Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wenkbrauw - (ooghaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

wenkbrauw zn. ‘haarboog boven het oog’
Mnl. winbra(u)wen ‘wenkbrauwen, oogleden met wimpers’ [1287; VMNW], wintbraeuwen [1300-25; MNW-R], wincbrawen [1404; MNW]; vnnl. wenkbraeuw [1625; iWNT].
Op grond van de verwante West-Germaanse woorden is de klankwettige vorm van dit woord wintbrauw, een samenstelling van een woord voor ‘haar’ en een woord brauw voor ‘ooglid’. In het Nederlands is het woord volksetymologisch vervormd onder invloed van → wenken. Oude vormen met wint- of wink-, ook wel geassimileerd tot wim- of wimp- of met klinkerverlenging wijm-, wijnk-, komen in sommige dialecten nog steeds voor, evenals vormen met een volksetymologisch vervormd tweede lid. Zie ook → wimper hieronder.
Os. wintbrāw(i)a (mnd. winbrā(we)); ohd. wintbrāwa (maar nhd. Augenbraue); nfri. wynbrau; alle ‘wenkbrauw en/of wimper’, < pgm. *wint-brēwō-. Het nhd. (Augenbraue) en de andere Germaanse talen hebben samenstellingen met ‘oog’.
Het eerste lid pgm. *wint- komt in het Germaans verder niet voor en is wrsch. verwant met: Grieks íonthos ‘haarwortel, jonge baard’; Oudpruisisch wanso ‘jonge baard’; Oudkerkslavisch vǫsŭ ‘baard, snor’; Middeliers find ‘hoofdhaar’; < pie. *uendh-, *uondh- ‘haar, baard’ (IEW 1148).
Bij het tweede lid *brēwō-, dat als simplex ook reeds ‘wenkbrauw’ betekent, horen: os. brāwa, brāha; ohd. brāwa (nhd. Braue); oe. brǣw ‘ooglid’ (ne. brow ‘voorhoofd’); nzw. -brå in baldersbrå ‘kamille’. Met andere stamklinker staat daarnaast pgm. *brū-, waaruit: oe. brū ‘wimper’ (Schots bree ‘wenkbrauw’); on. brún ‘brauw’ (nzw. bryn), overdrachtelijk ook ‘rand’ (nno. brun).
Pgm. *brēwō- < pie. *bhrēu- en pgm. *brū- < pie. *bhruH- zijn verwant met: Grieks ophrũs; Sanskrit bhrū́-; Avestisch bruuat-; Litouws bruvìs; Oudkerkslavisch brŭvĭ (Russisch brov'); Oudiers -brū; Tochaars A pärwän-; alle ‘wenkbrauw’, < pie. *h3bh rēuH-, genitief *h3bhruH-os (IEW 172).
Herleiding van pgm. *brēwō- tot ouder *brēgwō- (Voyles 1992), dat dan door grammatische wisseling verwant zou zijn met o.a. pgm. *brehwōn- ‘flikkeren’ (mhd. brehen, on. brjá) en de onder → berk besproken woorden, is onwaarschijnlijk.
wimper zn. ‘ooghaartje’. Nnl. wimper ‘ooghaar’ in En kussen 't zij' der wimpers van dat oog ‘en kussen de zijdezachte wimpers van dat oog’ [1835; WNT]. Ontwikkeld uit een van de vele nevenvormen van wenkbrauw, met sterk gereduceerd tweede lid, vergelijkbaar met dat in bijv. wingerd uit wijngaard. Mogelijk beïnvloed door Duits Wimper ‘wimper’, dat op dezelfde manier is ontstaan.
Lit.: J.B. Voyles (1992), Early Germanic Grammar, Seattle, 45

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wimper* [ooghaartje] {1835} verkort uit wenkbrauw.

wenkbrauw* [haarboog boven oogkas] {winbra(u)we 1287, wintbrauwe 1340-1350, wincbrawe ca. 1404, wenkbrauw 1625} de vorm wenk- o.i.v. wenken (middelnederlands wenken [toewenken, een oogje toedoen, knikkebollen]), oudsaksisch, oudhoogduits wintbrawa, waarvan het eerste lid is te verbinden met grieks ionthos [eerste baardhaar], waarvoor de w is weggevallen en met oudpruisisch wanso [eerste baard]; voor het tweede lid vgl. oudsaksisch, oudhoogduits brawa, oudengels bræw, oudnoors brá zoals in Baldersbrá voor ‘kamille’ (lett.: wenkbrauw van Balder); buiten het germ. grieks ophrus [rand, wenkbrauw], oudindisch bhrū-, oudiers fabrú [wenkbrauwen], litouws bruvis, oudkerkslavisch brŭvĭ, waarin de betekenis ‘rand’ primair is.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

wenkbrauw

Met wenken heeft het eerste lid van de samenstelling niets te maken. Dat bewijst al het Middelnederlandse wintbrauwe. Dit woord wint vindt men terug in het Grieks ionthos, dat uit wiwonthos is ontstaan en: uitslag in het gezicht, maar ook: baardhaar betekent. Het tweede deel, brauw, is al even moeilijk te doorzien. Met een heleboel geleerdheid is aan te tonen dat het verwant is met het woord brug in de zin van welving, rand. Vandaar het werkwoord breeuwen: de randen, de naden dichtstoppen.

Zo komen wij tot de verklaring van het woord wenkbrauw als: rand van haar.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wenkbrauw znw. v. is een jongere vervorming onder invloed van wenken uit mnl. wint-bra(e)uwe (waarnaast ook reeds wincbraeuwe, wencbraeuwe), os. wintbrawia, ohd. wintbrawa. Een sterk verkorte vorm is nnl. wimper. — Men verbindt het 1ste deel wind- met miers find ‘hoofdhaar’, gr. íonthos m. ‘haarwortel, jonge baard’, opr. wanso v. ‘de eerste baard’ (IEW 1148; reeds voorgesteld door Lidén IF 19, 1906, 345). — Het 2de lid is mnl. bra(e)uwe v. ‘wenkbrauw, ooglid’, os. ohd. brāwa (nhd. braue), oe. brǣw, on. brā, die Noreen SVS Uppsala 5 Nr. 3, 1897, 7 verbonden heeft met oe. brū (ne. brow), on. brūn v., die men verder kan verbinden met gr. óphrus, oi. bhrū-, miers brūad (2. nv. dual.), osl. brŭvĭ, lit. bruvis m. ‘brauw’, opr. wubri v. ‘wimper’, toch. A pärwān- ‘brauw’ (IEW 172). — Maar deze verklaring strandt op de vormen os. ohd. brāha, oe. brēg, die er op wijzen, dat men moet uitgaan van een grondvorm *brēhwō, *brēg(w)ō, die IEW 142 verbindt met on. augnabragð ‘knippen met de ogen, ogenblik’, verwant met mhd. brehen ‘plotseling oplichten’, on. brjā ‘opflikkeren’ (zie verder ook: breien).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wenkbrauw znw. Met vervorming van ’t eerste lid naar wenken uit mnl. wint-bra(e)uwe (ook reeds winc-, wenc-bra(e)uwe) v. = ohd. wint-brâwa v. “wenkbrauw”, os. wint-brâwia v. “id.” (of ohd.?). ’t Zelfde woord, met sterke reductie van ’t tweede lid, is nhd. wimper v., nnl. wimper “ooghaar”. Dialectisch komen allerlei afwijkende vormen voor, voor ’t vaststellen van den grondvorm echter van weinig belang. Het eerste lid wordt wel van winden afgeleid (“zich windende brauw”), maar met meer recht met ier. find, finn “haar” gecombineerd en verder met gr. íonthos (*wiwondho-) “jong baardhaar, uitslag op ’t gezicht bij den eersten baardgroei”, ier. fês “haar”, ksl. (v)ąsŭ “barba, mystax”, opr. wanso “eerste baard” (de laatste drie uit *wendh-s-o-, *wondh-s-o-, -â-). De oorspr. bet. van ohd. wintbrâwa enz. was dan “haar-brauw” of “haar-rand”. ’t Tweede lid, mnl. bra(e)uwe v. “wenkbrauw, ooglid” = ohd. os. brâwa (nhd. braue), ags. bræ̂w, on. brâ v. “id.”. Ablautend met ags. brû (eng. brow), on. brûn v., ier. brû, gr. ophrūs, serv. ȍbrva, obg. brŭvĭ, lit. bruvis, oi. bhrū́ḥ, bhruváḥ “id.”. De bij brug genoemde woorden, die ongetwijfeld verwant, deels identisch met de hier genoemde zijn, maken een grondbet. “welving, rand” wsch. De bet. “rand” van mnl. bra(e)uwe v. (zie breeuwen), on. brûn v. kan direct hierop teruggaan, maar ’t hoeft niet: vgl. ier. brû “rand”, gr. ophrūs “heuvelrand”. Misschien hierbij nog lit. briaunà “stompe kant”. Dat we van een idg. woord voor “weg uit evenwijdig gelegde stokken of stammen, in moerasstreken” moeten uitgaan, waaruit eenerzijds “brug” anderzijds “wenkbrauw” (de evenwijdigheid der stokken resp. haren zou ’t tertium comparationis zijn), is een wild-fantastische hypothese zonder waarde.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wenkbrauw (tweede lid). Bij mnl. bra(e)uwe enz. toevoegen: “ofri. (âg-)brê o. ‘id.” Ags. bræ̑w (angl. brêg) is o. — Het is niet nodig deze groep van ags. brû enz. te scheiden, gelijk veelal geschiedt, en met got. brahw (o.?) augins ‘ogenblik’ (zie brasem, breien en breien Suppl.) te verbinden.
Een grondbet., die de — stellig bestaande — verwantschap resp. identiteit met de bij brug genoemde woorden behoorlijk toelicht, is noch door Schrijnen KZ. 50, 144 vlgg., noch door Persson Beitr. 17 afdoende geconstrueerd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wimper m., gelijk Hgd. id., uit windbrauw (z. wenkbrauw).

wenkbrauw v., Mnl. wincbraue, vervormd uit wintbraue; het eerste lid is de stam van winden; — het tweede lid is Mnl. bra(e)uwe, Os. brâwa + Ohd. id. (Mhd. brâwe, Nhd. braue), Ags. bréaw, On. brá: *brêw-. Daarnevens met zw. wortelgraad Ags. brú (Eng. brow), On. brún: Ug. *brû- + Skr. bhrūṣ, Perz. abrū, Gr. ophrús, Oier. brú, Osl. brŭvĭ (= 1. wenkbrauw, 2. brug), Lit. bruvis: Idg. *bhrū-, Met de bet. welving deels verwant, deels identisch met brug, welks g uit w ontstond, evenals die van zeug of negen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

wijnsbrauwen, zn.: wenkbrauwen. Vgl. Zeeuws winsbreeuwen. Mnl. winbrauwe, wintbraeuwe. De Ndl. vorm wenkbrauw is ontstaan onder invloed van wenken.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

wimper s.nw.
Haartjie op die rand van die ooglid.
Uit Ndl. wimper (1835), 'n verkorting van Mnl. wim(p)brauw, met reduksie van die tweede lid, met lg. 'n wisselvorm van wenkbrauw 'wenkbrou'.
Die eerste lid van Mnl. wim(p)brauw hou mntl. verband met Middeliers find 'haar', met -brauw wat verbind kan word met Oudiers bru (Eng. brow) 'rand van die oogkas'. Die oorspr. bet. van brou kan dan 'rand' wees, n.a.v. die plek van die wimper op die rand van die ooglid, of die woord kon ontstaan het uit Oudsaksies of Oudhoogduits braha 'knip van die oë', dus na die beweging van die ooglid.
D. Wimper (11de eeu).

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

wimbreeuwen, winsbreeuwen, wiesbreeuwen zn. mv.: wenkbrauwen. Mnl. winbrauwe, wintbraeuwe. De Ndl. vorm wenkbrauw is ontstaan onder invloed van wenken. Wies < wins door elisie van de n voor s.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

brouwe (ZV), zn. v.: voor, ploegvoor. Ook Wvl. brauw(e) 'aangeaard bed, ploegvoor, paadje tussen akkers'. Mnl. brauwe 'rand', Vnnl. brauwe 'rand' (Kiliaan). Hetzelfde woord als D. Braue, het tweede lid in wenkbrauw. Os., Ohd. brawa 'uitsprong, hoogte', Mhd. brâ, Oe. brû, E. brow 'wenkbrauw; bovenrand, steile helling', On. brâ, Gr. ophrus 'rand, wenkbrauw'.

brauw, bra (G, noord, ZO, zuidwest), zn. m./v.: voor, smal paadje langs de akker, laatst overgebleven strook land bij het ploegen. Ook Wvl. brauw(e) 'aangeaard bed, staande kant van een ploegvoor', brauwken 'smal paadje tussen de akkers' (De Bo). Mnl. brauwe 'rand', Vnnl. brauwe 'rand, omloop' (Kiliaan). Os., Ohd. brâwa, D. Braue, On. brâ, (ablautend) Oe. brû, E. brow, Lit. bruvis, Oudkerkslavisch bruvi, Oind. bhrû, waarvan de oorspr. bet. 'rand' is, zoals in Gr. ophrûs 'heuvelrand' en Oudiers brû 'rand'. De wenkbrauw is dan de 'haarboog boven de oogkas'. D. Braue 'wenkbrauw' zou evenwel beantwoorden aan Os. brâha, Mhd. brâ, Oe. bræ^w, Mhd. brehen 'plotseling oplichten, schitteren', On. augnabragð 'knippen van de ogen, ogenblik', Got. brahwa augins 'ogenblik' < Germ. grondvorm *brêgwô (zie Kluge, Pfeifer, De Vries-De Tollenaere).

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1brou s.nw.
1. Wenkbrou. 2. Verbindingstuk aan 'n toom tussen die oogklap en sterband om te verhinder dat die oogklap na buite wegbuig.
In bet. 1 'n verkorting van wenkbrou. In bet. 2 'n afleiding van brou (1brou 1), wsk. so genoem omdat die verbindingstuk ook bo-oor die oog loop en aan 'n wenkbrou herinner.

wenkbrou s.nw. Ook winkbrou.
Haarboog bokant die oog.
Uit Ndl. wenkbrauw (ongeveer 1510). Ndl. wenkbrauw het onder die invloed van wenken 'wink' ontstaan uit Mnl. winbra(u)we 'wenkbrou'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

brauw laatste berm die nog geploegd moet worden (West-Vlaanderen, West-Zeeuws-Vlaanderen). Misschien metaforisch gebruikt tweede element van wenkbrauw. Waarschijnlijker echter daarmee rechtstreeks ~ gezien oiers. brû ‘rand’ en gr. ophrús ‘heuvelrand’.
WVD I afl. ploegen 164, EW 425-426.

wiendbraachen wenkbrauwen (Veluwe). Vgl. mnl. wintbrauwe, os. wintbrawia, ohgd. wintbrauwa. Het eerste deel ~ miers. fínd ‘hoofdhaar’. Vgl. voor het tweede deel ono. augnabragð ‘knippen met de ogen, ogenblik’ en oeng. brēg ‘wenkbrauw’.
Van Schothorst 228, NEW 828.

wiensbriewe wenkbrauw (Goeree). Het eerste deel = het eerste deel van wiendbraachen ↑’id.’. Het tweede deel is gezien de palatale vocaal niet identiek met het tweede deel van ohgd. wintbrawa maar met dat van os. wintbrawia.
TNTL XLIV 192.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wenkbrou: – winkbrou/wysbrou(e)/(dial.) wysbrame – , beweeglike haarboog bokant oog; Ndl. wenkbrauw, waarby wenk- uit Ndl. wenken (v. wenk/wink), volkset. uit wind/wint (Mnl. wintbra(e)uwe naas wenc-/wincbra(e)uwe = Ohd. wintbrawa), wsk. verb. hou m. Gr. ionthos, “haarwortel”, terwyl Mnl. bra(e)uwe, Hd. braue (Ohd. brāwa), Eng. brow (Oeng. brū) verb. hou m. Gr. (o)phrus, “rand; wenk-/winkbrou”, en mntl. ook (hoewel oortuigende bewys nog ontbreek) met Ndl./Afr. brug; ong. “haar op brug/rand v. d. oog” – redukv. i. Ndl./Afr. wimper (reeds by Kil wim(p)-/win-/wijn(d)-/wijnghbrauwe/-brae naas Ndl. dial. wien- by Mole en tLa; weyn-/wijn- by Boek ZV; wijns- by Cor-Ver en by Opp; wies- by Ghijs, wu. wys- i. Afr.); vgl. Kloe HGA 206.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

-brauw Onderdeel van enkele vogelnamen zoals Geelbrauwgors en Wenkbrauwalbatros. E eyebrow; D Augenbraue. ‘Wenkbrauw’ (Lat supercilium) moet bij een vogel in overdrachtelijke zin worden opgevat; hij bestaat niet uit haren maar uit veren en is niet doorgaans zwart, maar meestal juist licht van kleur. De overeenkomst is dat hij zich net boven het oog bevindt. Bij de Wenkbrauwalbatros ↑ is de ‘wenkbrauw’ (beter is hier te spreken van een oogstreep!) zwart.
ETYMOLOGIE N wenkbrauw <mnl wincbrawe; ohd wintbrawa (meer over de etymologie van het eerste element zie sub Wenkbrauwalbatros). Voor brauw zijn verschillende verklaringen mogelijk. Eén ervan voert naar de grondbetekenis ‘rand’. In het verwante Gr ophrús zijn de betekenissen ‘rand’ en ‘wenkbrauw’ verenigd. Hierbij oudnoords augabrún [Mackensen]. Bij de andere horen oudnoords augnabragð ‘knippen met de ogen, ogenblik’, oudsaksisch/ohd brāha en oudengels brēg, verwant met oudnoords brjá ‘blinken, fonkelen’ en mhd brehen ‘plotseling oplichten’. Misschien is de gedachte hierbij dat door het optrekken van de wenkbrauwen de ogen duidelijker zichtbaar worden. [VT; NEW; AEW; Weekley]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wenkbrauw ‘haarboog boven oogkas’ -> Papiaments wènkbrou ‘haarboog boven oogkas’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wenkbrauw* haarboog boven oogkas 1625 [WNT]

wimper* ooghaartje 1835 [WNT]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bherǝk̑-, bhrēk̑- ‘glänzen’, gleichwertig mit bherǝg̑-, bhrēg̑- ds. (s. dort, auch wegen doppeldeutiger Worte)

Ai. bhrā́śatē ‘flammt, leuchtet’ (unbelegt);
gr. φορκόν· λευκόν, πολιόν, ῥυσόν Hes., vgl. aber S. 134;
vielleicht hierher air. brecc ‘gefleckt’, cymr. brych ds., gall. PN Briccius (aus *bhr̥k̑-, mit expressiver Konsonantendehnung);
unsichere Vermutungen über die Herkunft von cymr. breuddwyd ‘Traum’, mir. bruatar ds. bei Pedersen Litteris 7, 18, Pokorny IF. Anzeiger 39, 12 f.; ob aus *bhroghdh-eiti-, -ro-?
mhd. brehen ‘plötzlich und stark aufleuchten’, aisl. brjā, brā (*brehōn) ‘aufleuchten’, braga, bragða ‘funkeln, flammen’, bragð ‘Augenblick’, mit ursprgl. bloß präs. -dh- auch aisl. bregða, Prät. brā ‘schnell bewegen, schwingen, vorwerfen’, ags. bregdan, brēdan st. V. ‘schnell bewegen, schwingen’, engl. braid ‘flechten’, upbraid ‘vorwerfen’, ahd. brettan, mhd. bretten ‘ziehen, zucken, weben’ (dazu ahd. brīdel, ags. brīdel, älter brigdels ‘Zaum, Zügel’);
mit Formans -u̯o- got. braƕ in in braƕa augins ‘ἐν ῥιπῃ̃ όφθαλμοῦ, im Augenblick’ (vgl. aisl. augnabragð n. ‘Augenblick, Zwinkern mit den Augen’) und dehnstufiges *brḗhwā, *brēʒwā́ in aisl. brā f. ‘Wimper’, ags. brǣw, brēaw, brēg m. ‘Augenlid’, as. brāha ‘Augenbraue’, slegi-brāwa ‘Augenlid’, ahd. brāwa f. ‘Braue’, wint-prāwa ‘Wimper’ (die Bed. ‘Braue’ von *ƀrū- ‘Braue’, idg.*bhrū-, bezogen); daß trotz Schwyzer Gr. Gr. I. 350, 4636 und Specht Dekl. 83, 162 ahd. brāwa nicht auf *bhrēu̯ā zurückgehen kann, wird durch den grammat. Wechsel im Ags. bewiesen, der eine Form mit -ku̯- voraussetzt (Sievers-Brunner 200).
Hierher wohl der Fischname ahd. brahs(i)a, brahsina, as. bressemo ‘Brassen’, norw. brasma, brasme ds., ablaut. aisl. brosma ‘eine Art Dorsch’.
Hitt. pár-ku-iš (parkuiš) ‘rein’, pár-ku-nu-uz-zi (parkunuzi) ‘reinigt’.

WP. II 169, Feist 76 f., 103 f., Couvreur H̯ 327.

bhrū-1 ‘Augenbraue’, z. T. mit anlautendem Vokal, idg. o- oder a- (vollere Wurzelform?); nach Persson Beitr. 17 liegt ein verdunkeltes Kompositionsglied *ok- ‘Auge’ (mit. Kons.-Assimilation) vor.

Ai. bhrū́-ḥ f., Akk. bhrúv-am ‘Braue’, av. brvat- f. (Du.) ‘Brauen’, npers. ebrū, brū ds.(Hübschmann IA. 10, 24);
gr. ὀφρῦς, -ύος f. ‘Braue’, übertragen ‘erhöhter Rand, Hügelrand’ (nach Meillet BSL 27, 129 f. mit griech. Vokalprothese?);
maked. ἀβροῦτες ‘ὀφρύες’ (von Kretschmer Einl. 287 in ἀβρούFες geändert; von Meillet, s. Boisacq 733 Anm. 3, wegen der anderweitig bezeugten Form ἀβροτες und wegen av. brvat- festgehalten);
mir. brūad Gen. Du., brāi, brōi Nom. Du. f. ‘Brauen’ (zum Diphthong s. Thurneysen Grammar 199), air. forbru Akk. Pl. (*bhrūns : Akk. ὀφρῦς), forbrú Gen. Pl. ‘supercilia’; unklar sind mir. Pl. abrait (*abrant-es oder *abrantī) ‘Augenlider, Brauen’, desgleichen mbr. abrant ‘Braue’, cymr. amrant ‘Augenlid’, die Specht (Dekl. 83, 162) zu lat. frōns ‘Stirn’ stellen möchte; aber Vokalismus und Bedeutung weichen ab;
ags. brū, aisl. brūn, Pl. brynn ‘Braue’ (kons. St., aus *ƀruwūn-, vgl. *tungūn, tungo, kontrahiert und dadurch zur flexivischen Sonderentwicklung gelangt).
lit. bruvìs m. ‘Braue’, žem. auch brū̆nės Pl., apr. wubri f. ‘Wimper’ (scheint Umstellung aus*bruwi);
abg. brъvь (ursprünglicher Nom. *bry, wie kry : krъvъ), skr.-ksl. obrъvъ, skr. ȍbrva usw. ‘Braue’.
Eine e-Abl. bhru̯ē- mit silbisch gewordenem r sieht Trautmann KZ. 44, 223 in lit. birwe = bruvìs.
Toch. A pärwān-, В pärwāne (Dual) ‘Augenbrauen’.

WP. II 206 f., Trautmann 38.

u̯endh-3 ‘Haar, Bart’

Gr. ἴονθος m. ‘Haarwurzel, junger Bart, Gesichtsausschlag’ (*u̯i-u̯ondhos), ἰονθάς ‘zottig’;
mir. find ‘Haupthaar’, air. Gen. Pl. finnae (*u̯endhu-), jünger Nom. Sg. mir. finna ds., nir. fionnān ‘Sumpfgras’, woraus mcymr. gwynnawn ds.; mir. fēs ‘Schamhaar, Haar’ (*u̯endh-s-o-); ahd. wintbrāwaWimper’ (Haarrand); apr. wanso f. ‘der erste Bart’, aksl. vǫsъ, ǫsъ ‘barba, mystax’ (bsl. *u̯ondh-s-o-, ).

WP. I 262, Trautmann 341, Vasmer 3, 189 f., Frisk 729 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal