Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wie - (vragend (welk persoon; ieder die))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

wie vragend vnw. ‘welk persoon; ieder die’
Onl. wie, ‘wie’ in uuie sal geuan mi fetheron also duuon ‘wie zal mij vleugels geven als de duiven?’, uue gehorda ‘wie luisterde’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. wie (vragend en betrekkelijk vnw.) ‘wie’ in dan wirt ... scin. wie gewís magit si ‘dan wordt duidelijk wie beslist maagd is’ [1201-25; VMNW], Wien men alup ut den hus steken mach ‘wie men zonder pardon uit het tehuis mag verwijderen’ [1236; VMNW], zelden we [1240; Bern.], Wie dat ten clockeslaghe niet ne comd, hi sald ... ‘wie er niet is als de klok slaat, die moet ...’ [1254; VMNW], Wie sijn die mi dos wel behagen ‘wie zijn het die mij zozeer behagen?’ [1265-70; VMNW].
Os. hwē ‘wie’ (mnd. we).
Wrsch. een jonge nieuwvorming, onder invloed van die (zie → d(i)e), bij pgm. *hwa- ‘wie’, waaruit: ofri. hwā (nfri. wa); oe. hwa, hwā (ne. who); ozw. hvá(r) (nzw. (vero.) ho); got. hwas. Pgm. *hwa- is ontwikkeld uit pie. *kwo-, de bijvoeglijke vorm van het vragende voornaamwoord, zie → hoe.
Daarnaast nog ohd. (h)wer ‘wie’ (nhd. wer), uit pgm. *hwiz of gevormd onder invloed van er ‘hij’, en nzw. vem; nde. hvem, oorspronkelijk de datief van het vnw.
Onl./nnl. wie en os. hwē kunnen ook rechtstreeks ontwikkeld zijn uit pgm. *hwēi < pie. *kwē-i, zoals ook Latijn quī ‘wie, welke’ < pie. *kwo-i en Oudiers cía ‘wie’ < pie. *kwe-i.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wie* [vragend vnw.] {oudnederlands we, wie 901-1000, middelnederlands wie} oudsaksisch hwē, hwie, oudhoogduits (h)wer, oudengels, ouddeens hwā, oudnoors hverr, gotisch hwas; buiten het germ. zijn verwant latijn quis, grieks tis, litouws kas, oudiers cía, welsh pwy, hettitisch kuiš, avestisch (vr.) ka, oudindisch ka-; ter verklaring van de diverse vormen moet worden uitgegaan van stammen die reeds in het i.-e. enigszins van elkaar afweken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wie vnw., mnl. wie, onfrank. we, wie, os. hwē, hwie, ohd. wie ‘wie?’ < idg. *ku̯ēi, vgl. lat. qui ‘die (rel.), wat voor’ (< *ku̯oi), oiers cia (< *ku̯ē̆i) ‘wie?’. Men denkt ook aan een germ. nieuwe formatie (naar het voorbeeld van got. þē) uit een ouder *hwa, vgl. ofri. oe. hwa (ne. who), nde. hva, got. hwas ‘wie?’ = oi. ka-ḥ, lit. kàs, os. kŭ-to ‘wie?’, vgl. gr. po-then ‘vanwaar?’. Van de stam *ku̯ei nog lat. quis, gr. tís, oi. kíh, ‘wie’, oiers cid ‘wat’, osl. čĭ-to ‘wat’, hitt. kuiš ‘wie’ (IEW 646-647). — Zie nog: hoe, waar 2, wanneer, wat en welk.

Een kaart der dialectische vormen geeft K. Heeroma, Taalatlas van Oost-Nederland Nr. 19.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wie vnw., mnl. wie. = onfr. wē̆, wie, ohd. wie (tweemaal Tatian, anders (h)wër), os. hwê, hwie “wie?”. Uit idg. *qêi verklaard (vgl. hieronder ier. cia); eer naar *þê (die) gevormd naast ouder ofri. ags. hwā̆ (eng. who), ode. hwa, got. hwas “wie?” = obg. * in kŭ-to, lit. kàs, oi. káḥ “id.”. In andere talen van den stam *qe-, *qo- o.a. ier. cia “wie? wat?” (*qei), lat. quî, oud quoi “die (relatief), welke, wat voor?”, gr. téo, toũ “cuius?”, alb. “wien?” (*qom), arm. o, ov “wie?”. Van den stam *qi- lat. quis, gr. tís, av. čiš “wie?”, oi. ná-kiḥ “niemand”. ’t O. ier. cid, lat. quid, gr. “wat?” = oi. cit versterkende partikel, arm. č̣ in in-č̣ “iets”, arm. i “wat?”. Behalve *qe-, *qo-en *qi- had het Idg. nog den vragenden pronominaalstam *qu-, o.a. in osk. puf “waar”, kretisch ò-pui “waarheen”, obg. kŭ-de, lit. kur̃, alb. ku, oi. kū́ “waar?”. Zie nog hoe, waar III, wanneer, wat, welk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wie voornw., Mnl. id., Onfra. wie, we, Os. hwie, hwê + Ohd. wer (Mhd. en Nhd. id.), Ags. hwá (Eng. who), Ofri. hwá, On. hverr (Zw. ho, De. hvo), Go. hwas: Germ. *hwa- en *hwi + Skr. kas, Gr. tís en põs (Idg. q = Gr. t vóór e, i, — p vóór a, o), Lat. qui, quis, Ier. co, Osl. kŭto, Lit. kas: Idg. wrt. qi en wrt. qo.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wee (vrag. vnw.) wie; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) wai, Aajdnederlands wie <901-1000>.

wie 1. (bw.) hoe 2. (vw.) toen 3. (vw.) zoals; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) wie < Duits wie.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

wie, wei, vw.: zoals, toen, hoe. D. wie. Ohd. (h)wie, (h)wio, ablautend naast Os. hwô, Mnd. , Mnl. hoe, Oe. , E. how.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

wie, wei zoals, toen, hoe (Limburg). = hgd. wie ‘id.’, een ablautende variant van hoe.
Roukens 1937, krt. 87, 85, 90, NEW 259.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wie: vnw.: Ndl. wie (Mnl. wie), Ohd. wie, Os. hwē/hwie, Oeng. hwa, Got. hwas, hou verb. m. Lat. quis, “wie”, quid, “wat”, Gr. tis, “wie”, ti, “wat”, asook m. waar, wanneer, welk I.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Wie ben ik, dat...., retorische vraag waarop het antwoord 'niemand, een nietswaardige' verwacht wordt; bescheidenheidsformule.

Mogelijk stamt het gebruik van wie ben ik, dat ... en varianten met andere persoonlijke voornaamwoorden uit de bijbel. Vergelijk onder meer Exodus 3:11, 'Mozes zei: "Maar wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?"' (NBV). De ik-persoon of de persoon om wie het gaat stelt zich voor een bepaalde eer niet waardig te zijn of niet te zijn opgewassen tegen een bepaalde taak. De uitdrukking staat meestal in de eerste persoon in de bijbel, waar het een bescheidenheidsformule is tegenover God; nu is het een algemene bescheidenheidsformule.

Liesveldtbijbel (1526), Exodus 3:11. Mose sprac tot God, wie ben ic, dat ick tot Pharao gaen soude, ende leyden die kinderen van Israel wt Egipten?
En ook Lo had er een [een motto]: 'Wie ben ik dat ik Lo mag heten.' (Hij glimlachte er delicaat bij.) (F.B. Hotz, Het werk, 1997 (Proefspel, 1980), dl. 1, p. 588)
Zijn oordeel [dat van premier Kok] doet ertoe. Wat hem betreft kan daarover geen misverstand bestaan, hoezeer het Hollandse 'wie ben ik dat ik dit mag doen' zijn houding ook bepaalt. (De Volkskrant 28-11-1998, p. 7)
[Vraag aan SER-voorzitter H. Wyffels, kritisch en invloedrijk adviseur in vele maatschappelijke sectoren:] Wie bent u dat u in Nederland deze rol vervult? (NRC, 21-11-1998, p. 33)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wie ‘vragend voornaamwoord’ -> Negerhollands wie, awi, awidi, widi, ouder: da(na)wie ‘vragend voornaamwoord’; Berbice-Nederlands wi ‘vragend voornaamwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wie* vragend voornaamwoord 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ko-, ke-, fem. kā; kei- die betonten Formen sind Interrogativa, die unbetonten Indefinita, (vermutlich einst nur im Nom. Akk. Sg.); ku- (nur im Adv.); einzelsprachlich z. T. Relativum geworden

1. Stamm ko-, ke-, fem. kā-; Gen. keso, Instr. kī, Zeitadverb kom.
A. Kasuelle Formen und nur einzelsprachlich belegbare Ableitungen:
Ai. ká-ḥ (= phryg. κος ‘irgendeiner’, got. ƕas ‘wer?’), fem. ‘wer?’ und indefinit; idg. kos wohl der alte Nom. Sg. m.;
av. (Gen. gthav. ka-hyā, ča-hyā), fem. ‘wer?, welcher?’, apers. kaš[-čiy], als Indef. mit -čī̆t̰, oder in Doppelsetzung, oder in neg. oder rel. Sätzen; av. ‘wie?’; apers. ada-kaiy ‘damals’ = gr. ποι bei Pindar ‘ποῦ’ gesetzt;
arm. о ‘wer?’ (*ko-, Meillet Esquisse2 189), indef. o-k’ ‘irgendwer’ (-k’ = lat. que), o-mn ‘wer’ (relativ o-r ‘welcher’); k’ani ‘wieviel’, k’an ‘als, nach dem Komparativ’ (= lat. quam), k’anak ‘quantita’ u. dgl.; lat. quantus ‘wie groß’, umbr. panta ‘quanta’ ist von quām mit Formans-to- abgeleitet;
gr. Gen. Sg. hom. τέο, att. τοῦ ‘wessen?’ (= abg. ceso, ahd. hwes; idg. *kes(j)o); Dat. Sg. f. dor. πᾳ̃, att. πῃ̃, ion. κῃ̃ (*kā-) ‘wohin?, wozu?, wie?’; Instr. f. ion. att. πῆ ‘wohin’; Instr. Sg. m. n. kret. ὀ-πῆ ‘wo, wohin’, dor. πή-ποκα, πώ-ποκα, att. πώ-ποτε ‘je einmal, noch je’, πω, ion. κω ‘(*über einen Zeitraum hin, irgendwann =) noch’ und modal ‘irgendwie’ in οὔ πω ‘noch nicht’ und ‘nicnt irgendwie, keinesfalls’ (vgl. got. ƕē sowie lat. quō ‘wohin’, wenn nicht Ablativ); πῶς, ion. κῶς ‘wie’; ποδαπός ‘von woher stammend’ (neutr. *kod + Formans -ŋ̣ko-, vgl.ἀλλοδ-απός oben S. 25 unter *alios ‘anderer’); att. usw. ποῖ ‘wohin’, dor. πεῖ ‘wo’ (Lok.); att. ποῦ, ion. κοῦ ‘wo’ (Gen.); πόθεν ‘von wo?’; hom. πόθι, ion. κόθι ‘wo’; πότε ‘wann?’ (dor. πόκα ‘wann’, vgl. Schwyzer Gr. Gr. 1, 629), ποτέ, lesb. πότα, ion. κοτέ ‘irgendeinmal, einst’, wozu auch ποτέ nach Interrogativen, z. B. τί ποτε ‘was dann’ und - mit erst gr. Red. - τίπτε ds. (s. dazu unter poti-s), πόσε ‘wohin’ (-σε aus -τε) = got. ƕaþ, ƕad ‘wohin’; kret. τεῖον· ποῖον Hes., att. ποῖος ‘qualis’ aus *ko- + oiu̯o- = ai. ḗva- ‘Art und Weise’, ahd. ēwa, vgl. got. laiwa ‘wie?’, s. unter ei- ‘gehen’; zum Wechsel von π- (: ion. κ-): τ- s. Schwyzer Gr. Gr. 1, 293 f.
alb. kë ‘wen?’ (*ko-m), se ‘was?’ (Abl. *kōd mit analogischer Palatalisierung?), si ‘wie?’ (*kei?);
lat. quī (alat. quoi aus *ko + Demonstr. ), quae, quod Rel. und Indefinitum, osk. pui, paí, púd ‘qui, quae, quod’, umbr. po-i, -e, -ei ‘quī’, puře, porse ‘quod’, lat. cuius, cui, quō, quā usw., umbr. pusme ‘cui’; Adv. lat. quō ‘wohin’ (Abl.) = umbr. pu-e ‘quō’ (u = ō, das vor Enklitika nicht verkürzt ist); lat. quam ‘wie, als’ (Akk. Sg. f.) = umbr. [pre-]pa ‘[prius-]quam’, osk. pruter pam ds. (av. kąm-čit̰ ‘in irgendeiner, jeder Weise’, alat. quam-de = umbr. pane, osk. pan ‘quam’; lat. quantus s. oben;
lat. quom, cum ‘wenn, als; so oft als’ (Akk. Sg. n. wie primum usw = av. kǝm ‘wie’, got. ƕan ‘wann’, apr. kan, lit. (dial.) ką ‘wenn’; aksl. ko-gda aus *ko-g(o)da, Meillet Slave commun2 470;
mit -de erweitert umbr. pon(n)e, osk. pún ‘quom’; lat. quandō ‘wann’ (*quām Akk. der Zeiterstreckung + ), umbr. panu-pei ‘quandōque’, mnd. wante ‘bis’; lat. quantus, umbr. panta ‘quanta’ (S. 644);
air. nech, adj. (proklit.) nach ‘aliquis; ullus, quisquam’, cymr. corn. bret. nep (*ne-ko-s, mit Verblassen der Negation in neg. Sätzen mit wiederholte Negation, ebenso lit. kaz-ne-kàs ‘etwas’, kadà-ne-kadà ‘zuweilen’, abg. někъto ‘jemand’); air. cāch, verbunden cach, mcymr. pawp, verbunden pop, corn. pup, pop, pep, bret. pep ‘jeder’ (*kā- oder kō-ko-s; zu abg. kakъ ‘welcher?’), ir. cech ‘jeder’ (das e nach nech); air. can, mcymr. pan (*kanā), mbret. ре-ban ‘woher?’; air. cuin ‘wann?’, mcymr. usw. pan, pann ‘als, wenn’ (*kani?), air. ca-ni, mcymr.po-ny ‘nonne’ (*kā-);
got. ƕas (*ko-s) ‘wer?’ und indefinit (Gen. ƕis, ahd. hwes = abg. ceso, gr. τέο), aschwed. hvar, har, adän. hvā, ags. hwā ‘wer’, mit dem e des Gen. as. hwē, ahd. hwer (*ke-s) ‘wer’; neutr. got. ƕa (*ko-d), ahd. hwaz, an. hvat, ags. hwæt, as. hwat ‘was’; fem. got. ƕō ‘wer? welche?’ : got. ƕan ‘wann, wie’, as. hwan, ahd. hwanne ‘wann’ (näherer Vergleich mit air. can ‘woher’ ist wegen der Bed. fraglich), as. hwanda ‘weil’, ahd. hwanta ‘warum’; got. ƕē ‘womit?’ (Instr.); afries. , as. hwō, ahd. hwuō ‘wie’ zu lat. quō ‘wohin’ (Ablat.), gr. πω, κω ‘irgendwie’;
lit. kàs ‘wer?, was?’ auch indefinit, fem. kà, apr. kas m., ka n. ‘wer?’, kas f. quai, quoi, n. ka (Akk. auch kan, kai) ‘welcher, -e, -es’; lit. kad ‘wenn, daß, damit’ (Konjunktion wie lat. quod, aus dem fragenden Gebrauch, vgl. ai. kad, av. kat̰ adv. Fragewort ‘nun, ob?’); lit. kaĩ, kaĩ-p, apr. kāi-gi ‘wie?’ (= abg. cě; aber über gr. καί s. unter *kai ‘und’);
abg. kъ-to ‘wer?’ (Gen. česo), kyjь, f. kaja, n. koje ‘qui, ποῖος?’, cě ‘καίτοι, καίπερ, εἴπερ’ (s. oben).
B. Ableitungen, die sich durch mehrere Sprachen verfolgen lassen: ko-tero- ‘wer von zweien?’; kā-li- ‘wie?’; ko-ti-, ke-ti- ‘wie viele?’.
Ai. katará-, av. katāra- ‘wer von zweien’, gr. πότερος, ion. κότερος ds., osk. Lok. pútereí-píd ‘in utroque’, umbr. podruh-pei adv. ‘utroque’, putres-pe ‘utriusque’, got. ƕaþar, aisl. hvārr, ags. hwæþer ‘wer von beiden’ (ahd. hwedar, nhd. noch in weder, mit e, wie hwer ‘wer’ : got. ƕas), lit. katràs ‘welcher von beiden, welcher?’, abg. koteryjь, kotoryjь ‘welcher’ Komparativbildung (Beschränkung auf die Wahl zwischen zwei Gegensätzen); superlativisch ai. katamá- ‘welcher von mehreren’; vgl. vom Stamm ku- : lat. uter.
Ai. kadā, av. kaδa ‘wann?’; aber lit. kadà ‘wann?’ aus *kadā̀n; zum Ausgang siehe oben S. 181 ff. (auch für abg. kǫdǫ, kǫdě ‘woher’, lat. quan-do).
Gr. πηλί-κος ‘wie groß? wie alt?’, lat. quālis ‘wie beschaffen’, lit. kõlei, kõl’ ‘wie lange’; vom St. ko- aus: abg. kolikъ ‘wie groß’, kolь ‘quantum’ (Trautmann 111).
Ai. káti ‘wie viele’ = hitt. kuwatta, lat. quot ds. (vom apokopierten quot aus: quotus ‘der wievielte’), ai. kati-thá- ‘der wievielte’ = lat. *quotitei (Lok. m.) diē > cottī-diē ‘amwievielten Tage auch immer, täglich’; gr. lesb. πόσσος (hom. ποσσῆμαρ), att. πόσος, ion. κόσος ‘wie groß’ (*koti-os; πόστος ‘der wievielte’ aus *ποσσοστός; daneben mit idg. e av. čaiti ‘wie viele’, bret. pet in pet dez ‘wieviel Tage’, petguez ‘quotiēns’.
Ai. kár-hi ‘wann?’ = got. ƕar, aisl. hvar (*kor) ‘wo?’ und relativ (davon got. ƕarjis, aisl. hverr ‘welcher’, eig. ‘wo er’, wie aus lit. kur̃ [*kū̆r] ‘wo’ + jìs ‘er’ das lit. Rel. kurìs, kur̃s ‘welcher’ erwuchs); ē-stufig ags. hwǣr, ahd. as. hwār ‘wo’; ō-stufig lat. cūr ‘warum, weshalb’, alt quōr.
Eine Parallelbildung zu lat. quis in alat. quir-quir ‘ubicunque’.
2. Stamm kei-, gleiche Form für Maskul., Neutr. und Femin.:
Ai. kím ‘was? was’, kíḥ ‘wer?’, ná-ki-ḥ ‘niemand’ (mit k statt c; letzteres lautgesetzlich in:) ai. cit (cid), av. cit̰, apers. čiy ‘sogar, jedenfalls’ (ursprüngl. Nom. Sg. n. *ki-d; s. auch unter ke ‘und’); av. čiš ‘wer’, čišca = lat. quisque, gr. τίς τε, apers. čiš-čiy ds.; av. čī ‘wie’ (Instr.);
arm. in in-č ‘etwas’ (= ai. kimcid), das auch im ersten Glied hierher, mit Abfall des k- wie i (z-i) ‘was?’ (*kid-), Instr. i-v ‘wodurch, womit’, (s. auch oben zu arm. о ‘wer’); zum Alb. s. oben unter 1;
gr. τίς (*kis) m. f. (thess. κίς, ark. kypr. σίς), n. τί (*kid) ‘wer? welcher, -e, -es?’ und τὶς, τὶ ‘(irgend) wer, was’, Akk. m. *τιν (*kim) erw. zu τίνα, wonach τίνος, τίνι, Pl. n. *ki̯ǝ in megar. σά μάν ‘wieso?’ τὶ μην; böot. τά ‘warum’ = lat. quia; auch in ion. ἄσσα, att. ἄττα, ‘τινὰ Nom. Pl.’ (durch falsche Trennung aus ὁποῖά σσα) und mit dem relativen ἅ verbunden ἅσσα, att. ἅττα;
lat. quis, quid ‘wer, was’ (fragend, indefinit, relativ), quī Adv. ‘wodurch, wovon (rel.); wie denn, warum (frag.); irgendwie (in Wunschformeln)’ (könnte Abl. *kīd sein, aber doch wohl auf Grund eines Instr. *ki = av. čī, sloven. či ‘wenn’, čech. či ‘ob’, ags. usw. hwī ‘wie, wozu, warum’); quī-n (aus -ne) ‘wie nicht; daß nicht, ohne’, quia-nam ‘warum’, quia ‘daß, weil’ (Akk. Pl. *k) s. oben;
osk. pis, píd ‘quis, quid’ (fragend, indefinit, unbestimmt-relativ), umbr. sve-pis ‘sī quis’, pis-i ‘quis, quisquis’; gedoppelt osk. pispis, lat. quisquis, argiv. τίστις in verallgemeinernd indef. Sinne;
air. cid ‘was?’ mit dem i von c-id ‘obwohl es sei’; ursprüngl. wie das adj. ced aus *ce ed;
air. cia ‘wer’, cymr. pwy, corn. pyw, bret. piou ‘wer’ (*kei); verbunden cymr. py, pa, p- usw. (air. cote, cate ‘was ist’, ‘wo ist’ ist unklar);
got. ƕi-leiks, ags. hwilc ‘wie beschaffen’; ags. hwī, as. hwī, hwiu, aisl. hvī ‘wie, wozu, warum’ (kī Instr.);
abg. čь-to ‘was’; Instr. kī (s. oben) in sloven. či ‘wenn; auch Fragepartikel’, čech. či ‘ob’, poln. czy ‘ob’, russ. alt či ‘wenn’, abg. či-mь Instr. daraus erweitert;
über toch. A kus, В kuse ‘welcher’ s. Pedersen Toch. 121;
hitt. Frage- und Relativpron. kuiš ‘wer, welcher’, verallgemeinernd kuiš kuiš usw. (= lat. quisquis) ‘wer immer’, Indefinitum kuiš-ki (= lat. quisque) ‘irgend jemand’, n. kuit-ki (= lat. quidque); lyk. ti-ke (= hit kuiš-ki); s. P. Tedesco Lang. 21, 128 ff., A. Hahn Lang. 22, 68 ff.
3. Stamm ku-:
Ai. kū́, av. ‘wo?’, ved. kuv-íd ‘ob, etwa’, av. čū ‘wie, in welchem Maße?’ (č- nach čī ‘wie?’); ai. kúva, kvá ‘wo, wohin’; ai. kútra, av. kuθra ‘wo? wohin?’; ai. kútaḥ ‘woher’; ai. kúha = gathav. kudā ‘wo’ (= abg. kъde; idg. *ku-dhe; s. unten lat. ubi); av. kuθa ‘wie’; hierher auch ar. ku als 1. Zsglied zum Ausdruck des Schlechten, Mangelhaften (eig. ‘was für ein...!’), z. B. ai. ku-putra- ‘schlechter Sohn’, av. ku-nāiri ‘Hure’, vgl. böot. πούλιμος ‘Heißhunger’ (*πυ-), aböot. Πυλιμιάδᾱς, auch von den Stämmen ko- und ki-: ai. ka-, kā-, kad-, kim-, z. B. kā-puruṣa- ‘Wicht’, ka-pūya- ‘übelriechend’, kiṃ-puruṣa- ‘Kobold, Zwerg’ (W. Schulze Kl. Schr. 399 f.);
kret. ὄ-πυι ‘wohin’, syrak. πῦς (*πυι-ς), rhod. ὅπῡς ‘wohin’ (*πυι neugebildet zu ποῖ);
alb. kur ‘als, wann’ (s. unter 1. В bei den r-Bildungen = lit. kur̃, arm. ur), kurrë ‘je’ (*kur-nei), ku ‘wo’, ku-sh ‘wer’, kü-sh ‘wie’ (ü aus idg. ū);
lat. ubī̆ ‘wo’ (dazu unde gebildet nach ibi : inde), woneben inlaut. -cubī in nē-cubi, sī-cubi, ali-cubi, nesciō-cubi, nun-cubi (nē-cunde usw.); es ist das durch die Stämme lat. quo-, quā, quī vor der Entlabialisierung durch u bewahrte q- vor u zu qw- geworden und qwu- hat anl. wu-, u- ergeben, während in *nē-qwubi usw. infolge der Silbentrennung nēq-wubī der Gutt. erhalten blieb; ist ubī̆ nach Lok. auf (*ei, *oi) aus *ubĕ = ai. kúha, av. kudā, abg. kъde umgebildet = osk. puf ‘ubi’ (umbr. erweitert zu pufe ‘ubi’)?; nach Pedersen Hitt. 50 f. enthalten ubi, ibivielmehr die idg. Adverbialendung -bhi (gr. -φι), vgl. hitt. ku-wa-pi (kwabi) ‘wo, wann?’; entsprechend lat. ut ‘wie, damit, daß’ (uti-nam, -que) und utī, alat. utei (Umbildung wie in ubī) aus *ku-ti (us-piam, -quam ‘irgendwo’ aus ut + adv. s = osk. puz, umbr. puz-e aus *kut-s-), uter, utra, -um ‘welcher von beiden’ aus *ku-teros (parallel mit πότερος usw.), unquam, umquam ‘irgendeinmal’ (kum- temporaler Akk.); ob umbr. pu-e (-o Part.) ‘wo’ = ai. ist oder *kō, ist fraglich;
mcymr. cw, cwd (= ð), cwt (= d) ‘wo, wohin’ (*ku-) = air. со ‘wie?’;
got. -hun zur Bildung unbestimmter Pronomina: ni ains-hun ‘nicht irgendeiner’, usw.; ags. ‘wie’, engl. how, afries. , mnd. ;
lit. kur̃ ‘wo’ (s. oben 1. B); auch lit. dial. kũ ‘was?’ aus *kun? apr. quei ‘wo’ aus *ku-ei und wohl der Ausgangspunkt des qu- statt k- im fem. Nom. quai, quoi usw.;

WP. I 514 ff., WH. I 313, II 397 f., 404 ff., 408 f., 410 ff., Trautmann 110 f., 120 f., 133, 134, Meillet Slave commun2 442 ff., 469, Schwyzer Gr. Gr. 1, 293 f., 615 ff., Wackernagel-Debrunner 3, 558 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal