ƕad ‘wohin’; kret. τεῖον· ποῖον Hes., att. ποῖος ‘qualis’ aus *ko- + oiu̯o- = ai. ḗva- ‘Art und Weise’, ahd. ēwa, vgl. got. laiwa ‘wie?’, s. unter ei- ‘gehen’; zum Wechsel von π- (: ion. κ-): τ- s. Schwyzer Gr. Gr. 1, 293 f.
alb. kë ‘wen?’ (*ko-m), se ‘was?’ (Abl. *kōd mit analogischer Palatalisierung?), si ‘wie?’ (*kei?);
lat. quī (alat. quoi aus *ko + Demonstr. ), quae, quod Rel. und Indefinitum, osk. pui, paí, púd ‘qui, quae, quod’, umbr. po-i, -e, -ei ‘quī’, puře, porse ‘quod’, lat. cuius, cui, quō, quā usw., umbr. pusme ‘cui’; Adv. lat. quō ‘wohin’ (Abl.) = umbr. pu-e ‘quō’ (u = ō, das vor Enklitika nicht verkürzt ist); lat. quam ‘wie, als’ (Akk. Sg. f.) = umbr. [pre-]pa ‘[prius-]quam’, osk. pruter pam ds. (av. kąm-čit̰ ‘in irgendeiner, jeder Weise’, alat. quam-de = umbr. pane, osk. pan ‘quam’; lat. quantus s. oben;
lat. quom, cum ‘wenn, als; so oft als’ (Akk. Sg. n. wie primum usw = av. kǝm ‘wie’, got. ƕan ‘wann’, apr. kan, lit. (dial.) ką ‘wenn’; aksl. ko-gda aus *ko-g(o)da, Meillet Slave commun2 470;
mit -de erweitert umbr. pon(n)e, osk. pún ‘quom’; lat. quandō ‘wann’ (*quām Akk. der Zeiterstreckung + ), umbr. panu-pei ‘quandōque’, mnd. wante ‘bis’; lat. quantus, umbr. panta ‘quanta’ (S. 644);
air. nech, adj. (proklit.) nach ‘aliquis; ullus, quisquam’, cymr. corn. bret. nep (*ne-ko-s, mit Verblassen der Negation in neg. Sätzen mit wiederholte Negation, ebenso lit. kaz-ne-kàs ‘etwas’, kadà-ne-kadà ‘zuweilen’, abg. někъto ‘jemand’); air. cāch, verbunden cach, mcymr. pawp, verbunden pop, corn. pup, pop, pep, bret. pep ‘jeder’ (*kā- oder kō-ko-s; zu abg. kakъ ‘welcher?’), ir. cech ‘jeder’ (das e nach nech); air. can, mcymr. pan (*kanā), mbret. ре-ban ‘woher?’; air. cuin ‘wann?’, mcymr. usw. pan, pann ‘als, wenn’ (*kani?), air. ca-ni, mcymr.po-ny ‘nonne’ (*kā-);
got. ƕas (*ko-s) ‘wer?’ und indefinit (Gen. ƕis, ahd. hwes = abg. ceso, gr. τέο), aschwed. hvar, har, adän. hvā, ags. hwā ‘wer’, mit dem e des Gen. as. hwē, ahd. hwer (*ke-s) ‘wer’; neutr. got. ƕa (*ko-d), ahd. hwaz, an. hvat, ags. hwæt, as. hwat ‘was’; fem. got. ƕō ‘wer? welche?’ : got. ƕan ‘wann, wie’, as. hwan, ahd. hwanne ‘wann’ (näherer Vergleich mit air. can ‘woher’ ist wegen der Bed. fraglich), as. hwanda ‘weil’, ahd. hwanta ‘warum’; got. ƕē ‘womit?’ (Instr.); afries. , as. hwō, ahd. hwuō ‘wie’ zu lat. quō ‘wohin’ (Ablat.), gr. πω, κω ‘irgendwie’;
lit. kàs ‘wer?, was?’ auch indefinit, fem. kà, apr. kas m., ka n. ‘wer?’, kas f. quai, quoi, n. ka (Akk. auch kan, kai) ‘welcher, -e, -es’; lit. kad ‘wenn, daß, damit’ (Konjunktion wie lat. quod, aus dem fragenden Gebrauch, vgl. ai. kad, av. kat̰ adv. Fragewort ‘nun, ob?’); lit. kaĩ, kaĩ-p, apr. kāi-gi ‘wie?’ (= abg. cě; aber über gr. καί s. unter *kai ‘und’);
abg. kъ-to ‘wer?’ (Gen. česo), kyjь, f. kaja, n. koje ‘qui, ποῖος?’, cě ‘καίτοι, καίπερ, εἴπερ’ (s. oben).
B. Ableitungen, die sich durch mehrere Sprachen verfolgen lassen: ko-tero- ‘wer von zweien?’; kā-li- ‘wie?’; ko-ti-, ke-ti- ‘wie viele?’.
Ai. katará-, av. katāra- ‘wer von zweien’, gr. πότερος, ion. κότερος ds., osk. Lok. pútereí-píd ‘in utroque’, umbr. podruh-pei adv. ‘utroque’, putres-pe ‘utriusque’, got. ƕaþar, aisl. hvārr, ags. hwæþer ‘wer von beiden’ (ahd. hwedar, nhd. noch in weder, mit e, wie hwer ‘wer’ : got. ƕas), lit. katràs ‘welcher von beiden, welcher?’, abg. koteryjь, kotoryjь ‘welcher’ Komparativbildung (Beschränkung auf die Wahl zwischen zwei Gegensätzen); superlativisch ai. katamá- ‘welcher von mehreren’; vgl. vom Stamm ku- : lat. uter.
Ai. kadā, av. kaδa ‘wann?’; aber lit. kadà ‘wann?’ aus *kadā̀n; zum Ausgang siehe oben S. 181 ff. (auch für abg. kǫdǫ, kǫdě ‘woher’, lat. quan-do).
Gr. πηλί-κος ‘wie groß? wie alt?’, lat. quālis ‘wie beschaffen’, lit. kõlei, kõl’ ‘wie lange’; vom St. ko- aus: abg. kolikъ ‘wie groß’, kolь ‘quantum’ (Trautmann 111).
Ai. káti ‘wie viele’ = hitt. kuwatta, lat. quot ds. (vom apokopierten quot aus: quotus ‘der wievielte’), ai. kati-thá- ‘der wievielte’ = lat. *quotitei (Lok. m.) diē > cottī-diē ‘amwievielten Tage auch immer, täglich’; gr. lesb. πόσσος (hom. ποσσῆμαρ), att. πόσος, ion. κόσος ‘wie groß’ (*koti-os; πόστος ‘der wievielte’ aus *ποσσοστός; daneben mit idg. e av. čaiti ‘wie viele’, bret. pet in pet dez ‘wieviel Tage’, petguez ‘quotiēns’.
Ai. kár-hi ‘wann?’ = got. ƕar, aisl. hvar (*kor) ‘wo?’ und relativ (davon got. ƕarjis, aisl. hverr ‘welcher’, eig. ‘wo er’, wie aus lit. kur̃ [*kū̆r] ‘wo’ + jìs ‘er’ das lit. Rel. kurìs, kur̃s ‘welcher’ erwuchs); ē-stufig ags. hwǣr, ahd. as. hwār ‘wo’; ō-stufig lat. cūr ‘warum, weshalb’, alt quōr.
Eine Parallelbildung zu lat. quis in alat. quir-quir ‘ubicunque’.
2. Stamm kei-, gleiche Form für Maskul., Neutr. und Femin.:
Ai. kím ‘was? was’, kíḥ ‘wer?’, ná-ki-ḥ ‘niemand’ (mit k statt c; letzteres lautgesetzlich in:) ai. cit (cid), av. cit̰, apers. čiy ‘sogar, jedenfalls’ (ursprüngl. Nom. Sg. n. *ki-d; s. auch unter ke ‘und’); av. čiš ‘wer’, čišca = lat. quisque, gr. τίς τε, apers. čiš-čiy ds.; av. čī ‘wie’ (Instr.);
arm. in in-č ‘etwas’ (= ai. kimcid), das auch im ersten Glied hierher, mit Abfall des k- wie i (z-i) ‘was?’ (*kid-), Instr. i-v ‘wodurch, womit’, (s. auch oben zu arm. о ‘wer’); zum Alb. s. oben unter 1;
gr. τίς (*kis) m. f. (thess. κίς, ark. kypr. σίς), n. τί (*kid) ‘wer? welcher, -e, -es?’ und τὶς, τὶ ‘(irgend) wer, was’, Akk. m. *τιν (*kim) erw. zu τίνα, wonach τίνος, τίνι, Pl. n. *ki̯ǝ in megar. σά μάν ‘wieso?’ τὶ μην; böot. τά ‘warum’ = lat. quia; auch in ion. ἄσσα, att. ἄττα, ‘τινὰ Nom. Pl.’ (durch falsche Trennung aus ὁποῖά σσα) und mit dem relativen ἅ verbunden ἅσσα, att. ἅττα;
lat. quis, quid ‘wer, was’ (fragend, indefinit, relativ), quī Adv. ‘wodurch, wovon (rel.); wie denn, warum (frag.); irgendwie (in Wunschformeln)’ (könnte Abl. *kīd sein, aber doch wohl auf Grund eines Instr. *ki = av. čī, sloven. či ‘wenn’, čech. či ‘ob’, ags. usw. hwī ‘wie, wozu, warum’); quī-n (aus -ne) ‘wie nicht; daß nicht, ohne’, quia-nam ‘warum’, quia ‘daß, weil’ (Akk. Pl. *k) s. oben;
osk. pis, píd ‘quis, quid’ (fragend, indefinit, unbestimmt-relativ), umbr. sve-pis ‘sī quis’, pis-i ‘quis, quisquis’; gedoppelt osk. pispis, lat. quisquis, argiv. τίστις in verallgemeinernd indef. Sinne;
air. cid ‘was?’ mit dem i von c-id ‘obwohl es sei’; ursprüngl. wie das adj. ced aus *ce ed;
air. cia ‘wer’, cymr. pwy, corn. pyw, bret. piou ‘wer’ (*kei); verbunden cymr. py, pa, p- usw. (air. cote, cate ‘was ist’, ‘wo ist’ ist unklar);
got. ƕi-leiks, ags. hwilc ‘wie beschaffen’; ags. hwī, as. hwī, hwiu, aisl. hvī ‘wie, wozu, warum’ (kī Instr.);
abg. čь-to ‘was’; Instr. kī (s. oben) in sloven. či ‘wenn; auch Fragepartikel’, čech. či ‘ob’, poln. czy ‘ob’, russ. alt či ‘wenn’, abg. či-mь Instr. daraus erweitert;
über toch. A kus, В kuse ‘welcher’ s. Pedersen Toch. 121;
hitt. Frage- und Relativpron. kuiš ‘wer, welcher’, verallgemeinernd kuiš kuiš usw. (= lat. quisquis) ‘wer immer’, Indefinitum kuiš-ki (= lat. quisque) ‘irgend jemand’, n. kuit-ki (= lat. quidque); lyk. ti-ke (= hit kuiš-ki); s. P. Tedesco Lang. 21, 128 ff., A. Hahn Lang. 22, 68 ff.
3. Stamm ku-:
Ai. kū́, av. ‘wo?’, ved. kuv-íd ‘ob, etwa’, av. čū ‘wie, in welchem Maße?’ (č- nach čī ‘wie?’); ai. kúva, kvá ‘wo, wohin’; ai. kútra, av. kuθra ‘wo? wohin?’; ai. kútaḥ ‘woher’; ai. kúha = gathav. kudā ‘wo’ (= abg. kъde; idg. *ku-dhe; s. unten lat. ubi); av. kuθa ‘wie’; hierher auch ar. ku als 1. Zsglied zum Ausdruck des Schlechten, Mangelhaften (eig. ‘was für ein...!’), z. B. ai. ku-putra- ‘schlechter Sohn’, av. ku-nāiri ‘Hure’, vgl. böot. πούλιμος ‘Heißhunger’ (*πυ-), aböot. Πυλιμιάδᾱς, auch von den Stämmen ko- und ki-: ai. ka-, kā-, kad-, kim-, z. B. kā-puruṣa- ‘Wicht’, ka-pūya- ‘übelriechend’, kiṃ-puruṣa- ‘Kobold, Zwerg’ (W. Schulze Kl. Schr. 399 f.);
kret. ὄ-πυι ‘wohin’, syrak. πῦς (*πυι-ς), rhod. ὅπῡς ‘wohin’ (*πυι neugebildet zu ποῖ);
alb. kur ‘als, wann’ (s. unter 1. В bei den r-Bildungen = lit. kur̃, arm. ur), kurrë ‘je’ (*kur-nei), ku ‘wo’, ku-sh ‘wer’, kü-sh ‘wie’ (ü aus idg. ū);
lat. ubī̆ ‘wo’ (dazu unde gebildet nach ibi : inde), woneben inlaut. -cubī in nē-cubi, sī-cubi, ali-cubi, nesciō-cubi, nun-cubi (nē-cunde usw.); es ist das durch die Stämme lat. quo-, quā, quī vor der Entlabialisierung durch u bewahrte q- vor u zu qw- geworden und qwu- hat anl. wu-, u- ergeben, während in *nē-qwubi usw. infolge der Silbentrennung nēq-wubī der Gutt. erhalten blieb; ist ubī̆ nach Lok. auf (*ei, *oi) aus *ubĕ = ai. kúha, av. kudā, abg. kъde umgebildet = osk. puf ‘ubi’ (umbr. erweitert zu pufe ‘ubi’)?; nach Pedersen Hitt. 50 f. enthalten ubi, ibivielmehr die idg. Adverbialendung -bhi (gr. -φι), vgl. hitt. ku-wa-pi (kwabi) ‘wo, wann?’; entsprechend lat. ut ‘wie, damit, daß’ (uti-nam, -que) und utī, alat. utei (Umbildung wie in ubī) aus *ku-ti (us-piam, -quam ‘irgendwo’ aus ut + adv. s = osk. puz, umbr. puz-e aus *kut-s-), uter, utra, -um ‘welcher von beiden’ aus *ku-teros (parallel mit πότερος usw.), unquam, umquam ‘irgendeinmal’ (kum- temporaler Akk.); ob umbr. pu-e (-o Part.) ‘wo’ = ai. ist oder *kō, ist fraglich;
mcymr. cw, cwd (= ð), cwt (= d) ‘wo, wohin’ (*ku-) = air. со ‘wie?’;
got. -hun zur Bildung unbestimmter Pronomina: ni ains-hun ‘nicht irgendeiner’, usw.; ags. ‘wie’, engl. how, afries. , mnd. ;
lit. kur̃ ‘wo’ (s. oben 1. B); auch lit. dial. kũ ‘was?’ aus *kun? apr. quei ‘wo’ aus *ku-ei und wohl der Ausgangspunkt des qu- statt k- im fem. Nom. quai, quoi usw.;

WP. I 514 ff., WH. I 313, II 397 f., 404 ff., 408 f., 410 ff., Trautmann 110 f., 120 f., 133, 134, Meillet Slave commun2 442 ff., 469, Schwyzer Gr. Gr. 1, 293 f., 615 ff., Wackernagel-Debrunner 3, 558 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal