Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zoenen - (een kus geven; een geschil beëindigen)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2014-), etymologische artikelen, gepubliceerd op Neerlandistiek.nl

Etymologie: zoen

zoen zn. ‘kus’
Mnl. sune, soene v. ‘verzoening, zoenovereenkomst, zoenoffer’ (1240). In het oostelijk Nederlands, inclusief Limburg, en sporadisch ook elders, begint het woord tot ca. 1550 met sw-, bijv. swone, swoene (Brabantse Yeesten, 1460–80), swoenen (Coevorden, 1402), moetswoene ‘vrijwillige verzoening’ (Zutphen, 1357). Nnl. soene v. (1500), zoen m. (1519) ‘verzoening, genoegdoening’, soen m. ‘kus’ (1544, Antwerps Liedboek).
De betekenis ‘kus’ ontstond doordat verzoening soms met een kus bezegeld werd. De chronologie van de attestaties suggereert dat de betekenis ‘kussen’ het oudst is in het werkwoord, waarna het zn. zoen naast ‘verzoening’ ook ‘kus’ kon gaan betekenen. Het mannelijk geslacht kan door de wegval van onbeklemtoonde -e veroorzaakt zijn. In de moderne dialecten is zoen het Hollandse woord voor ‘kus’, terwijl Zeeland, Utrecht, Brabant en Noord-Limburg kos of kus gebruiken, zie van den Berg Taal en Tongval 4, 1952, 59-62, en Jan Stroop in Dialectatlas van het Nederlands, red. N. van der Sijs, 2011, 134–35. De wegval van w tussen medeklinker en ō is regelmatig in een deel van het Nederlands, zie s.v. zwoel.
Verwante vormen: Middelnederduits swōne, sōne v. ‘verzoening’, Oudhoogduits suona, Mhd. suone naast süene v. ‘vrede, verzoening; oordeel’, Nhd. Sühne (de umlaut in het Mhd. en Nhd. is analogisch naar het ww. sühnen), Oudfries ofsōne ‘zoengeld’, sōnbrēf ‘zoenbrief’. Uit Proto-Germaans *swō-nō- v. ‘zoenoffer’.
Het zn. *swōnō- is binnen het Germaans afgeleid van een ww. *swō-an- ‘offeren’ dat in Oudijslands sóa ‘vernietigen, offeren’ voortgezet wordt. De etymologie van *swō-an- ‘offeren’ is onduidelijk. Tot de mogelijke voorgangers behoren PIE *swoh1-e- (in welk geval het een iteratief ww. bij de wortel *seuh1- ‘in beweging zetten’ zou kunnen zijn) en PIE *swoh1-u-e- (een u-presens bij voorafgaande wortel).
zoenen ww. ‘kussen’
Mnl. soenen ‘zoengeld betalen, verzoenen, bijleggen’ (1237), Laatmnl. soenen ‘kussen’ (1481), montsoenre ‘die bevoegd is om een montsoene te sluiten, een verzoeningskus’, Vroegnieuwned. soenen ‘bijleggen, verzoenen, vergelden, tevredenstellen’, soenen ‘kussen’ (1573), ook ‘vrijen’ (1612). In het oosten ook de variant swo(e)nen, bijv. swoenlude ‘scheidsrechters’ (Noordoost-Nederlands, 1327), swonen (1434–36). Modern Roermonds verzeune toont i-umlaut.
Verwanten: Oudsaksisch (gi)sōnian, Middelnederduits swonen, Oudhoogduits suonen, Mhd. süenen, Nhd. sühnen en versöhnen (dialectvarianten), Oudfries sēna, senna, sinna ‘beslechten, verzoenen’. Uit Proto-Germaans *swōnjan ‘een zoenoffer brengen’, afgeleid van het zn. *swōnō-.
[Michiel de Vaan, gepubliceerd op 02-07-2015]

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zoenen ww., mnl. soenen, suenen ‘verzoenen, door het betalen van een soene de familie van een gedode tevredenstellen’ (laat-mnl.) ‘kussen’, os. sōnian, ohd. suonen (nhd. sühnen), ofri. sēna ‘een vergrijp verzoenen’. — Men pleegt dit woord af te leiden uit een vorm met sw-anlaut, vgl. mnl. swoenen ‘verzoenen, een geschil bijleggen’, dat men dan vergelijkt met swoene ‘verzoening’, maar nnoorw. dial. sōnast ‘onmachtig worden’, svœna ‘ophouden, minder worden’, svana ‘wegteren, kalmer worden’. Men verbindt daarmee ook on. sōa ‘offeren, doden’, waarschijnlijk door verstikking, dat men afleidt < swōhan, waarnaast met gramm. wiss. oe. äswōgen ‘doen stikken’, geswōgen ‘onmachtig’. Buiten het germ. zijn geen verwante woorden gevonden.

Terwijl zoenen typisch hollands is, vinden wij kussen in Midden- en Zuid-Nederl., poenen in Z. Limburg, poesen in West-Vlaanderen, vgl. de taalkaart van B. v. d. Berg TTv 4, 1952, 60.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zoenen ww., reeds laat-mnl. soenen “kussen”. Zie zoen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Soen ww. Segsw.: Elke man soen sy vrou op sy eie manier. – Corn. en Vervl. 1853: Iederen boer kust zij(n) wijf op zijn manier, ieder volgt zijne eigen manier.” Harreb. II, 65: Ieder kust zijne vrouw op zijne manier.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zoenen ‘een kus geven’ -> Duits dialect sühnen ‘een kus geven’; Papiaments sunchi (ouder: zoentsje, zoenstjá) ‘een kus geven’.

zoenen ‘een geschil beëindigen, zich verzoenen’ -> Deens sone ‘goedmaken, vergoeden’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors sone ‘goedmaken, vergoeden’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds sona ‘boeten voor, boete doen voor’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal